ECLI:NL:RBZWB:2025:8790

ECLI:NL:RBZWB:2025:8790, Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 18-11-2025, C/02/441637 JE RK 25-1975

Instantie Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak 18-11-2025
Datum publicatie 23-12-2025
Zaaknummer C/02/441637 JE RK 25-1975
Rechtsgebied Civiel recht; Personen- en familierecht
Procedure Rekestprocedure
Zittingsplaats Breda

Samenvatting

Verzoek van de GI om de zorgregeling tussen de vader en zijn kinderen stop te zetten en de regie van het herstarten van de omgang bij de GI te beleggen. Op grond van het verdrag van Istanboel dient de veiligheid van de kinderen de eerste overweging te zijn. Verzoek is toegewezen.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht

Locatie Breda

Zaaknummer: C/02/441637 / JE RK 25-1975

Datum uitspraak: 18 november 2025

Nadere beschikking van de kinderrechter over een wijziging van de verdeling van zorg- en opvoedingstaken

in de zaak van

de gecertificeerde instelling

STICHTING JEUGDBESCHERMING BRABANT,

gevestigd te Etten-Leur,

hierna te noemen de GI,

over

[minderjarige 1] , geboren op [geboortedag 1] 2018 in [geboorteplaats 1] ,

hierna te noemen [minderjarige 1] ,

[minderjarige 2] , geboren op [geboortedag 2] 2019 in [geboorteplaats 1] ,

hierna te noemen [minderjarige 2] ,

[minderjarige 3] , geboren op [geboortedag 3] 2023 in [geboorteplaats 2] ,

hierna te noemen [minderjarige 3] ,

[minderjarige 4] , geboren op [geboortedag 3] 2023 in [geboorteplaats 2] ,

hierna te noemen [minderjarige 4] ,

De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:

[de moeder] ,

hierna te noemen de moeder,

wonende in [plaats] ,

advocaat mr. P.J.M. Groenhuis-Kools uit Breda,

[de vader] ,

hierna te noemen de vader,

wonende in [plaats] ,

advocaat mr. N. van Vliet uit Breda.

Op grond van artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering heeft de Raad voor de Kinderbescherming, regio Zuidwest Nederland, locatie Breda, hierna: de Raad, de rechtbank over het verzoek geadviseerd.

1. Het verloop van de procedure

De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:

- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 6 november 2025;

- het bericht van mr. N. van Vliet met bijlagen van 12 november 2025.

De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 18 november 0202. Daarbij waren aanwezig:

mr. Groenhuis-Kools, advocaat van de moeder;

de vader met zijn advocaat;

- een vertegenwoordiger van de Raad;

- twee vertegenwoordigers van de GI.

De moeder is niet verschenen.

2. De feiten

De ouders zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] , [minderjarige 2] , [minderjarige 3] en [minderjarige 4] .

[minderjarige 1] , [minderjarige 2] , [minderjarige 3] en [minderjarige 4] wonen bij hun moeder.

Bij beschikking van 15 maart 2024 heeft de kinderrechter de kinderen onder

toezicht gesteld van de GI. Laatstelijk, bij beschikking van 14 maart 2025 heeft de

kinderrechter de ondertoezichtstelling van de kinderen verlengd tot 15 maart 2026.

Bij beschikking van 17 april 2024 heeft de kinderrechter - in zoverre onder

wijziging van het co-ouderschapsplan van april 2021 - bepaald dat de vader en de

minderjarigen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in het kader van de verdeling van de zorg en opvoedingstaken

wekelijks recht hebben op (begeleide) omgang met elkaar gedurende minimaal drie uur,

waarbij de GI in het kader van de ondertoezichtstelling deze basisregeling verder vorm zal

geven en uitbreiden. Daarnaast heeft de kinderrechter bepaald dat de vader en de

minderjarigen [minderjarige 3] en [minderjarige 4] in het kader van de verdeling van de zorg- en

opvoedingstaken wekelijks recht hebben op (begeleide) omgang met elkaar gedurende

minimaal 30 minuten, waarbij de GI in het kader van de ondertoezichtstelling deze

basisregeling verder vorm zal geven en uitbreiden.

Bij (spoed)beschikking van 6 november 2025 heeft de kinderrechter de beschikking van 17 april 2024 gewijzigd en bepaalt dat de vader en [minderjarige 1] , [minderjarige 2] , [minderjarige 3] en [minderjarige 4] voorlopig, voor de duur van twee weken, geen contact hebben met elkaar zolang de GI dat in het belang van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] , [minderjarige 3] en [minderjarige 4] acht en hun veiligheid niet gewaarborgd kan worden; de regie voor het herstarten van (begeleide) omgang ligt bij de GI.

3. Het verzoek

Thans is nog aan de orde het verzoek van de GI om, uitvoerbaar bij voorraad, de verdeling van de zorg-en opvoedtaken stop te zetten in het kader van de veiligheid en de regie van het herstarten van de (begeleide) omgang bij de GI te beleggen.

4. De standpunten

Namens de GI wordt aangevoerd dat de GI eerder al het voornemen had om over te gaan tot begeleide omgang tussen de vader en de kinderen, vanwege blauwe plekken die bij één van de kinderen waren aangetroffen. Vervolgens ontving de GI twee meldingen dat de vader van plan was om de moeder en de kinderen van het leven te beroven. Hij zou ook op zoek zijn naar een wapen. Deze meldingen zijn aanleiding geweest voor het spoedverzoek. Op 6 november heeft de GI een actieoverleg gehad met Veilig Thuis (VT), politie, OM en het Zorg- en Veiligheidshuis. De zorgen worden door alle instanties en organisaties als ernstig en reëel geclassificeerd. De moeder en de kinderen zijn op een veilige plek geplaatst. Om de veiligheid van de kinderen te kunnen waarborgen, vindt de GI het noodzakelijk dat de zorgregeling tussen de vader en de kinderen wordt stopgezet en de regie van het herstarten van de (begeleide) omgang bij de GI wordt belegd. Naar aanleiding van de meldingen wordt een dreigingsanalyse gemaakt. Het resultaat van de dreigingsanalyse zal worden besproken in een veiligheidsoverleg met politie, OM en VT. De GI geeft op voorhand aan terughoudend te zullen zijn in het weer opstarten van het contact tussen de man en de kinderen.

Door de advocaat van de moeder wordt aangevoerd dat de moeder en de kinderen voor de tweede keer in twee jaar tijd op een veilige plek zijn ondergebracht. Dat is intens verdrietig voor de moeder en de kinderen. In het kader van de ondertoezichtstelling is, ondanks alle zorgen, gekeken op welke wijze er contact kan zijn tussen de vader en de kinderen. Er is gestart met begeleide omgang en met grote stappen toegewerkt naar onbegeleide omgang. De moeder voelde zich niet gehoord in haar zorgen over de veiligheid. Ondanks de zorgen van de moeder kwamen er wel positieve verslagen van de omgangsbegeleiding en Fivoor. Toen de moeder door de GI geconfronteerd werd met de uitspraken die de vader had gedaan, was dat voor haar een bevestiging dat ze niet gek is, maar dat haar zorgen terecht zijn.

Bij beslissingen die worden genomen in gezags- en omgangszaken wordt rekening gehouden met huiselijk geweld dat heeft plaatsgevonden. De advocaat van de moeder schat de dreiging reëel in en deze kan niet genegeerd worden. De moeder vindt het logisch dat een stap terug wordt gezet. Het contact tussen de vader en de kinderen moet stop gezet worden en de regie over het contact dient bij de GI te worden belegd. Eerst moet worden bekeken hoe de contacten tussen de vader en de kinderen veilig kunnen plaatsvinden.

De moeder zal, waarschijnlijk nog dit jaar, een verzoek indienen tot eenhoofdig gezag. De vader heeft recht op contact en omgang met de kinderen, maar er moet ook rekening worden gehouden met het recht van de moeder en de kinderen op een veilig bestaan. De moeder en de kinderen moeten ook beschermd worden en gelet hierop is er op dit moment geen contact tussen de vader en de kinderen mogelijk.

Door en namens de vader wordt aangevoerd dat de ouders een geschiedenis hebben. Zij hebben vanaf het eerste begin een andere visie over wat zich heeft voorgedaan in de relatie. De vader heeft het gevoel dat het verhaal van de moeder wordt geloofd, omdat de vader eerder veroordeeld is voor huiselijk geweld. De vader heeft ontzettend veel spijt dat hij destijds huiselijk geweld heeft toegepast. Hij heeft toen ook een agressieregulatietraining gevolgd. Sindsdien is hij nooit meer veroordeeld voor huiselijk geweld. De vader erkent dat de ouders niet de beste relatie hadden, maar er heeft volgens de vader geen huiselijk geweld plaatsgevonden. In het verzoek staat dat de vader een forse geschiedenis heeft van huiselijk geweld, en dat is ook in de beschikking overgenomen. In de beschikking van 15 maart 2024 heeft de kinderrechter overwogen dat: de concrete bedreiging in de ontwikkeling van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] , [minderjarige 3] en [minderjarige 4] gelegen is in de ex-partnerstrijd, waardoor de ouders niet meer in staat zijn om met elkaar samen te werken. Geconstateerd wordt voorts dat de ouders over het huiselijk geweld er een gehele andere visie op nahouden. De man heeft het idee dat hij zich moet blijven verdedigen vanwege zijn verleden.

De meldingen over vader die de GI heeft ontvangen, heeft de GI niet overgelegd. Hierdoor weet de vader ook niet waartegen hij zich moet verdedigen. Hij weet ook niet waar de meldingen vandaan komen. Volgens de vader heeft hij zwarte humor en beantwoord vragen weleens met veel sarcasme. Mogelijk heeft iemand een half gesprek opgevangen zonder context en naar aanleiding hiervan melding gedaan. De vader benadrukt dat hij de moeder en de kinderen niks aan wil doen. Het afgelopen jaar is er behoorlijk veel hulpverlening ingezet en hier heeft de vader zich ook voor open gesteld. Base en Fivoor zijn beide positief over de vader en er wordt geen onveilig gedrag gezien.

De vader verzoekt het verzoek van de GI af te wijzen. De vader is bereid zijn behandeling bij Fivoor voort te zetten. Ook zou de vader graag zien dat de overdrachtsmomenten begeleid worden, want die momenten leveren spanningen op.

De Raad stelt dat naar de meldingen kijkend het contact tussen de man en de kinderen nu niet kan worden hervat. Het contactherstel dient onder regie van de GI plaats te vinden en het contact kan niet eerder hervat worden dan dat de omstandigheden hier weer goed voor zijn. Dit maakt dat geen termijn kan worden verbonden aan de stopzetting van het contact.

5. De beoordeling

Spoedbeslissing

Bij voormelde (spoed)beschikking van 6 november 2025 heeft de kinderrechter de beschikking van 17 april 2024 gewijzigd en bepaalt dat de vader en [minderjarige 1] , [minderjarige 2] ,

[minderjarige 3] en [minderjarige 4] voorlopig, voor de duur van twee weken, geen contact hebben met elkaar

zolang de GI dat in het belang van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] , [minderjarige 3] en [minderjarige 4] acht en hun veiligheid niet gewaarborgd kan worden; de regie voor het herstarten van (begeleide) omgang ligt bij

de GI. Deze beslissing is genomen zonder daaraan voorafgaand verhoor van de belanghebbenden.

Tijdens de zitting zijn de vader en zijn advocaat, de advocaat van de moeder, de GI en de Raad in de gelegenheid gesteld om hun zienswijzen op het verzoek kenbaar te maken. De kinderrechter dient te beoordelen of er tijdens die zitting nieuwe feiten dan wel omstandigheden naar voren zijn gekomen die maken dat de spoedbeslissing van 6 november 2025 zou moeten worden herroepen. Ondanks de door advocaat van de man overgelegde stukken acht de kinderrechter de spoedbeslissing terecht genomen. Ook wanneer deze stukken al bij de kinderrechter bekend waren geweest ten tijde van het geven van de spoedbeschikking, had deze informatie niet tot een andere beslissing geleid. De spoedbeslissing blijft dan ook in stand.

Wettelijk kader

Op grond van artikel 1:265g lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) kan de

kinderrechter gedurende de ondertoezichtstelling op verzoek van de GI een verdeling van de

zorg- en opvoedtaken wijzigen of vaststellen indien dat in het belang van de minderjarigen

noodzakelijk is.

Op grond van artikel 3, lid 1 van het Internationale Verdrag inzake de rechten van het Kind (IVRK) dienen bij maatregelen met betrekking tot kinderen de belangen van het kind als uitgangspunt voor de daartoe te nemen beslissing. In deze zaak is sprake van concurrerende belangen. In artikel 9 IVRK is opgenomen dat Staten die partijen zijn bij het IVRK, dienen te waarborgen dat een kind in principe niet wordt gescheiden van zijn of haar ouders tegen hun wil. Dat recht komt ook tot uitdrukking in de jurisprudentie van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens op grond van artikel 8 EVRM. Daar staat tegenover dat op grond van artikel 31 van het Verdrag van de Raad van Europa inzake het voorkomen en bestrijden van geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld (hierna: het Verdrag van Istanboel) bij het nemen van beslissingen over gezag en omgang en over de uitvoering daarvan de rechten en de veiligheid van het slachtoffer van huiselijk geweld gewaarborgd dient te zijn.

De kinderrechter stelt voorop dat de veiligheid van de kinderen in deze zaak de eerste overweging dient te zijn. De meldingen die zijn gedaan zijn door professionele instantie als ernstig en reëel geclassificeerd. Dit betekent dat er een positieve verplichting op de staat komt te rusten om het risico van terugkerend geweld in de context van huiselijk geweld te voorkomen. Deze verplichting omvat de verplichting om ‘onmiddellijk’ te reageren op klachten over huiselijk geweld en deze met bijzondere zorgvuldigheid te verwerken; een autonome, proactieve en omvattende risicobeoordeling uit te voeren van de behandeling die in strijd is met artikel 3 Verdrag van Istanboel, en zodra een risico voor een slachtoffer van huiselijk geweld is vastgesteld, zo snel mogelijk preventieve en beschermende operationele maatregelen te nemen die adequaat en evenredig zijn aan het risico” (Zie EHRM 4 juli 2019, Kurt t. Oostenrijk, Zaaknummer 62903/15). Hoewel partijen van mening verschillen over de ernst van de zorgen, is de kinderrechter wel ervan overtuigt dat er sprake is van risico’s die serieus dienen te worden genomen en onderzocht moeten worden.

Het Verdrag van Istanbul vereist vervolgens dat incidenten van huiselijk geweld in aanmerking worden genomen bij het bepalen van de gezag- en omgangsrechten van kinderen, om ervoor te zorgen dat alle regelingen in het belang van het kind zijn en, in het bijzonder, dat de veiligheid van de ouder en van het kind wordt beschermd” (EHRM 10 november 2022, I.M. t. Italië, Zaaknummer 25426/20). In het kader van deze beoordeling dienen eventuele risico’s op geweld of andere vormen van mishandeling daarom een ​​integraal onderdeel van dergelijke procedures vormen (EHRM 5 juli 2016, Bîzdîga t. Moldavië, Zaaknummer 23755/07).

Al met al is de kinderrechter van oordeel dat de veiligheid van de kinderen meer gewicht in de schaal legt dan het recht op contact tussen de kinderen en de vader. Er moet eerst onderzocht worden welke risico’s op geweld er zijn en hoe deze kunnen worden verminderd. Dat deze risico’s inmiddels een rol spelen in het kader van de zorg- en contactregeling is ook hoogstwaarschijnlijk mede aan vader te wijten.

De kinderrechter zal het verzoek van de GI toewijzen. Voor nu is het niet in het belang van de veiligheid van de kinderen en de moeder om contact plaats te laten vinden tussen de vader en de kinderen. De meldingen zijn aanleiding geweest om de moeder en de kinderen op een veilige plek te plaatsen. Het is van belang dat eerst de dreigingsanalyse wordt afgewacht en aan de hand van de resultaten zal worden bekeken of, en zo ja, op welke wijze het contact tussen de vader en de kinderen hersteld kan worden. Als de omstandigheden zodanig zijn dat weer tot contactherstel kan worden gekomen, zal de regie voor het contactherstel bij de GI worden belegd. De kinderrechter zal hieraan geen termijn verbinden, maar heeft er vertrouwen in dat de GI inzet op contactherstel zodra dit mogelijk en veilig is, gelet op wat de GI het afgelopen jaar allemaal heeft ingezet.

De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

6. De beslissing

De kinderrechter:

wijzigt de beschikking van 17 april 2024 en bepaalt dat de vader en [minderjarige 1] , [minderjarige 2] , [minderjarige 3] en [minderjarige 4] voorlopig geen contact hebben met elkaar zolang de GI dat in het belang van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] , [minderjarige 3] en [minderjarige 4] acht en hun veiligheid niet gewaarborgd kan worden; de regie voor het herstarten van (begeleide) omgang ligt bij de GI;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 18 november 2025 door mr. Sumner, kinderrechter, in aanwezigheid van Van Diepen als griffier, en op schrift gesteld op 4 december 2025.

Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:

degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;

andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?