2. Het verzoek
De vrouw verzoekt vaststelling van een door de man te betalen onderhoudsbijdrage voor haar van € 1.174,= per maand, met ingang van 1 september 2025.
3. De beoordeling
De vrouw legt aan haar verzoek ten grondslag dat zij behoefte heeft aan een onderhoudsbijdrage van de man en dat hij de financiële draagkracht heeft die te voldoen.
De man voert gemotiveerd verweer. Volgens hem kan de vrouw in haar eigen behoefte voorzien. Daarnaast heeft de man ook niet de draagkracht om de door de vrouw verzochte bijdrage te voldoen.
Bij het bepalen van de behoefte aan een onderhoudsbijdrage en de financiële draagkracht om die te voldoen hanteert de rechtbank de uitgangspunten, zoals deze zijn neergelegd in de aanbevelingen van de Expertgroep Alimentatie.
Ingangsdatum
Door de vrouw is onweersproken verzocht de verplichting tot betaling van die bijdrage te laten ingaan op 1 september 2025. De rechtbank zal daarom van die ingangsdatum uitgaan.
Huwelijksgerelateerde behoefte
Voor de vaststelling van de behoefte van de vrouw is in beginsel het uitgangspunt het netto besteedbaar gezinsinkomen (NBGI) ten tijde van de samenleving van partijen.
De vrouw heeft onweersproken gesteld dat voor de becijfering van de behoefte moet worden uitgegaan van een netto besteedbaar inkomen (NBI) van haar ter hoogte van € 2.883,= per maand, rekening houdend met een bruto maandsalaris van € 1.712,55 per maand en een nabestaandenpensioen van € 20.496,= per jaar. De rechtbank zal dit daarom volgen.
De man is werkzaam in zijn eenmanszaak “[eenmanszaak]” en voert werkzaamheden uit in de uitvaartbranche. Hij heeft aangegeven dat hij na de verbreking van de samenleving 30% minder is gaan werken en zijn inkomen gelet daarop ook met een percentage 30% is verminderd. Op de zitting heeft de man verder toegelicht dat de winst die volgt uit het door hem overgelegde overzicht ‘Winst & verlies’ over de periode van 25 juli 2025 tot en met 31 oktober 2025 al is verminderd met die 30%. Dus voor de becijfering van zijn NBI moet dat bedrag worden geëxtrapoleerd naar een heel jaar en vermeerderd worden met 30%.
De vrouw stelt dat moet worden uitgegaan van een geschatte winst van € 80.000,= netto, gelet op de door man gemaakte winst in 2023, en een nabestaandenpensioen van € 8.964,= per jaar. Namens de vrouw is op de zitting toegelicht dat zij herhaaldelijk de man heeft verzocht om aan haar financiële stukken toe te sturen. De nu overgelegde winst en verlies rekening is volgens haar onvoldoende om het NBI van de man te berekenen.
De rechtbank stelt voorop dat deze procedure strekt tot het treffen van een ordemaatregel, waarbij het gaat om een bijdrage voor de duur van de echtscheidingsprocedure. In deze procedure is dan ook geen plaats voor een diepgaand onderzoek. Hoewel de door de man overgelegde financiële stukken beperkt zicht geven op zijn financiële situatie, ziet de rechtbank in het kader van deze procedure aanleiding wel uit te gaan van de winst zoals volgt uit het door de man overgelegde overzicht ‘Winst & verlies’. Hieruit volgt een winst van € 14.397,28 over een periode van drie maanden, waarbij zoals door de man onweersproken is gesteld al rekening is gehouden met een vermindering van zijn werkzaamheden van 30%. De rechtbank zal ter berekening van zijn inkomen tijdens de samenleving (toen hij nog niet 30% minder werkte) daarom uitgaan van een jaarinkomen uit de onderneming van de man ter hoogte van afgerond € 74.866,= ( (€ 14.397,28 x 4 =) € 57.589,12, vermeerderd met 30%). Daarnaast zal de rechtbank rekening houden met het door de vrouw onweersproken opgevoerde nabestaandenpensioen ter hoogte van € 8.964,= per jaar.
In fiscale zin houdt de rechtbank rekening met de van toepassing zijnde zelfstandigenaftrek en mkb-winstvrijstelling, de van toepassing zijnde heffingskortingen (algemene heffingskorting, arbeidskorting) en de verschuldigde inkomstenbelasting en. Verder is de op aanslag te betalen inkomensafhankelijke bijdrage zorgverzekeringswet in aanmerking genomen. Aan de hand van deze uitgangspunten becijfert de rechtbank het NBI van de man tijdens de samenleving op een bedrag van € 4.717,= per maand.
Het NBGI van partijen ten tijde van de samenleving bedraagt dan € 7.600,= per maand. Tot het gezin van partijen behoorde tijdens de samenleving ook de minderjarige dochter van de man, [minderjarige]. De kosten die ten behoeve van haar werden voldaan kwamen niet ten goede aan partijen zelf, zodat die van het NBGI moeten worden afgehaald. Door de vrouw is onweersproken gesteld dat deze kosten € 664,= per maand bedragen, zodat de rechtbank met dat bedrag rekening houdt.
Het aandeel van de vrouw in het netto gezinsinkomen bedraagt vervolgens de helft van het resterende bedrag van € 6.936,=, zijnde € 3.468,= per maand. Omdat het voeren van twee gescheiden huishoudens duurder is dan het leven in gezinsverband, wordt bij dit aandeel een percentage van 20 opgeteld, zodat de rechtbank de huwelijksgerelateerde behoefte van de vrouw berekent op € 4.162,= netto per maand.
Behoeftigheid en aanvullende behoefte van de vrouw
De man stelt zich op het standpunt dat de vrouw voldoende gelegenheid heeft gehad om te onderzoeken op welke wijze zij meer inkomen kan genereren en dat van haar mag worden verwacht dat zij op die manier volledig kan voorzien in de hiervoor becijferde huwelijksgerelateerde behoefte.
De vrouw betwist die stelling en stelt zich op het standpunt dat in deze procedure geen plaats is voor het uitgaan van een verdiencapaciteit en dat moet worden uitgegaan van haar feitelijke inkomen.
Zoals hiervoor reeds is overwogen gaat het bij het treffen van voorlopige voorzieningen om een ordemaatregel. In deze procedure is dan ook geen plaats voor een diepgaand onderzoek naar de verdiencapaciteit van de vrouw. Een dergelijk onderzoek kan eventueel in de latere bodemprocedure plaatsvinden. De rechtbank zal gelet op het voorgaande niet uitgaan van een verdiencapaciteit maar de aanvullende behoefte van de vrouw becijferen op basis van haar huidige feitelijke inkomen.
Door de vrouw is onweersproken gesteld dat, in het geval niet wordt uitgegaan van een verdiencapaciteit, haar huidige NBI € 2.883,= per maand bedraagt. Om de aanvullende behoefte te becijferen wordt de hiervoor becijferde huwelijksgerelateerde behoefte verminderd met dit NBI. De behoefte van de vrouw aan een aanvullende bijdrage bedraagt dan € 1.279,= netto per maand. Zij heeft dus in ieder geval behoefte aan de door haar verzochte bruto bijdrage van € 1.174,= per maand.
Draagkracht van de man
De financiële draagkracht van de man om een bijdrage ten behoeve van de vrouw te betalen wordt vastgesteld aan de hand van de formule of de tabel, zoals opgenomen in eerder genoemde aanbevelingen.
De man stelt zich op het standpunt dat voor de becijfering van zijn draagkracht moet worden uitgegaan van winst uit onderneming zoals volgt uit het door hem overgelegde overzicht ‘Winst & verlies’. Hij is noodgedwongen 30% minder gaan werken, omdat hij meer beschikbaar moet zijn voor zijn dochter; het gaat met haar niet goed op school. Hierdoor is zijn inkomen verminderd. Zijn huidige winst volgt uit voornoemd overzicht.
De vrouw stelt zich allereerst ook in het kader van de draagkracht van de man op het standpunt dat de man financiële stukken had moeten overleggen. De door hem overgelegde financiële stukken zijn onvoldoende om zijn inkomen uit af te leiden en daarom moet worden uitgegaan van een geschat netto inkomen van € 80.000,= per jaar. Mocht wel worden uitgegaan van de door de man overgelegde financiële gegevens, dan moet worden uitgegaan van zijn inkomen voordat hij 30% minder is gaan werken. Hij geeft nu namelijk moedwillig zijn inkomen prijs en dat moet voor zijn rekening komen.
De rechtbank overweegt ook in het kader van de draagkracht van de man dat, hoewel de man weinig financiële stukken heeft overgelegd, in het kader van deze procedure zal worden uitgegaan van de door de man overgelegde inkomensgegevens en niet van een geschat inkomen zoals door de vrouw aangevoerd. Daarnaast ziet de rechtbank ook aan de zijde van de man, in het kader van deze procedure, geen aanleiding om uit te gaan van een verdiencapaciteit en zal rekenen zijn huidige inkomen. Uit het door de man overgelegde overzicht ‘Winst & verlies’ volgt een winst van afgerond € 57.589,= (€ 14.397,28 x 4 =). Verder zal de rechtbank rekening houden met het door de vrouw onweersproken aangevoerde nabestaandenpensioen van € 8.964,= per jaar.
In fiscale zin houdt de rechtbank rekening met de van toepassing zijnde zelfstandigenaftrek en mkb-winstvrijstelling, de van toepassing zijnde heffingskortingen (algemene heffingskorting, arbeidskorting) en de verschuldigde inkomstenbelasting. Verder is de op aanslag te betalen inkomensafhankelijke bijdrage zorgverzekeringswet in aanmerking genomen. Aan de hand van deze uitgangspunten becijfert de rechtbank het huidige NBI van de man op € 4.058,= per maand.
De rechtbank houdt voorts rekening met de door de vrouw onweersproken opgevoerde kosten voor [minderjarige] van in totaal € 664,= per maand.
Op grond van voormelde financiële omstandigheden en rekening houdend met alle fiscale gevolgen acht de rechtbank bij de man de draagkracht aanwezig om, met ingang van 1 september 2025, € 255,= netto per maand, oftewel € 407,= bruto per maand te voldoen ten behoeve van de vrouw. Daarbij wordt het fiscale voordeel van de betaling van de bijdrage aan de vrouw geheel aan hem toegekend. De rechtbank zal het verzoek van de vrouw in zoverre toewijzen.
Berekeningen
De rechtbank heeft berekeningen gemaakt. Exemplaren van deze berekeningen zijn als bijlage aan deze beschikking toegevoegd en maken daarvan deel uit.
4. De beslissing
De rechtbank:
bepaalt dat de door de man te betalen bijdrage voor het levensonderhoud van de vrouw met ingang van 1 september 2025 wordt vastgesteld op € 407,= (vierhonderdzeven euro) per maand, aan de vrouw te voldoen;
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. Baggel, en, in tegenwoordigheid van mr. Reijerse, griffier, in het openbaar uitgesproken op 21 november 2025.