RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Middelburg
Zaaknummer: C/02/441960 / JE RK 25-2031
Datum uitspraak: 25 november 2025
Beschikking van de kinderrechter over een ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
DE RAAD VOOR DE KINDERBESCHERMING REGIO ZUIDWEST NEDERLAND,
locatie Middelburg,
hierna te noemen: de Raad.
over
[minderjarige] ,
geboren op [geboortedag] 2025 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder] ,
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [plaats 1] ,
advocaat mr. N.P.M. Planthof uit Goes.
[de vader] ,
hierna te noemen: de vader,
wonende in [plaats 1] .
De kinderrechter merkt als informant aan:
WILLIAM SCHRIKKER STICHTING JEUGDBESCHERMING & JEUGDRECLASSERING,
gevestigd te Amsterdam,
hierna te noemen: de GI.
1. Het verloop van de procedure
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 12 november 2025.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 25 november 2025. Daarbij waren aanwezig:
- de moeder, bijgestaan door haar advocaat;
- een vertegenwoordigster van de Raad;
- een vertegenwoordiger van de GI.
Tijdens de zitting is duidelijk geworden dat de vader [minderjarige] op 21 november 2025 heeft erkend. Om die reden zal hij vanaf nu als belanghebbende worden aangemerkt.
Aan mevrouw [persoon] van [hulpverlening] , de persoonlijk begeleidster van de moeder, is bijzondere toestemming door de kinderrechter verleend om de zitting bij te wonen.
2. De feiten
De vader heeft [minderjarige] op 21 november 2025 [minderjarige] . De ouders zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
[minderjarige] verblijft sinds 31 oktober 2025 bij een pleeggezin. Daarvoor heeft [minderjarige] (gedurende 11 weken) met de moeder bij [woongroep] verbleven.
3. Het verzoek
De Raad verzoekt [minderjarige] onder toezicht te stellen voor de duur van een jaar. Ook verzoekt de Raad een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg te verlenen voor de duur van een jaar. De Raad verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
4. De standpunten
De Raad handhaaft het verzoek. [minderjarige] heeft basale zorg en veiligheid nodig en sensitieve opvoeders die er voor haar zijn, scherp zijn op signalen die zij afgeeft en hier adequaat op reageren. De Raad stelt dat de moeder (en haar partner) dit, mede door haar licht verstandelijke beperking, niet aan [minderjarige] kan bieden en dat de zorg en opvoeding van [minderjarige] haar te veel vraagt. Zo is bij [woongroep] gezien dat de mogelijkheden van de moeder beperkt zijn en dat zij niet in staat is om de veiligheid van [minderjarige] te waarborgen en adequaat in te spelen op de ontwikkelingsbehoeften van [minderjarige] . Er is geen sprake van onwil, maar van onmacht. De partner van de moeder, die [minderjarige] zeer recent heeft erkend, wordt zelf intensief begeleid door het [hulpverlening] . Het perspectief van [minderjarige] ligt niet bij de moeder, maar bij het (perspectiefbiedend) pleeggezin waar [minderjarige] sinds 31 oktober 2025 verblijft. De maatregelen zijn noodzakelijk om de benodigde veiligheid, rust en regelmaat voor [minderjarige] te waarborgen en ernstige ontwikkelingsproblemen te voorkomen, maar ook om de moeder te begeleiden in haar rol als ouder op afstand. De Raad stelt dat de moeder meewerkt aan de hulpverlening, maar dat er sprake is van een blijvende kwetsbaarheid bij de moeder in het begrijpen, aanvaarden en hanteren van de complexe opvoedsituatie. Zij heeft moeite om informatie te verwerken en hulpverlening vast te houden. Belangrijk is wel dat er, vanuit de veilige situatie voor [minderjarige] bij het pleeggezin, wordt gewerkt aan de hechtingsrelatie tussen de moeder en [minderjarige] .
Namens en door de moeder is naar voren gebracht dat de moeder geen verweer voert tegen de ondertoezichtstelling. De ondertoezichtstelling is nodig om te kijken wat [minderjarige] nodig heeft en voor de moeder om te laten zien dat zij voor [minderjarige] kan zorgen. Bij [woongroep] heeft de moeder geen eerlijke kans gekregen om dit te laten zien, nu de zorg voor [minderjarige] achter haar rug om is overgenomen. [minderjarige] verblijft nu bij een pleeggezin. De moeder heeft vertrouwen in de pleegouders en het contact en de samenwerking verloopt goed. De moeder ziet [minderjarige] op dit moment twee keer per week voor de duur van één uur, waarbij de moeder hulp krijgt bij het vervoer. De moeder wil [minderjarige] niet weghalen bij het pleeggezin en daarom is een machtiging tot uithuisplaatsing niet nodig. De plaatsing van [minderjarige] is voldoende geborgd door de ondertoezichtstelling. Desondanks wil de moeder het liefst de kans krijgen om samen met haar partner voor [minderjarige] te zorgen. Belangrijk is dat er wordt onderzocht wat de mogelijkheden van de moeder zijn en of en op welke wijze [minderjarige] thuis bij de moeder en haar partner kan opgroeien, eventueel met ondersteuning. De moeder dient hierin een eerlijke kans te krijgen en zij is bereid om aan alles mee te werken. Zo staat zij open voor de ondertoezichtstelling en voor een psychodiagnostisch onderzoek. Verder heeft de moeder sinds kort ook hulp vanuit [hulpverlening] en [jeugdhulp] .
De GI begrijpt het verzoek van de Raad en geeft aan dat er een vaste jeugdbeschermer beschikbaar is.
5. De beoordeling
Wettelijk kader
Ingevolge het bepaalde in artikel 1:255 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (hierna te noemen: BW) kan de kinderrechter een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling wanneer die minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en:
a. de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en;
b. de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247 lid 2 BW, in staat zijn te dragen.
Ingevolge artikel 1:265b lid 1 BW kan de kinderrechter de GI, die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling, machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid.
Inhoudelijke beoordeling
De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing is voldaan. Zij zal het verzoek toewijzen en [minderjarige] onder toezicht van William Schrikker Stichting Jeugdbescherming & Jeugdreclassering stellen voor de duur van een jaar, te weten tot 25 november 2026. Ook zal zij een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg voor de duur van zes maanden verlenen, te weten tot 25 mei 2026, onder aanhouding van het resterende deel van het verzoek. De kinderrechter legt deze beslissing hierna uit.
De kinderrechter is van oordeel dat [minderjarige] ernstig in haar ontwikkeling wordt bedreigd, waarbij de zorgen vooral betrekking hebben op de opvoedvaardigheden van de moeder en haar persoonlijk functioneren in relatie tot de kwetsbaarheid en volledige afhankelijkheid van [minderjarige] gezien haar jonge leeftijd. Bij de moeder is in het verleden een licht verstandelijke beperking vastgesteld en uit de informatie in het verzoekschrift volgt dat zij beperkt leerbaar is. Tijdens de opname van de moeder en [minderjarige] bij [woongroep] is door de begeleiding gezien dat de opvoedvaardigheden van de moeder onvoldoende zijn en dat zij onvoldoende bij de ontwikkelingsbehoeften van [minderjarige] kan aansluiten. Uit de informatie van [woongroep] volgt verder dat de (volledige) verzorging en opvoeding van [minderjarige] te zwaar voor de moeder is en dat het te veel van de moeder vraagt. Naast dat de verzorging en opvoeding van [minderjarige] stress en druk bij de moeder veroorzaakt, is bij [woongroep] ook gezien dat de moeder op dit moment niet in staat is om de (fysieke) veiligheid van [minderjarige] te waarborgen. Dit neemt niet weg dat de kinderrechter leest, ziet en hoort dat de moeder veel van [minderjarige] houdt en dat zij haar best voor [minderjarige] wil doen.
De kinderrechter constateert dat de moeder bereid is om de hulpverlening te accepteren – en dat ook heeft gedaan – maar dat ook is gebleken dat de moeder het moeilijk vindt om informatie te verwerken en blijvend vast te houden. Dit maakt dat de moeder niet in staat is om zelfstandig de ernstige ontwikkelingsbedreiging van [minderjarige] weg te nemen. De kinderrechter is dan ook van oordeel dat het noodzakelijk is dat [minderjarige] onder toezicht wordt gesteld en er een regievoerder in het gedwongen kader betrokken raakt, zodat er met [minderjarige] wordt meegekeken en de moeder kan worden ondersteund en kan worden bezien wat haar mogelijkheden zijn en welke ouderrol daarbij past..
Sinds 31 oktober 2025 verblijft [minderjarige] , met instemming van de moeder, bij het pleeggezin in [plaats 2] . Nu [minderjarige] niet thuis bij de moeder woont en de kinderrechter [minderjarige] onder toezicht zal stellen, is er volgens de wet een machtiging tot uithuisplaatsing nodig. In het pleeggezin kan aan [minderjarige] de benodigde veiligheid, rust en regelmaat worden geboden. De moeder heeft vertrouwen in het pleeggezin en het contact en de samenwerking tussen de pleegouders en de moeder verloopt goed. Tijdens de zitting heeft de moeder dan ook aangegeven dat zij [minderjarige] niet wil weghalen bij het pleeggezin, maar dat zij wel een eerlijke kans wil krijgen om (op termijn) zelf samen met de vader voor [minderjarige] te zorgen als uit onderzoeken blijkt dat dit (eventueel met ondersteuning) mogelijk is. Gelet op het voorgaande is de kinderrechter van oordeel dat de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg in het belang van haar verzorging en opvoeding noodzakelijk is en zij zal, in afwachting van het hierna te noemen onderzoek en gelet op de jonge leeftijd van [minderjarige] , de machtiging tot uithuisplaatsing voor zes maanden verlenen en het restant aanhouden.
De komende periode dient de GI het belang van [minderjarige] in de gaten te houden en in overleg met de moeder de voor [minderjarige] noodzakelijke beslissingen te nemen. Ook dient er, zoals door de moeder verzocht, alsnog een diagnostisch onderzoek uitgevoerd te worden bij de moeder. Uit de stukken volgt dat dit bij [woongroep] zou worden uitgevoerd, hetgeen niet is gebeurd. De kinderrechter acht een dergelijk onderzoek van belang om een duidelijk beeld te krijgen van het functioneren van de moeder en van de mogelijkheden om, zoals de moeder wenst, in de toekomst samen met de vader (deels) zelf de zorg voor [minderjarige] te dragen. Ook kan op basis van het onderzoek bezien worden of en zo ja welke hulpverlening nodig is voor de moeder om (met steun van de vader) de ouderrol voor [minderjarige] op een passende en voor [minderjarige] verantwoorde wijze in te vullen of dit nu is in haar eigen thuissituatie of in het pleeggezin. Het is daarnaast van belang dat de GI zicht op de thuissituatie van de moeder krijgt en daarin ook de vader betrekt. De kinderrechter vindt het verder van groot belang dat de moeder en [minderjarige] op regelmatige basis contact met elkaar blijven houden en dat er aandacht blijft voor de hechtingsrelatie tussen de moeder en [minderjarige] . Zij zien elkaar op dit moment twee keer per week, waarbij de moeder ondersteuning krijgt bij het vervoer. De kinderrechter vindt het belangrijk dat dit wordt voortgezet.
Nu het verzoek tot machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] voor de duur van zes maanden zal worden toegewezen en het resterende deel van het verzoek zal worden aangehouden, verzoekt de kinderrechter de GI om voor de hierna te noemen pro forma datum per brief te rapporteren over het verloop van de ondertoezichtstelling en de uithuisplaatsing van [minderjarige] en de stand van zaken. De Raad wordt verzocht zijn nadere standpunt over het resterende deel van het verzoek kenbaar te maken en te berichten of de Raad het restantverzoek al dan niet handhaaft.
Uitvoerbaar bij voorraad
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat. de kinderrechter doet dit, omdat het voor de ontwikkeling van [minderjarige] noodzakelijk is dat de beslissing ondanks een eventueel hoger beroep meteen uitgevoerd kan worden.
6. De beslissing
De kinderrechter:
stelt [minderjarige] onder toezicht van William Schrikker Stichting Jeugdbescherming & Jeugdreclassering met ingang van 25 november 2025 en tot 25 november 2026;
verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg met ingang van 25 november 2025 en tot 25 mei 2026;
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
houdt de beslissing ten aanzien van het resterende deel van het verzoek tot het verlenen van een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg aan tot 24 april 2026 PRO FORMA en verzoekt de GI om voor deze datum per brief te rapporteren over het verloop van de ondertoezichtstelling en de uithuisplaatsing van [minderjarige] en de stand van zaken en verzoekt de Raad zijn nadere standpunt over het resterende deel van het verzoek kenbaar te maken en te berichten of de Raad het restantverzoek al dan niet handhaaft;
behoudt zich iedere verdere beslissing voor.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 25 november 2025 door mr. Haesen, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Vork, griffier, en op schrift gesteld op 9 december 2025.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.