RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Strafrecht
Zittingsplaats: Breda
parketnummer: 02-327782-24
vonnis van de meervoudige kamer van 11 december 2025
in de strafzaak tegen
[verdachte]
geboren op [geboortedag] 1993 te [geboorteplaats] ( [geboorteland] )
wonende te [adres]
raadsvrouw mr. M.C. Boucher, advocaat te Amsterdam
1. Onderzoek van de zaak
De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 28 november 2025, waarbij de officier van justitie, mr. J.F.M. Kerkhofs, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.
2. De tenlastelegging
De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.
De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte meermalen seks tegen betaling heeft gehad met de toen minderjarige [aangeefster].
3. De voorvragen
De dagvaarding is geldig.
De rechtbank is bevoegd.
De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.
Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.
4. De beoordeling van het bewijs
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte in de periode 24 september 2022 tot en met 1 oktober 2022 meermalen seks tegen betaling heeft gehad met de toen zeventienjarige [aangeefster] . Alle handelingen zoals ten laste gelegd kunnen worden bewezen.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging bepleit primair integrale vrijspraak van verdachte vanwege het ontbreken van wettig en overtuigend bewijs dat verdachte seks heeft gehad tegen betaling met [aangeefster] . Mocht de rechtbank toch komen tot een bewezenverklaring, dan wenst de verdediging [aangeefster] (alsnog) te horen. Indien de rechtbank dit voorwaardelijke verzoek afwijst, dan bepleit de verdediging dat een veroordeling van verdachte waarbij een verklaring van [aangeefster] wordt gebruikt voor de bewezenverklaring, in strijd is met artikel 6 EVRM.
Het oordeel van de rechtbank
Algemene inleiding
Op 4 augustus 2023 heeft de heer [persoon] een melding gemaakt bij de politie dat hij was opgelicht, omdat hij had betaald voor een seksafspraak maar de afspraak niet was doorgegaan. Door de politie is onderzoek gedaan naar de persoon waarmee de seksafspraak was gemaakt. Dit bleek de minderjarige [aangeefster] te zijn. Op 11 augustus 2023 heeft er met [aangeefster] een intake mensenhandel plaatsgevonden. In dit gesprek heeft [aangeefster] verklaard dat zij seksueel is uitgebuit. Hierna is het strafrechtelijk onderzoek ‘Kleinpolderplein’ opgestart. Onder meer de telefoon en bankrekeningen van [aangeefster] zijn onderzocht. Bij dit onderzoek zijn transacties en Tikkie betalingen waargenomen die mogelijk van klanten van [aangeefster] afkomstig zijn voordat zij de leeftijd van achttien jaar had bereikt. Verdachte is aangewezen als één van deze mogelijke klanten.
Wettelijk kader
In artikel 248b van het Wetboek van Strafrecht (oud) (hierna: Sr) is strafbaar gesteld de klant die seksueel contact heeft met een sekswerker die zestien of zeventien jaar oud was. De verdachte hoeft niet bekend te zijn met de leeftijd van het slachtoffer. De leeftijd is namelijk geobjectiveerd, waardoor opzet of schuld niet is vereist. In dit artikel staat de bescherming van de minderjarige centraal. De klant heeft een vergaande onderzoeksplicht om achter de (werkelijke) leeftijd van de sekswerker in kwestie te komen.
Zedenzaken kenmerken zich in het algemeen door het feit dat zij zich voordoen in een situatie waarbij slechts twee personen aanwezig zijn: een verondersteld slachtoffer en een veronderstelde dader. Als de veronderstelde dader ontkent moet de rechter beoordelen of aan het bewijsminimum is voldaan. De bewijsminimumregel van artikel 342, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) houdt in dat een feit niet kan worden bewezen op basis van de verklaring van één getuige; daarvoor is meer bewijs vereist. Dit geldt voor de hele tenlastelegging, maar niet elk onderdeel van de tenlastelegging hoeft door twee bewijsmiddelen bevestigd te worden. Bij zedenzaken geldt daarbij in het bijzonder dat het niet nodig is dat het ten laste gelegde misdrijf zelf wordt bevestigd in ander bewijs. Het is voldoende als de verklaring van aangever/aangeefster op onderdelen wordt ondersteund door ander objectief bewijs, afkomstig uit een andere bron. De vraag of aan dit bewijsminimum is voldaan, laat zich niet in algemene zin beantwoorden, maar vereist een beoordeling van de concrete omstandigheden.
Toepassing op onderhavige zaak
[aangeefster] heeft verklaard dat klanten soms via een Tikkie betaalden en dat zij degene was die de Tikkie meestal zelf aanmaakte. Als omschrijving bij de Tikkie zette zij zomaar iets neer, bijvoorbeeld ‘Boodschappen’, ‘afspraak’ of ‘eten’. Ze gebruikte Tikkie nooit privé, dus als zij Tikkie gebruikte, dan was dit altijd voor een klant in verband met een seksafspraak.
Verdachte heeft op 24 september 2022 en op 1 oktober 2022 in totaal twee Tikkies betaald vanaf zijn bankrekening naar de bankrekening van [aangeefster] . Bij de Tikkies stond als omschrijving ‘eten’ vermeld. De betaalde bedragen zijn € 250,- en € 100,-.
Verdachte heeft verklaard dat hij op de ten laste gelegde data gebruik heeft gemaakt van de diensten van sekswerkers en dat de door hem betaalde Tikkies ook zien op deze seksafspraken. Deze seksafspraken hebben bij hem thuis in [plaats] plaatsgevonden. Hij verklaart echter ook dat het niet [aangeefster] is geweest met wie hij de seksafspraken heeft gehad. Hij herkent haar namelijk niet op de aan hem getoonde foto’s en beschrijft een sekswerker met andere uiterlijke kenmerken.
Uit de woordelijke uitwerking van het verhoor van [aangeefster] op 29 februari 2024 – dat op verzoek van de verdediging is opgemaakt – volgt daarnaast dat [aangeefster] zich de naam van verdachte niet herinnert en dat de bedragen en de data waarop de betalingen zijn verricht haar ook niets zeggen. Verder wordt aan [aangeefster] een foto van verdachte getoond, maar [aangeefster] herkent verdachte daarop niet. De verklaring van [aangeefster] is voor het overige, ook ten aanzien van de seksuele handelingen die al dan niet hebben plaatsgevonden, onvoldoende concreet.
Het dossier bevat verder een onderzoek naar de telefoon van [aangeefster] . Uit de foto's in haar telefoon volgt dat zij in de nacht van 23 op 24 september 2022, dus ten tijde van de eerste betaling door verdachte, aanwezig was in [plaats], vermoedelijk in het [hotel] . Op enkele foto’s staat ook een andere jongedame.
De rechtbank is van oordeel dat de aanwezigheid van [aangeefster] in [plaats] en de door verdachte betaalde Tikkies, de hoogte daarvan en de daarbij vermelde omschrijvingen weliswaar een aanwijzing vormen voor een seksafspraak met [aangeefster] , maar dat op grond hiervan niet kan worden vastgesteld dat er daadwerkelijk een seksafspraak heeft plaatsgevonden tussen verdachte en [aangeefster] . Uit het dossier volgt namelijk dat het bij [aangeefster] ook is voorgekomen dat zij vooraf werd betaald, maar dat het uiteindelijk niet tot een seksafspraak heeft geleid. Ook kan de rechtbank op basis van het dossier en de behandeling ter zitting in deze zaak onvoldoende uitsluiten dat er iemand anders in haar plaats is gegaan.
Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat het aan wettig en overtuigend bewijs ontbreekt om tot een bewezenverklaring van de ten laste gelegde seksuele handelingen te kunnen komen. Zij zal daarom verdachte vrijspreken.
5. De benadeelde partij
De benadeelde partij [aangeefster] vordert een schadevergoeding van € 750,- aan immateriële schade.
Verdachte wordt vrijgesproken van het feit waaruit de schade zou zijn ontstaan. De rechtbank zal daarom de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in de vordering.
6. De beslissing
De rechtbank:
Vrijspraak
- spreekt verdachte vrij van het tenlastegelegde feit;
Benadeelde partij
- verklaart de benadeelde partij [aangeefster] niet-ontvankelijk in de vordering;
- veroordeelt de benadeelde partij in de kosten van verdachte, tot nu toe begroot op nihil.
Dit vonnis is gewezen door mr. T.M. Brouwer, voorzitter, mr. J. Bergen en mr. R. Combee, rechters, in tegenwoordigheid van mr. A.C.L.J. Luijten en mr. S.B.H. van Overveld, griffiers, en is uitgesproken ter openbare zitting op 11 december 2025.