RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaaknummer: C/02/440600 / JE RK 25-1805
Datum uitspraak: 4 december 2025
Beschikking van de kinderrechter over de schriftelijke aanwijzing
in de zaak van
[de moeder] ,
hierna te noemen de moeder,
wonende in [plaats 1] ,
advocaat mr. T. van Riel uit Breda,
over
[minderjarige] , geboren op [geboortedag] 2011 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
de gecertificeerde instelling
Jeugdbescherming Brabant, locatie Etten-Leur,
gevestigd te Etten-Leur,
hierna te noemen de GI,
[de vader] ,
hierna te noemen de vader,
wonende in [plaats 2] .
De kinderrechter merkt als informant aan:
[de oma] ,
hierna te noemen de oma (vz),
wonende in [plaats 2] .
1. Het verloop van de procedure
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 3 oktober 2025.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 18 november 2025. Daarbij waren aanwezig:
de moeder, die via Teams heeft deelgenomen, met haar advocaat;
de vader;
de oma (vz);
- een vertegenwoordiger van de Raad;
- een vertegenwoordiger van de GI.
2. De feiten
De ouders zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
[minderjarige] woont bij haar moeder.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 7 oktober 2025 de ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengd tot 21 april 2026.
De GI heeft op 30 september 2025 een schriftelijke aanwijzing gegeven betreffende de verzorging en opvoeding van [minderjarige] . Hierin is het volgende opgenomen:
Op zondagen in de even weken gaat [minderjarige] naar haar oma (vz).
Oma haalt [minderjarige] om 10.00 uur in de ochtend op bij de woning van moeder en brengt [minderjarige] om 19.00 uur in de avond weer thuis.
Als een even zondag in het amo-weekend valt, zal oma [minderjarige] om ongeveer 12.00 uur ophalen, afhankelijk hoe laat [minderjarige] van de amo thuis is.
3. Het verzoek
De moeder verzoekt de schriftelijke aanwijzing van de GI geheel, dan wel gedeeltelijk, vervallen te verklaren.
4. De standpunten
Door en namens de moeder wordt aangevoerd dat zij contact tussen [minderjarige] en oma belangrijk vindt. Tegen de frequentie zoals opgenomen in de schriftelijke aanwijzing maakt de moeder geen bezwaar. Het bezwaar van de moeder is erin gelegen dat zij niet is gekend in het opstellen van voorwaarden voor het contact tussen oma en [minderjarige] . Hierdoor is er nu een regeling gecreëerd die niet wenselijk is voor [minderjarige] . De moeder had het fijn gevonden als de voorwaarden ook met haar waren besproken en zij hierover [minderjarige] had kunnen inlichten.
De eerste contactmomenten tussen [minderjarige] en oma zijn niet goed verlopen. Tijdens de omgang wordt [minderjarige] belast met volwassen praat en wordt ook belastend over de moeder gesproken. Ook vindt de moeder het vervelend dat de communicatie met oma via [minderjarige] verloopt. Het afgelopen weekend kreeg de moeder een berichtje van [minderjarige] dat ze naar huis wilde, maar dat oma haar niet meer naar huis kon brengen omdat zij niet graag in het donker rijdt. De moeder zou hierover graag rechtstreeks contact hebben met de oma. De moeder begrijpt dat het er bij de oma anders aan toegaat dan bij haar thuis, maar het zou wel fijn zijn als daarover toch afspraken kunnen worden gemaakt. [minderjarige] is best zwaar en de moeder is ermee bezig om het gewicht van [minderjarige] te verminderen. Echter bij oma krijgt [minderjarige] snoep en is zelfs een keer met een snoepzak thuis gekomen na het contact met oma. De moeder stelt dat zij nu geconfronteerd wordt met allerlei problemen rondom het contact tussen [minderjarige] en oma, die voorkomen hadden kunnen worden als de moeder was betrokken bij het maken van afspraken over het contact.
De GI erkent dat de moeder is geïnformeerd over het contact tussen [minderjarige] en de oma, maar dat niet om haar mening is gevraagd. De GI heeft de moeder niet om haar mening gevraagd omdat zij het toch nooit eens is. [minderjarige] wil graag contact met de oma. Zij zit klem tussen de moeder en de familie van de vader. De moeder wil de regie hebben, maar dat kan niet omdat de moeder niet altijd in het belang van [minderjarige] handelt. De GI heeft er voor gekozen om de afspraken rondom het contact tussen [minderjarige] en de oma vast te leggen in een schriftelijke aanwijzing, zodat voor iedereen duidelijk is waar zij zich aan moeten houden. De oma en [minderjarige] zijn op elkaar ingespeeld en het contact verloopt goed.
De vader geeft aan dat hij wil dat er contact is tussen [minderjarige] en de oma. Hij wil niks meer met de moeder te maken hebben. De vader erkent dat [minderjarige] wel eens een snoepje krijgt bij oma, maar het gewicht van [minderjarige] is ontstaan in de thuissituatie van de moeder.
De oma geeft aan dat het contact tussen haar en [minderjarige] goed verloopt. [minderjarige] is altijd veel bij de oma geweest en komt in de thuissituatie van de oma tot rust. De oma haalt en brengt [minderjarige] altijd voor de omgang, maar zij vindt het niet fijn om in het donker te rijden, gelet waarop ze heeft voorgesteld dat [minderjarige] zou worden opgehaald afgelopen weekend.
Standpunt [minderjarige]
Tijdens de zitting heeft de kinderrechter geconstateerd dat [minderjarige] niet in de gelegenheid is gesteld om haar mening te geven. Zowel de GI als de vader vinden het wenselijk dat [minderjarige] alsnog in de gelegenheid wordt gesteld om haar standpunt te geven. De moeder vindt dit niet nodig, maar refereert zich aan het oordeel van de kinderrechter op dit punt.
De kinderrechter overweegt dat het een fundamenteel recht is van een kind om zijn mening te mogen geven. Gelet hierop zal de kinderrechter [minderjarige] alsnog in de gelegenheid stellen om haar mening te geven in een kindgesprek of in een brief of e-mail. Ook kan [minderjarige] aangeven dat zij haar mening niet wil geven.
[minderjarige] heeft op 20 november 2025 een e-mail gestuurd naar de kinderrechter en haar standpunt gedeeld. Deze informatie is alleen voor de kinderrechter bedoeld en mag niet worden gedeeld met de overige betrokkenen.
5. De beoordeling
Ingevolge artikel 1:263 lid 1 BW kan de GI ter uitvoering van haar taak een schriftelijke aanwijzing geven betreffende de verzorging en opvoeding van de minderjarige. De GI kan dit doen indien de met het gezag belaste ouder niet instemt, niet of onvoldoende medewerking verleent aan de uitvoering van het plan of als dit noodzakelijk is teneinde de concrete bedreigingen in de ontwikkeling van de minderjarige weg te nemen. Het tweede lid bepaalt dat de met het gezag belaste ouder een schriftelijke aanwijzing opvolgt. Een schriftelijke aanwijzing kan worden beschouwd als een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna te noemen: Awb). In dat kader dient de kinderrechter te beoordelen of de GI binnen de grenzen van redelijkheid is gebleven en of de schriftelijke aanwijzing in het belang van de minderjarige is.
Ingevolge artikel 1:264 lid 1 BW kan de met het gezag belaste ouder de kinderrechter verzoeken een schriftelijke aanwijzing geheel of gedeeltelijk vervallen te verklaren. Het derde lid bepaalt dat een dergelijk verzoek binnen twee weken, met ingang van de dag na die waarop de beslissing is verzonden of uitgereikt, moet worden ingediend.
Ontvankelijkheid van het verzoek
De kinderrechter dient allereerst te beoordelen of de moeder ontvankelijk is in haar verzoek. Vast is komen te staan dat aan de moeder, als gezaghebbende ouder, een schriftelijke aanwijzing is gegeven op 30 september 2025, welke kan worden gekwalificeerd als een besluit in de zin van de Awb. In dat bericht wordt een beslissing meegedeeld die een rechtsgevolg voor de moeder teweegbrengt, namelijk dat [minderjarige] de komende maanden éénmaal in de twee weken op zondag naar de oma gaat. Nu de GI op 30 september 2025 een schriftelijke aanwijzing heeft gegeven en het verzoek tot vervallenverklaring van de schriftelijke aanwijzing op 3 oktober 2025 door de rechtbank is ontvangen, voldoet het verzoek aan de termijn. De kinderrechter zal de moeder daarom ontvangen in haar verzoek.
Vervallenverklaring schriftelijke aanwijzing
In de eerste plaats moet de kinderrechter beoordelen of de GI in redelijkheid tot de schriftelijke aanwijzing heeft kunnen komen. Bij de beoordeling van de noodzaak een schriftelijke aanwijzing te geven komt de GI een zekere beleidsvrijheid toe. Dit betekent dat de kinderrechter, gegeven de taak van de GI, beziet of er in de gegeven omstandigheden voldoende grond is voor het geven van een schriftelijke aanwijzing. In dit kader zijn de beginselen van behoorlijk bestuur van belang.
De vraag die allereerst moet worden beantwoord, is of de schriftelijke aanwijzing zorgvuldig tot stand is gekomen. De kinderrechter constateert dat de gecertificeerde instelling een vooraankondiging van de schriftelijke aanwijzing heeft gegeven aan de moeder. Uit de schriftelijke aanwijzing blijkt dat de gecertificeerde instelling de zienswijze en de reactie van de moeder heeft meegenomen, maar dat deze niet heeft geleid tot aanpassing van de voorgenomen schriftelijke aanwijzing, omdat de regeling die moeder voorstelt op meerdere vlakken overeen komt met de regeling die de GI heeft opgenomen in de schriftelijke aanwijzing. Ter zitting heeft de GI aangegeven dat zij de moeder wel hebben geïnformeerd over de schriftelijke aanwijzing, maar dat de moeder niet om haar mening is gevraagd, omdat de moeder het toch niet eens is met de schriftelijke aanwijzing. Nu de moeder is geïnformeerd over de (voorgenomen) schriftelijke aanwijzing, haar een vooraankondiging is toegestuurd en zij hierop heeft mogen reageren, is de rechtbank van oordeel dat het besluit voldoende zorgvuldig tot stand is gekomen. Dat de moeder het niet eens is met de zienswijze van de GI maakt immers niet dat sprake is van een onzorgvuldig genomen besluit.
Gelet op de inhoud van de overgelegde stukken en het verhandelde ter zitting is de rechtbank voorts van oordeel dat de schriftelijke aanwijzing van de GI aan de moeder van 30 september 2025 voldoende is gemotiveerd. De GI heeft naar het oordeel van de kinderrechter in de schriftelijke aanwijzing deugdelijk gemotiveerd dat een structureel contact tussen [minderjarige] en de oma in het belang van [minderjarige] is. Door de moeder wordt ook geen bezwaar gemaakt tegen contact tussen [minderjarige] en de oma, ook niet tegen de frequentie. Haar bezwaar ziet op de voorwaarden die aan het contact zijn verbonden en dat zij hierin niet is gekend. Zoals hiervoor reeds is overwogen maakt een verschil in zienswijze niet dat er sprake is van een onzorgvuldig genomen besluit, maar ook niet dat het besluit onvoldoende is gemotiveerd.
De rechtbank concludeert dan ook dat de schriftelijke aanwijzing voldoende deugdelijk is voorbereid en gemotiveerd. Het verzoek om vervallen verklaring wordt afgewezen.
Voorts overweegt de kinderrechter nog dat, hoewel de schriftelijke aanwijzing van kracht blijft, het in het belang van [minderjarige] is dat de voorwaarden zoals opgenomen in de schriftelijke aanwijzing ook worden nageleefd. Indien blijkt dat de voorwaarden niet haalbaar zijn dan wel tot problemen leiden, dient hierover het gesprek aangegaan te worden met de oma en de moeder. Enkel het gegeven dat de moeder het toch nergens mee eens is volgens de GI, maakt niet dat de moeder als gezagdragende ouder niet betrokken moet worden bij belangrijke beslissingen ten aanzien van [minderjarige] .
Gelet op het voorgaande zal als volgt worden beslist.
6. De beslissing
De kinderrechter:
wijst het verzoek om vervallen verklaring van de schriftelijke aanwijzing van 30 september 2025 af.
Deze beschikking is gegeven door mr. Sumner, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 4 december 2025, in aanwezigheid van Van Diepen als griffier.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking staat geen hoger beroep open.