RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
uitspraak van de voorzieningenrechter van 11 december 2025 in de zaak tussen
[verzoeker] , uit [plaats] , verzoeker
Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Breda.
Samenvatting
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 25/6220
en
1. Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over de afwijzing van de aanvraag van verzoeker een handhavingsverzoek wegens het slopen zonder sloopvergunning Verzoeker is het hiermee niet eens. Hij verzoekt daarom om een voorlopige voorziening en voert daartoe een aantal gronden aan. De voorzieningenrechter beoordeelt bij de vraag of hij een voorlopige voorziening zal treffen of het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft. Ook een belangenafweging speelt een belangrijke rol. Dat kan een reden zijn om het bestreden besluit te schorsen. Deze vraag beantwoordt hij aan de hand van de gronden van verzoeker.
De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek af. Gelet op de belangenafweging vindt hij dat de veiligheid voldoende is meegewogen en ziet hij geen aanleiding de sloop op dit moment stil te leggen. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
Procesverloop
2. Verzoeker heeft op 17 november 2025 verzocht om handhavend op te treden tegen het slopen zonder vergunning van een aantal opstallen aan [adres] . Op 1 december 2025 is daadwerkelijk begonnen met de sloop. Het college heeft echter nog niet op het verzoek om handhaving beslist. Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
Normaliter had verzoeker eerst een ingebrekestelling moeten sturen alvorens verdere rechtsmiddelen te nemen. Nu de sloop al begonnen is en het college heeft aangegeven van mening te zijn dat een beslistermijn van acht weken geldt, is de voorzieningenrechter van oordeel dat redelijkerwijs niet van verzoeker kon worden verwacht om eerst het college in gebreke te stellen.
De voorzieningenrechter heeft op verzoek van beide partijen afgezien van het houden van een zitting.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
Spoedeisend belang
De voorzieningenrechter neemt spoedeisend belang aan nu de sloop waartegen verzoeker zich keert al volop aan de gang is.
Totstandkoming van het besluit
3. Op 17 november 2025 heeft het college een ongeadresseerde brief laten bezorgen waarin hij omwonenden op de hoogte stelt van het feit dat een aantal panden aan [adres] vanaf 1 december 2025 gesloopt gaan worden. Op dezelfde dag heeft verzoeker een verzoek om handhaving ingediend.
Op 26 november 2025 heeft het college verzoeker laten weten het verzoek pas in behandeling te nemen als het ondertekend is. Verzoeker mailt dezelfde dag een ondertekende versie van het besluit toe, met de opmerking dat die ook al per post is verzonden.
Op 4 december dient verzoeker een bezwaarschrift in wegens het besluit van het college om niet handhavend op te treden. Het college reageert daar een dag later op met de mededeling dat hij het verzoek om handhaving wel in behandeling zal nemen nu er een ondertekende versie van het verzoek is ontvangen en dat hij daar acht weken de tijd voor heeft.
Op 5 december 2025 dient verzoeker een verzoek om voorlopige voorziening in.
Inhoudelijke beoordeling
Is het college te laat met beslissen?
4. Het college stelt dat hij vanaf 25 november 2025 acht weken de tijd heeft om op het handhavingsverzoek te beslissen. Vanaf die dag voldeed het verzoek aan alle voorwaarden om het in behandeling te nemen.
Op grond van artikel 4.2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) wordt een aanvraag ondertekend. Een bestuursorgaan mag besluiten een aanvraag buiten behandeling te laten indien hier niet aan wordt voldaan, mits de aanvrager in de gelegenheid is gesteld om dit gebrek te herstellen. Het college heeft verzoeker in de gelegenheid gesteld dit te herstellen. Op grond van artikel 4.15 wordt de beslistermijn opgeschort gedurende de tijd die een aanvrager nodig heeft om de aanvraag aan te vullen. Omdat de aanvraag op dezelfde dag is aangevuld, is er geen sprake van opschorting van de termijn. Dat betekent dat de beslistermijn vanaf 17 november 20025 loopt.
In de wet is geen specifieke beslistermijn opgenomen voor het nemen van een besluit op een verzoek om handhaving. Daarom geldt dat binnen een redelijke termijn moet worden besloten. Deze termijn is in ieder geval verstreken na verloop van acht weken. De redelijke termijn kan ook korter zijn en er is in dit geval voldoende reden om uit te gaan van een kortere termijn omdat duidelijk is dat al op 1 december gesloopt zou gaan worden. Daarbij neemt de voorzieningenrechter in aanmerking dat verzoeker zelf voortvarend heeft gehandeld. Meteen nadat hem de sloop was aangekondigd, heeft hij een verzoek ingediend. Hij constateert daarbij dat verzoeker op de dag waarop hem is medegedeeld dat de gemeente voornemens is te gaan slopen, een verzoek om handhaving heeft ingediend. Het college heeft daarna pas op 26 november aan eiser bericht dat zijn verzoek een formeel gebrek zou kennen en hem tot de laatste werkdag vóór de voorgenomen werkzaamheden, waarvan bekend was dat die vanaf 1 december 2025 plaats zouden vinden, in de gelegenheid gesteld dat gebrek te herstellen. Verzoeker heeft nog op 26 november het gebrek hersteld, zodat hem n niet kan worden verweten worden te langzaam te hebben gehandeld.
In dit specifieke geval is de voorzieningenrechter daarom van oordeel dat een kortere beslistermijn redelijk was. Het college had wellicht achterwege kunnen laten verzoeker het verzoek te laten ondertekenen, doch kan er in redelijkheid geen beroep op doen dat de redelijke termijn om te beslissen op het verzoek in dit geval acht weken bedraagt.
Formeel
5. Omdat het college inhoudelijk nog niet op het handhavingsverzoek heeft beslist, dient het bezwaar van verzoeker van 4 december 2025 te worden beschouwd als een rechtsmiddel tegen het niet tijdig beslissen. Dat rechtsmiddel had een beroepschrift moeten zijn, en het college zal dit bezwaar als beroepschrift tegen het niet tijdig beslissen aan de rechtbank moeten doorzenden. Het verzoek om een voorlopige voorziening is daarom connex te achten aan dat beroepschrift.
Belangenafweging
6. Omdat het college nog niet inhoudelijk heeft beslist op het verzoek om handhaving, kan de voorzieningenrechter de rechtmatigheid van een het inhoudelijk te nemen besluit niet beoordelen. Hij zal daarom op grond van een belangenafweging beslissen of de sloop moet worden stilgelegd. Omdat de verplichting de sloop te melden of een vergunning daarvoor aan te vragen, zich vooral richt op de veiligheid rondom het slopen, speelt dat een belangrijke rol in de belangenafweging.
De voorzieningenrechter weegt daarbij de volgende zaken mee. Het te slopen pand waar verzoeker vooral belang bij heeft is het buurpand met het [huisnummer] . Dit pand is gelegen op ongeveer 5 meter van de grens van het perceel van verzoeker en 20 meter van de woning van verzoeker. Het college wil de panden onder andere slopen vanwege de slechte bouwkundige staat waarin deze zich bevinden. Bovendien moeten de panden ruimte maken voor nieuwe ontwikkelingen. De sloop was ten tijde van het indienen van het verzoek al in volle gang. Voor het slopen is een melding gedaan. Deze melding is geaccepteerd. Aan de acceptatie van de sloopmelding is een sloopveiligheidsplan verbonden. In de acceptatie van de melding en dit sloopveiligheidsplan zijn voorwaarden opgenomen om de sloop veilig te laten verlopen. Ook zijn er voorschriften opgenomen met betrekking tot asbest. Ook is een asbestinventarisatierapport opgesteld. Niet is gesteld of gebleken dat er gebreken zitten in deze documenten.
De voorzieningenrechter weegt de belangen van het college bij het door laten gaan van de sloop zwaarder dan die van verzoeker. Een belangrijk aspect daarbij is dat de veiligheidsrisico’s van sloop voldoende in kaart zijn gebracht en ondervangen met voorschriften. De afstand van het dichtstbijzijnde te slopen pand en de woning van verzoeker is ook zodanig dat geen grote veiligheidsrisico’s zijn te verwachten. Het feit dat de sloop al grotendeels is uitgevoerd draagt er ook aan bij dat het verzoek wordt afgewezen. Het voor langere tijd overeind houden van een half gesloopt pand dat zich voor aanvang van de sloop al in een slechte bouwkundige staat bevond, brengt ook risico’s met zich mee.
Conclusie en gevolgen
7. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Dat betekent dat de sloop door mag gaan. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.P. Broeders, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. drs. R.J. Wesel, griffier, op 11 december 2025 en openbaar gemaakt door geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: