RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Breda
Zaaknummer: 11690222 \ CV EXPL 25-1624
Vonnis van 10 december 2025
in de zaak van
[eiser] handelend onder de naam [bedrijf],
wonende en zaakdoende te [plaats 1] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
gemachtigde: Armaere Incassospecialisten & Gerechtsdeurwaarders,
tegen
[gedaagde] ,
wonende te [plaats 2] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
procederend in persoon.
1. De zaak in het kort
Het gaat in deze zaak om een vordering van [eiser] tot betaling van een factuur voor werkzaamheden die hij heeft verricht. [gedaagde] betwist de vordering om meerdere redenen. Onder meer voert [gedaagde] aan dat hij namens zijn onderneming [B.V. 1] opdracht heeft gegeven en [eiser] daarom niet ontvankelijk dient te worden verklaard in zijn vordering. De kantonrechter volgt [gedaagde] in dit verweer en wijst de vordering van [eiser] af.
2. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 30 april 2025 met producties 1 tot en met 14;- de conclusie van antwoord met producties 1 tot en met 6;- de conclusie van repliek met producties 15 en 16;- de conclusie van dupliek met producties 7 tot en met 12;
- de akte uitlaten producties van [eiser] .
Ten slotte is vonnis bepaald.
3. De feiten
[gedaagde] en zijn ex-echtgenote waren eerder elk via een eigen vennootschap bestuurder/eigenaar van de besloten vennootschap [B.V. 2] (hierna: [B.V. 2] ). [gedaagde] was van [B.V. 2] bestuurder/eigenaar via zijn vennootschap [B.V. 1] .
[gedaagde] heeft begin mei 2023 [eiser] – die een adviespraktijk heeft – benaderd voor een waardebepaling van [B.V. 2] . [eiser] heeft daarom op 3 mei 2024 een e-mail gestuurd aan [gedaagde] en informatie gegeven over zijn werkwijze en kosten. Bij de e-mail heeft [eiser] ook zijn algemene voorwaarden en een intakeformulier gestuurd en verzocht om gegevens toe te zenden.
Bij e-mail van 9 mei 2023 heeft [gedaagde] gegevens verstrekt aan [eiser] en medegedeeld dat de jaarrekeningen nog niet klaar zijn. Op 23 mei 2023 heeft [eiser] op basis van de verstrekte informatie een advies gegeven met betrekking tot de waardering van [B.V. 2] .
Op 30 mei 2023 heeft [eiser] voor zijn verrichte werkzaamheden per e-mail een factuur gestuurd aan “ [handelsnaam] ” voor een bedrag van € 850,63. Deze factuur is betaald door [B.V. 1] . “ [handelsnaam] ” is de naam van de voormalige eenmanszak van [gedaagde] en een handelsnaam van [B.V. 1] .
Op 5 maart 2024 heeft [gedaagde] een e-mail aan [eiser] gestuurd met de jaarrekening van 2023 met cijfers. In de e-mail is het volgende vermeld: “Zoals zojuist besproken hierbij de jaarrekening van 2023 met wat cijfers. Zou je voor aanstaande vrijdag jouw bevindingen op een brief willen zetten?”.
Op 7 maart 2024 heeft [eiser] een schriftelijk advies gegeven aan [gedaagde] .
Op 7 mei 2024 heeft [eiser] per e-mail een factuur gestuurd aan “ [handelsnaam] ” voor de door hem in maart 2024 verrichte werkzaamheden voor een bedrag van € 1.542,25. Deze factuur is ondanks aanmaningen onbetaald gelaten.
[eiser] heeft alle e-mailcorrespondentie met [gedaagde] steeds gericht aan het [e-mailadres] en [gedaagde] heeft ook steeds met dat e-mailadres gereageerd.
4. Het geschil
[eiser] vordert – samengevat – dat [gedaagde] wordt veroordeeld tot betaling van het bedrag van € 1.900,53 vermeerderd met de wettelijke handelsrente over € 1.542,25 vanaf de dag van dagvaarden tot de dag van volledige betaling en met veroordeling van [gedaagde] in de kosten van de procedure.
[gedaagde] voert verweer. [gedaagde] concludeert tot niet-ontvankelijkverklaring van [eiser] in zijn vordering, dan wel tot afwijzing van de vordering van [eiser] , met veroordeling van [eiser] in de kosten van de procedure.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
5. De beoordeling
[gedaagde] contractspartij?
[eiser] vordert betaling van een factuur van 7 mei 2024 die volgens hem ziet op werkzaamheden in opdracht van [gedaagde] in privé. [eiser] stelt dat de werkzaamheden zagen op de voorbereiding van een echtscheidingsprocedure van [gedaagde] en [gedaagde] daarom is gedagvaard.
[gedaagde] betwist dat hij opdrachtgever is en voert aan dat de overeenkomst waar [eiser] zich op beroept is gesloten met [B.V. 1] . [gedaagde] voert aan dat zijn eenmanszaak [handelsnaam] in 2021 is ingebracht in [B.V. 1] .
Het antwoord op de vraag of iemand jegens een ander bij het sluiten van een overeenkomst als wederpartij van die ander is opgetreden hangt volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad af van hetgeen hij en die ander daarover naar elkaar hebben verklaard en over en weer uit elkaars verklaringen en gedragingen hebben afgeleid en mochten afleiden. Tot de omstandigheden die daarbij in aanmerking moeten worden genomen behoort de voor de wederpartij kenbare hoedanigheid en de context waarin partijen optraden.
Wanneer wordt gekeken naar de gedragingen en verklaringen van partijen dan is voor de beoordeling het volgende van belang.
Uit de opdrachtbevestiging van [eiser] van 3 mei 2023 blijkt dat de toen door [gedaagde] verzochte werkzaamheden zagen op een waardebepaling van [B.V. 2] waarvan [gedaagde] en zijn ex-partner toen indirect eigenaar waren. Die werkzaamheden hebben een zakelijk karakter en partijen zijn het daar ook over eens. Bij conclusie van repliek stelt [eiser] onder nummer 4 dat de werkzaamheden waar de vordering in deze procedure op zien betrekking hebben op de privésfeer van [gedaagde] , maar dat is onvoldoende onderbouwd door [eiser] . Uit het door [eiser] overgelegde schriftelijke advies van 7 maart 2024 (productie 16 bij conclusie van repliek) blijkt daarentegen dat de werkzaamheden ook steeds zien op de waardebepaling van [B.V. 2] en dus een zakelijk karakter hebben. Of [gedaagde] al dan niet in een echtscheidingsprocedure zat en daarvoor de gevraagde informatie nodig had, is niet relevant. Het gaat om de aard van de door [eiser] uitgevoerde werkzaamheden en die zijn zoals hiervoor overwogen zakelijk van aard.
Uit het door [gedaagde] gebruikte e-mailadres was voor [eiser] niet af te leiden of [gedaagde] privé handelde of namens [B.V. 1] omdat [gedaagde] het e-mailadres zowel zakelijk als privé gebruikte. Maar [eiser] heeft de facturen zelf steeds gericht aan [handelsnaam] en niet aan de heer [gedaagde] privé. [handelsnaam] is een handelsnaam van [B.V. 1] . De eerdere eenmanszaak van [gedaagde] was [handelsnaam] genaamd, maar die was in 2021 al ingebracht in [B.V. 1] . De facturen en herinneringen heeft [eiser] ook gericht aan zakelijke adressen van [gedaagde] . Uit die gedragingen van [eiser] volgt naar het oordeel van de kantonrechter dat hij uitging van zakelijk optreden van [gedaagde] namens zijn BV. De eerste factuur is verder ook betaald door [B.V. 1] en [eiser] heeft daar geen bezwaar tegen gemaakt.
Op grond van het voorgaande is de kantonrechter van oordeel dat [gedaagde] zelf geen contractspartij is bij de overeenkomst. Dit betekent dat [gedaagde] ten onrechte is gedagvaard. De vordering zal worden afgewezen. Niet-ontvankelijkverklaring, zoals [gedaagde] verzoekt, is hier niet aan orde omdat dit alleen speelt als niet voldaan is aan formele of processuele vereisten. Om vast te stellen of de verkeerde partij is gedagvaard, is inhoudelijk op de zaak ingegaan en dat is dus materieel van aard en niet processueel.
Proceskosten
[eiser] wordt als de in het ongelijk gestelde partij veroordeeld in de proceskosten, maar deze worden aan de zijde van [gedaagde] vastgesteld op nihil. [gedaagde] heeft namelijk zonder bijstand van een gemachtigde geprocedeerd. Niet gesteld of gebleken is dat [gedaagde] anderszins kosten heeft gemaakt in het kader van deze procedure die voor vergoeding in aanmerking komen.
6. De beslissing
De kantonrechter:
wijst de vordering af,
veroordeelt [eiser] in de kosten van de procedure, die tot op heden worden vastgesteld op nihil.
Dit vonnis is gewezen door mr. Ebben en in het openbaar uitgesproken op 10 december 2025.