RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Tilburg
Zaaknummer: 10054557 \ CV EXPL 22-3071
Vonnis van 3 december 2025
in de zaak van
ANICURA DIERENZIEKENHUIS DRECHTSTREEK B.V.,
te Dordrecht,
eisende partij,
hierna te noemen: AniCura,
gemachtigde: Medicas B.V.,
tegen
[gedaagde] ,
te [plaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
procederend in persoon.
1. De zaak in het kort
AniCura vordert betaling van een factuur uit hoofde van een overeenkomst voor geneeskundige hulp van een dier, te weten een operatie. [gedaagde] voert verweer, omdat zij vindt dat de operatie niet had hoeven plaatsvinden als zij juist en volledig was geïnformeerd.
De kantonrechter zal de vordering afwijzen, omdat sprake is van wederzijdse dwaling. Zij zal dat hierna verder toelichten.
2. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 4 januari 2023- de mondelinge behandeling van 28 maart 2023, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt
- de rolbeslissingen van 29 maart 2023, 16 augustus 2023, 20 december 2023,
27 maart 2024 en 11 december 2024
- de akten en brieven van AniCura van 16 augustus 2023, 15 december 2023, 21 maart 2024, 2 mei 2024, 25 juli 2024, 13 mei 2025, 8 augustus 2025 en 3 september 2025
- de (antwoord)akten en brieven van [gedaagde] van 2 mei 2023, 6 december 2023,
20 februari 2024, 21 februari 2024, 28 maart 2024, 25 april 2024, 24 juni 2024, 25 maart 2025 en van 4 augustus 2025 (laatstgenoemde tevens houdende eis in reconventie).
Daarna is vonnis bepaald.
3. De feiten
[gedaagde] heeft met AniCura een overeenkomst van opdracht gesloten met betrekking tot het verrichten van diergeneeskundige behandelingen ten behoeve van de [hond] . Op de overeenkomst zijn de Medicas Betalingsvoorwaarden van toepassing.
Op 29 september 2021 heeft AniCura een factuur ten bedrage van € 3.323,20 gestuurd aan [gedaagde] voor de diergeneeskundige zorg.
Bij brief van 21 december 2021 heeft [gedaagde] AniCura aansprakelijk gesteld voor een verkeerde diagnose aan de hand van de door AniCura uitgevoerde MRI-scan en wegens een beroepsfout. [gedaagde] verzoekt AniCura om de kosten van de operatie van € 3.320,20 niet te hoeven te betalen.
Op 6 januari 2021 [dit moet zijn 2022] heeft AniCura aan [gedaagde] bericht dat zij geen redenen ziet om de factuur te storneren.
[gedaagde] heeft een klacht ingediend bij het Veterinair Tuchtcollege. Op 3 juli 2025 heeft het college uitspraak gedaan.
4. Het geschil
In conventie
AniCura vordert - samengevat - veroordeling van [gedaagde] tot betaling van € 3.990,73, vermeerderd met rente en kosten.
[gedaagde] voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vordering van AniCura.
In reconventie
In de antwoordakte van 4 augustus 2025 vordert [gedaagde] een bedrag van in totaal
€ 1.840,00 aan materiële schadevergoeding en daarnaast immateriële schadevergoeding, waartegen AniCura verweer heeft gevoerd.
5. De beoordeling
In reconventie
Op grond van artikel 136 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering moet een eis in reconventie bij antwoord worden ingesteld. Omdat daaraan niet is voldaan, zal de kantonrechter [gedaagde] niet-ontvankelijk in haar vordering verklaren.
In conventie
AniCura legt aan haar vordering ten grondslag dat [gedaagde] tekort is geschoten in de nakoming van haar betalingsverplichtingen uit hoofde van de overeenkomst van opdracht. Omdat betaling is uitgebleven, was AniCura genoodzaakt haar vordering ter incasso uit handen te geven, waardoor [gedaagde] naast de contractuele rente tevens buitengerechtelijke incassokosten verschuldigd is geworden.
[gedaagde] voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vordering van AniCura. Zij betwist dat zij de factuur moet betalen, omdat zij onvolledig en onjuist is geïnformeerd over de operatie van haar hond. Als zij wel juist was geïnformeerd, had zij niet gekozen voor een operatie en hadden deze kosten niet hoeven te worden gemaakt, aldus [gedaagde] .
Tijdens de mondelinge behandeling is met partijen uitgebreid gesproken over de gang van zaken voorafgaand aan en rondom de operatie van de hond van [gedaagde] . Omdat
[gedaagde] een klacht heeft ingediend bij het Veterinaire Tuchtcollege tegen mevrouw drs. [dierenarts] (dierenarts) en tegen mevrouw drs. [naam] (veterinair radioloog) en de beslissing van dit orgaan van belang kan zijn voor de (juridische) beoordeling van het geschil tussen partijen, is de zaak bij voormelde rolbeslissingen telkens aangehouden.
Op 3 juli 2025 heeft het Veterinair Tuchtcollege uitspraak gedaan. De klachten ten aanzien van de foutieve informatieverschaffing over de keuze CT-scan of MRI-scan en het niet informeren over de risico’s van een narcose zijn ongegrond verklaard. Met betrekking tot de klacht over de foutieve diagnose waardoor de hond onnodig is geopereerd heeft het college niet aannemelijk geacht dat dierenarts [dierenarts] de mogelijkheid van afsterving van het ruggenmerg voorafgaand aan de operatie heeft uitgesloten, zodat er geen basis is voor gegrondverklaring van de klacht tegen deze dierenarts.
[gedaagde] heeft daarnaast geklaagd over een foutieve beoordeling van de MRI-beelden. Het Veterinair Tuchtcollege heeft daarover, voor zover van belang, het volgende overwogen.
Beklaagde sub 2 is een op zzp-basis werkzame specialist veterinaire radiologie. (…) In het verslag dat beklaagde sub 2 na het beoordelen van de MRI-beelden van [hond] heeft opgesteld (…) heeft zij geconcludeerd dat sprake is van ‘Discopathie en compressie van het ruggenmerg t.h.v. TH13-L1 links”. Beklaagde sub 2 heeft in haar verslag onder de bevindingen opgemerkt: “De beoordeling wordt bemoeilijkt door de grote hoeveelheid ruis op de beelden.” De deskundige die de beelden op verzoek van het college heeft beoordeeld, is nog een stap verder gegaan door op te merken dat de MRI-beelden niet van voldoende kwaliteit zijn om te beoordelen.
Dit roept de vraag op wat van beklaagde sub 2 als veterinair radioloog mocht worden verwacht toen zij gevraagd werd dergelijke gebrekkige beelden te beoordelen. (…)
Het [college] overweegt dat beklaagde sub 2 als veterinair radioloog die gevraagd is om op basis van haar expertise onderzoek te doen naar beelden over een patiënt, wel degelijk betrokken is bij de patiëntenzorg en daarmee mede verantwoordelijk is voor de kwaliteit van de beelden die ze beoordeelt. Daarbij dient de veterinair radioloog de informatie die de verwijzende dierenarts met zijn/haar opdracht heeft meegegeven, in acht te nemen en behoort zich een eigen oordeel te vormen over de te ontvangen beelden. In onderhavige kwestie was sprake van gebrekkige beelden, die volgens beklaagde sub 2 vanwege ruis moeilijk te beoordelen waren. De gebrekkige aard van de beelden wordt onderstreept door de verklaring van de deskundige, die de beelden van onvoldoende kwaliteit achtte om te beoordelen. Van beklaagde sub 2 mocht als expert ten minste worden verwacht dat zij beklaagde sub 1 als verwijzend dierenarts over de gebrekkigheid zou inlichten op een zodanig duidelijke wijze dat voor haar helder is wat zij er voor de verdere behandeling van de patiënt mee zou kunnen. Door op te schrijven dat de beoordeling wordt bemoeilijkt door de grote hoeveelheid ruis op de beelden, heeft beklaagde sub 2 daaraan naar het oordeel van het college niet voldaan. Hiermee is niet helder genoeg overgebracht of de ruis er al dan niet aan in de weg heeft gestaan de beelden in voldoende mate te kunnen beoordelen, gelet op de diverse oorzaken die aan de klachten van [hond] ten grondslag zouden kunnen liggen. Voor beklaagde sub 1 als verwijzend dierenarts was hierdoor niet meteen duidelijk wat de opmerking over de ruis zou betekenen voor de verdere behandeling van [hond] . Zodoende is beklaagde sub 2 tekortgeschoten in haar verantwoordelijkheid de nodige helderheid te verschaffen over de kwaliteit van de beelden en wat dit heeft betekend voor de beoordeling daarvan, welke informatie van belang is voor het nemen van de belangrijke beslissing over het al dan niet opereren van de hond. Het college zal de klacht tegen beklaagde sub 2 dan ook gegrond verklaren. (…)”
[gedaagde] handhaaft haar verweer en stelt dat de keuze van AniCura om het proces voort te zetten op basis van niet te beoordelen MRI-beelden, het gevolg heeft gehad dat de hond geopereerd is op basis van een onjuiste dan wel onvolledige diagnose. Volgens
[gedaagde] blijkt nu dat alle vervolgkeuzes zijn gemaakt op basis van onjuiste of onvolledige gegevens, omdat volledige en juiste informatie niet te verstrekken was door de kwaliteit van de MRI-beelden, wat [gedaagde] AniCura zwaar aanrekent. Het is een intern probleem bij AniCura dat de afstemming tussen de radioloog en de dierenarts onvoldoende blijkt te zijn. Verder is het de verantwoordelijkheid van AniCura wie zij inhuurt als radioloog en ook de mate van en het niveau van informatie-uitwisseling tussen de professionals, aldus [gedaagde] .
AniCura heeft bij antwoordakte aangegeven dat zij haar vordering handhaaft, omdat de klacht van [gedaagde] jegens AniCura ongegrond is verklaard. De klacht over de MRI is gegrond verklaard, maar de kosten daarvan zijn geen onderdeel van de factuur waarvan betaling wordt gevorderd.
De kantonrechter begrijpt uit het verweer van [gedaagde] dat zij primair een beroep doet op dwaling. Subsidiair stelt zij dat AniCura in strijd heeft gehandeld met de op haar rustende zorgplicht.
Op grond van artikel 6:228 van het Burgerlijk Wetboek is een overeenkomst die is tot stand gekomen onder invloed van dwaling en bij een juiste voorstelling van zaken niet zou zijn gesloten, vernietigbaar:
a. indien de dwaling te wijten is aan een inlichting van de wederpartij, tenzij deze mocht aannemen dat de overeenkomst ook zonder deze inlichting zou worden gesloten;
b. indien de wederpartij in verband met hetgeen zij omtrent de dwaling wist of behoorde te weten, de dwalende had behoren in te lichten;
c. indien de wederpartij bij het sluiten van de overeenkomst van dezelfde onjuiste veronderstelling als de dwalende is uitgegaan, tenzij zij ook bij een juiste voorstelling van zaken niet had behoeven te begrijpen dat de dwalende daardoor van het sluiten van de overeenkomst zou worden afgehouden.
Tijdens de mondelinge behandeling is vast komen te staan dat de [hond] een nacht door AniCura is geobserveerd. In de daaropvolgende ochtend heeft [dierenarts] overleg gehad met [gedaagde] , de chirurg en de spoedarts, waarna is besloten tot de operatie.
[dierenarts] heeft over de kans op myelomalacie het volgende verklaard tijdens de mondelinge behandeling. [hond] had al een week klachten. Myelomalacie ontstaat doorgaans twee à drie dagen na de klachten en op de MRI-beelden was de aanwezigheid van myelomalacie niet te zien. Naar aanleiding van de MRI-beelden, de bevindingen van de veterinair radioloog [naam] en het beloop van de klachten heeft [dierenarts] de conclusie getrokken dat de kans op myelomalacie klein dan wel niet bestaand was. Om die reden is de kans op myelomalacie niet met [gedaagde] besproken voorafgaand aan de operatie.
Uit de uitspraak van het Veterinair tuchtcollege volgt dat de MRI-beelden van onvoldoende kwaliteit waren om te beoordelen en dat van [naam] ten minste mocht worden verwacht dat zij [dierenarts] over de gebrekkigheid zou inlichten op een zodanig duidelijke wijze dat voor haar helder is wat zij er voor de verdere behandeling van [hond] mee zou kunnen. Door op te schrijven dat de beoordeling wordt bemoeilijkt door de grote hoeveelheid ruis op de beelden, was niet helder genoeg overgebracht of de ruis er al dan niet aan in de weg heeft gestaan de beelden in voldoende mate te kunnen beoordelen, gelet op de diverse oorzaken die aan de klachten van [hond] ten grondslag zouden kunnen liggen. Verder was niet meteen duidelijk wat de opmerking over de ruis zou betekenen voor de verdere behandeling van [hond] . Dit betekent dat feitelijk niet alleen [gedaagde] van onjuiste informatie en daarmee van een onjuiste veronderstelling is uitgegaan, maar ook [dierenarts] . De kantonrechter acht verder, gezien de standpunten en de overwegingen van het Veterinair Tuchtcollege, voldoende aannemelijk dat door alle betrokkenen niet voor de operatie was gekozen als men had geweten dat de kans op myelomalacie er wel was geweest. Dit betekent dat sprake is van wederzijdse dwaling.
De kantonrechter ziet geen reden waarom de dwaling voor rekening van [gedaagde] zou moeten blijven. [naam] is immers door AniCura ingeschakeld voor de beoordeling van de MRI-beelden, zodat AniCura verantwoordelijk is voor de manier waarop [naam] de beelden heeft beoordeeld en hierover heeft gerapporteerd. Het beroep op dwaling slaagt daarom. Het feit dat de kosten van MRI niet zijn gefactureerd aan [gedaagde] , maakt dit oordeel niet anders. Dit betekent dat de vordering zal worden afgewezen.
De proceskosten
In conventie
AniCura is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten betalen. De proceskosten van [gedaagde] worden begroot op: € 50,00 aan verletkosten voor het bijwonen van de mondelinge behandeling.
In reconventie
[gedaagde] wordt niet-ontvankelijk in haar vordering tot schadevergoeding verklaard, omdat zij de vordering te laat heeft ingediend. Aan de zijde van AniCura zijn geen noemenswaardige kosten gemaakt om op de vordering te reageren. In de akte van 3 september 2025 gaat zij immers met name in op de vordering in conventie. De kantonrechter zal de proceskosten in reconventie daarom begroten op nihil.
6. De beslissing
De kantonrechter
In conventie
wijst de vorderingen van AniCura af,
veroordeelt AniCura in de proceskosten van € 50,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als AniCura
niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
In reconventie
verklaart [gedaagde] niet-ontvankelijk in haar vordering tot vergoeding van materiële en immateriële schadevergoeding;
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten aan de zijde van AniCura, tot op heden begroot op nihil,
in conventie en in reconventie
verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. Ebben en in het openbaar uitgesproken op3 december 2025.