uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], eiser
V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. P.L.M. Stieger),
en
de staatssecretaris Rechtsbescherming, voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
(gemachtigden: mr. A. Dijcks en mr. N. Hamzaoui).
Inleiding
In het besluit van 13 september 2024 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen de afwijzing van zijn verzoek om verkrijging van het Nederlanderschap (naturalisatie) ongegrond verklaard.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft het beroep op 18 juni 2025 op een zitting behandeld in Breda. Eiser en zijn gemachtigde zijn met voorafgaand bericht niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. N. Hamzaoui.
Beoordeling door de rechtbank
Feiten
1. Eiser stelt te zijn geboren op [datum] 1982 in Soedan.
2. Op 1 februari 2000 heeft eiser asiel aangevraagd in Nederland. In het besluit van 28 maart 2002 is deze aanvraag afgewezen. In dit besluit is overwogen dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij afkomstig is uit Soedan. Op 8 januari 2004 is het door eiser daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard door de rechtbank ’s-Gravenhage, zittinghoudend te Maastricht, (zaaknummer AWB 02/24936 OVERIO). Daarmee staat het besluit van 28 maart 2002 in rechte vast. Volgens een taalanalyse van 9 juni 2004 is eisers spraak eenduidig niet te herleiden tot Soedan, en volgens een taalanalyse van 23 juni 2004 is eisers spraak eenduidig wel te herleiden tot Nigeria. Deze taalanalyses zijn opgestart in het kader van een vertrekprocedure, en uitgevoerd door het Team Onderzoek en Expertise Land en Taal (TOELT) van de Immigratie- en naturalisatiedienst (IND).
3. Met ingang van 15 juni 2007 is eiser in het bezit gesteld van een verblijfsvergunning regulier op grond van de Regeling afwikkeling nalatenschap oude Vreemdelingenwet (de Ranov-regeling). Eiser staat in de Basisregistratie Personen (BRP) geregistreerd met een onbekende nationaliteit.
4. Op 30 maart 2016 heeft eiser een verzoek om naturalisatie gedaan. In het besluit van 14 februari 2017 is dit verzoek afgewezen omdat eiser zijn identiteit en nationaliteit niet heeft aangetoond, en omdat hij niet heeft aangetoond dat hij daarbij in bewijsnood verkeerde. Bewijsnood betekent dat iemand niet in staat is om bewijsstukken te overleggen. In het besluit van 3 mei 2017 is eisers bezwaar daartegen ongegrond verklaard. Op 21 maart 2018 is het door eiser daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard door de rechtbank Zeeland-West-Brabant (ECLI:NL:RBZWB:2018:1748). Op 16 januari 2019 is het daartegen door eiser ingestelde hoger beroep ongegrond verklaard door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling, ECLI:NL:RVS:2019:120). In deze uitspraak is geoordeeld dat eiser niet heeft aangetoond dat hij in bewijsnood verkeert om zijn gestelde Soedanese nationaliteit aannemelijk te maken, en dat in naturalisatiezaken artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) niet van toepassing is.
5. Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens heeft op 12 december 2019 een klacht van eiser niet-ontvankelijk verklaard vanwege het niet volledig uitputten van alle nationale rechtsmiddelen (zaaknummer 37662/19).
6. Deze zaak gaat over eisers tweede verzoek om naturalisatie van 1 februari 2021. In het besluit van 22 maart 2022 (het primaire besluit) heeft verweerder dit verzoek afgewezen omdat getwijfeld wordt aan de door eiser opgegeven identiteit en nationaliteit. Eiser heeft bij verweerder bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit. In het bestreden besluit heeft verweerder eisers bezwaar ongegrond verklaard en het volgende overwogen. Eiser heeft geen gelegaliseerde geboorteakte en geen geldig paspoort overgelegd, en daarbij niet aannemelijk gemaakt dat hij in bewijsnood verkeert. Hij stelt uit Soedan te komen, terwijl de twee taalanalyses uit 2004 iets anders laten zien. Vanwege deze twijfel kan eiser geen gebruik maken van de vrijstelling voor houders van een Ranov-vergunning van het vereiste om identiteitsdocumenten te overleggen. Aan het recht op gezinsleven zoals bedoeld in artikel 8 van het EVRM kan geen recht op naturalisatie worden ontleend. Er is geen aanleiding om vanwege bijzondere omstandigheden van het beleid af te wijken.
Beroepsgronden
7. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit. Hij voert aan dat verweerder ten onrechte doorslaggevende betekenis heeft toegekend aan de taalanalyses, omdat er voor hem destijds geen aanleiding was om die aan te vechten. Daarnaast is het voor hem niet mogelijk om een contra-expertise te verrichten omdat hij alleen maar Engels spreekt. Verder heeft hij al het mogelijke gedaan om aan documenten te komen die zijn identiteit en nationaliteit onderbouwen, en heeft hij gewezen op de tegenwerking die hij daarbij heeft ondervonden. Ook voert eiser aan dat er geen rekening is gehouden met de bijzondere omstandigheden in zijn zaak: hij is geïntegreerd in Nederland, heeft een duurzame relatie met een Nederlandse en heeft met haar een zoon.
8. In aanvulling hierop heeft eiser nog aangevoerd dat hij altijd te goeder trouw is geweest en dat hij altijd consistent heeft verklaard over zijn identiteit en nationaliteit. Hij benadrukt nogmaals dat de taalanalyses uit 2004 volgens hem niet aan het bestreden besluit ten grondslag mogen worden gelegd, om diverse redenen. Hierop zal hierna verder worden ingegaan. Daarnaast vindt eiser dat het bestreden besluit in strijd is met artikel 8 van het EVRM omdat het ingrijpt op zijn privé- en gezinsleven. Ook vindt eiser dat er sprake is van strijd met artikel 6 van het EVRM omdat naturalisatie familierechtelijke en vermogensrechtelijke gevolgen heeft. Ten slotte meldt eiser dat hij het onnodig grievend vindt dat er in het kader van de Wet BRP een terugmelding over zijn persoonsgegevens is gedaan aan de gemeente, en dat er in het bestreden besluit wordt gerefereerd aan islamitische namenreeksen, aangezien hij getekend is door de religieuze oorlog in Soedan en overtuigd christen is.
Beoordelingskader
9. Op grond van artikel 7, eerste lid, van de Rijkswet op het Nederlanderschap (RWN) verleent verweerder met inachtneming van hoofdstuk 4 van de RWN het Nederlanderschap aan vreemdelingen die daarom verzoeken. Op grond van artikel 23, eerste lid, van de RWN kunnen bij of krachtens algemene maatregel van rijksbestuur nadere regels worden gesteld over de uitvoering van de RWN. Van deze mogelijkheid is gebruik gemaakt in het Besluit verkrijging en verlies Nederlanderschap (BvvN).
10. Op grond van artikel 31, eerste lid, van het BvvN verstrekt de verzoeker bij de indiening van het naturalisatieverzoek gegevens over zijn identiteit en nationaliteit. Op grond van het vijfde lid kan verweerder verlangen dat de verzoeker de juistheid van de verstrekte gegevens bewijst door middel van zo nodig gelegaliseerde en eventueel inhoudelijk geverifieerde documenten.
11. Volgens onderdeel 7-alg, paragraaf 3.5.6, van de Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 (Handleiding) is met ingang van 1 november 2021 de verzoeker die in 2007 een Ranov-verblijfsvergunning heeft gekregen hiervan vrijgesteld als hij sindsdien hoofdverblijf in Nederland heeft gehad. Volgens paragraaf 3.5.1 kan gerede twijfel aan de gestelde identiteit of nationaliteit ook bij verzoekers die zijn vrijgesteld van het documentvereiste echter een reden vormen voor afwijzing, en kan gerede twijfel bestaan op grond van een taalanalyse.
12. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling, bijvoorbeeld de uitspraak van 12 februari 2025 (ECLI:NL:RVS:2025:509), blijkt dat naturalisatie wegens de daaraan verbonden gevolgen een zaak van groot gewicht is en dat verweerder daarom bevoegd is om op de daartoe geëigende wijze bewijs van de gestelde identiteit en nationaliteit van de verzoeker te verlangen.
Beoordeling door de rechtbank
13. Gelet op het beoordelingskader mocht verweerder overwegen dat sprake is van gerede twijfel aan eisers identiteit en nationaliteit. Eiser heeft immers geen identiteitsdocumenten overgelegd, en uit twee taalanalyses blijkt dat zijn spraak niet te herleiden is tot het land waarvan hij stelt de nationaliteit te hebben. Verweerder heeft eiser dan ook terecht niet onder de vrijstelling van het documentvereiste geschaard.
14. Eiser kan niet worden gevolgd in de stelling dat in zijn geval de taalanalyses niet aan het bestreden besluit ten grondslag mochten worden gelegd. Dat er destijds in 2004 voor hem geen aanleiding was om deze taalanalyses aan te vechten, en dat deze taalanalyses daardoor toen niet door een rechter zijn beoordeeld, doet als zodanig niets af aan de waarde ervan. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling is een taalanalyse van TOELT een deskundigenadvies waarvan verweerder in beginsel mag uitgaan, mits hij zich ervan vergewist of het advies zorgvuldig tot stand is gekomen (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 9 april 2025, ECLI:NL:RVS:2025:1570). Een bestuursorgaan mag niet zomaar van een deskundigenadvies uitgaan als een partij concrete aanknopingspunten voor twijfel naar voren brengt, maar eiser is daar gelet op het volgende niet in geslaagd.
15. Eiser heeft een dossieranalyse van de Taalstudio van 11 oktober 2005 overgelegd, maar deze is weerlegd door het Weerwoord van TOELT van 26 augustus 2022. Eiser heeft verder geen contra-expertise overgelegd. Anders dan eiser aanvoert, is niet gebleken dat dit voor hem onmogelijk is doordat hij alleen Engels en niet tevens een Afrikaanse stamtaal spreekt of omdat er geen contra-experts beschikbaar zijn. Eiser heeft contact opgenomen met de Taalstudio en Sprakab voor het laten verrichten van een contra-expertise. Hoewel zij hebben meegedeeld daartoe niet in staat te zijn, noemt de Taalstudio drie opties waarvan eiser mogelijk wel gebruik zou kunnen maken (te weten [naam 1], [naam 2] en Verified). Niet gesteld of gebleken is dat eiser hen heeft benaderd.
16. Hiernaast is de stelling van eiser dat het gaat om taalanalyses van vóór de uitspraak van de Afdeling van 19 mei 2009 (ECLI:NL:RVS:2009:BI5889) als zodanig onvoldoende aanleiding voor twijfel aan de zorgvuldigheid daarvan. De in die uitspraak genoemde aanknopingspunten voor twijfel zijn in het geval van eiser namelijk niet aanwezig. In de taalanalyses uit 2004 ten aanzien van eiser wordt immers wel toegelicht waarom eiser geen concrete en gedetailleerde informatie kan verschaffen over zijn beweerdelijke leefomgeving, en wordt wel toegelicht aan de hand van voorbeelden waarom eisers uitspraak en grammatica eenduidig niet te herleiden zijn tot de spraakgemeenschap binnen Soedan maar wel binnen die van Nigeria.
17. Verder kan eiser ook niet worden gevolgd in zijn stelling dat hij in bewijsnood verkeert. In de uitspraak van de Afdeling over eiser van 16 januari 2019 is al geoordeeld dat hij dit niet aannemelijk heeft gemaakt. Deze uitspraak staat in rechte vast. De rechtbank ziet nu geen aanleiding om anders te oordelen. Zoals in deze uitspraak van de Afdeling uiteen is gezet, is alleen het zonder resultaat aanschrijven van de autoriteiten van een land ontoereikend voor het aannemen van bewijsnood. Tot op heden heeft eiser geen verklaring van de Nigeriaanse of de Soedanese autoriteiten overgelegd waaruit blijkt dat hij niet in het bezit kan worden gesteld van een identiteitsdocument.
18. In diezelfde uitspraak van de Afdeling is geoordeeld dat in naturalisatiezaken geen beroep kan worden gedaan op artikel 6 van het EVRM. Eiser kan dan ook niet worden gevolgd in zijn stelling dat het bestreden besluit met dit artikel in strijd is. Het bestreden besluit is ook niet in strijd met artikel 8 van het EVRM omdat het eiser niet verhindert in het uitoefenen van zijn bestaande gezins- en privéleven in Nederland.
19. De bepalingen in de Handleiding zijn beleidsregels in de zin van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Artikel 4:84 van de Awb bepaalt dat bestuursorganen volgens het eigen beleid moeten handelen, tenzij dit voor een belanghebbende vanwege bijzondere omstandigheden onevenredige gevolgen zou hebben. In het bestreden besluit is hierover slechts overwogen dat er in het geval van eiser niet van het beleid kan worden afgeweken omdat er gerede twijfel bestaat over zijn identiteit en nationaliteit. Daarmee heeft verweerder niet beoordeeld of er in het geval van eiser sprake is van bijzondere omstandigheden die tot onevenredige gevolgen leiden. Dit kan echter nergens toe leiden, omdat het de rechtbank in beroep niet is gebleken dat dergelijke omstandigheden zich voordoen. Eiser stelt in dit kader in de gronden van beroep dat hij in Nederland is geïntegreerd, dat hij een duurzame relatie heeft met een Nederlandse en dat hij met haar een kind heeft. Zoals hiervoor al is overwogen, wordt eiser met het bestreden besluit echter niet belemmerd in het uitoefenen van zijn bestaande gezins- en privéleven in Nederland.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan op 30 juli 2025 door mr. B.F.Th. de Roos, rechter, in aanwezigheid van mr. A.S. Hamans, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.