2. Het verzoek
De vrouw verzoekt:
- het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning gelegen aan [adres], te [woonplaats], met inbegrip van de tot die woning behorende inboedel, door haar;
- vaststelling van een door de man te betalen onderhoudsbijdrage voor haar van € 1.468,= per maand, welke bijdrage iedere eerste van de maand bij vooruitbetaling zal dienen te worden voldaan, althans een zodanige bijdrage met ingang van een zodanige datum vast te stellen als de rechtbank in goede justitie zal vermenen te behoren.
3. De beoordeling
Ontvankelijkheid
Uit het verzoekschrift van de vrouw volgt dat zij haar verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening in eerste instantie heeft gegrond op artikel 223 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv). Zoals op de zitting door de rechtbank is aangegeven, is binnen de regeling van de echtscheidingsprocedure als bedoeld in de artikelen 821-826 Rv geen ruimte voor een voorlopige voorziening op de voet van artikel 223 Rv (zie het arrest van de Hoge Raad van 31 augustus 2018 (ECLI:NL:HR:2018:1414)). Namens de vrouw is de grondslag voor haar verzoek ter zitting gewijzigd naar artikel 822 Rv, zodat de vrouw kan worden ontvangen in haar verzoek tot het treffen van voorlopige voorzieningen.
Uitsluitend gebruik van de woning
Internationale bevoegdheid en toepasselijk recht
Vanwege de Afghaanse nationaliteit van de vrouw en de plaats van de huwelijkssluiting in Afghanistan heeft de zaak internationaal privaatrechtelijke aspecten.
De echtelijke woning is in Nederland gelegen. Gelet op artikel 4, lid 3, aanhef en sub a Rv komt de Nederlandse rechter daarom rechtsmacht toe om te oordelen over het verzoek met betrekking tot die woning. De rechtbank zal daarbij het Nederlands recht toepassen.
Inhoudelijke beoordeling
De vrouw legt het volgende aan haar verzoek tot het uitsluitend gebruik van de woning ten grondslag. Volgens haar is het niet haalbaar om gedurende de bodemprocedure met de man in de woning te verblijven. De man maakt regelmatig ruzie met de vrouw, hetgeen leidt tot een grimmige en onveilige sfeer in de woning. Hij heeft de vrouw ook mishandeld en de vrouw heeft daarvan melding gemaakt bij de politie. De vrouw ervaart dagelijks angst en stress en vreest opnieuw slachtoffer te worden van vernedering of fysiek geweld door de man. Op de zitting is door de vrouw verder aangegeven dat zij niet beschikt over alternatieve woonruimte; zij verblijft pas sinds 2022 in Nederland en heeft hier geen familie.
De man voert gemotiveerd verweer. Volgens hem kan de huidige woonsituatie van partijen worden voortgezet. Hij is voor werk regelmatig van ’s ochtends vroeg tot ’s avonds laat van huis. De vrouw heeft daardoor de hele dag het huis voor haar alleen. Verder slaapt de man inmiddels in de woonkamer, terwijl de vrouw gebruik kan maken van de slaapkamer. De man betwist daarnaast dat dat sprake is geweest van vernedering, kleinering en mishandeling. Op de zitting heeft de man erkend dat er met enige regelmaat ruzies zijn tussen hem en de vrouw, maar de vrouw is daar zelf de aanstichter van. Zij start de ruzies en heeft zelfs een keer een mes naar de man getrokken. Ook hij heeft de politie gebeld tijdens ruzie(s) met de vrouw. Om de spanningen te ontlopen slaapt de man drie tot vier nachten per week afwisselend bij zijn moeder die ook in [woonplaats] woont en/of bij vrienden. Hij slaapt slechts twee tot drie nachten per week in de woning, dus er zijn voldoende mogelijkheden om de situatie nog voort te zetten tot de beslissing in de bodemprocedure. Tot slot stelt de man dat hij belang heeft bij toegang tot de woning omdat hij na de echtscheiding het huurrecht van de woning wenst te krijgen.
Op basis van de stukken en hetgeen door partijen op zitting naar voren is gebracht stelt de rechtbank vast dat sprake is van hoogoplopende spanningen tussen partijen.
Hoewel partijen beiden een andere lezing hebben over wie de aanstichter is van de ruzies tussen hen, beschrijven zij allebei dat er regelmatig ruzies zijn (geweest) en dat daarvoor meerdere keren de politie is gebeld door (één van) hen. De man heeft op de zitting verder erkend dat hij het grootste deel van de tijd niet thuis verblijft en slaapt, mede om de spanningen thuis te ontlopen. Die mogelijkheid heeft de vrouw niet. Hoewel de man aangeeft dat de vrouw bij zijn tante in Rotterdam zou kunnen verblijven waar hij geen contact mee heeft, is onvoldoende gebleken dat dit een reële optie is. Naar het oordeel van de rechtbank is continuering van de situatie zoals de man stelt, op basis van hetgeen tussen partijen speelt, geen mogelijkheid. Dat de man veel van huis is doet hier niet aan af, hij kan bij voortzetting van deze situatie immers elk moment de woning betreden waardoor de spanningen en de mogelijkheid tot het ontstaan van ruzies blijft bestaan. Dat is niet in het belang van beide partijen. Ook het standpunt van de man dat hij in de bodemprocedure het huurrecht wenst en daardoor belang heeft bij het behouden van toegang tot de woning, is geen reden om het verzoek van de vrouw af te wijzen. Het voorgaande leidt ertoe dat de rechtbank het verzoek van de vrouw zal toewijzen.
Partneralimentatie
Internationale bevoegdheid en toepasselijk recht
De Nederlandse rechter is op grond van artikel 3 sub a van de Alimentatieverordening (nr. 4/2009 Raad van 18 december 2008) internationaal bevoegd om van het verzoek tot vaststelling van een partnerbijdrage kennis te nemen, nu verweerder (de man) zijn gewone verblijfplaats in Nederland heeft.
Op het verzoek tot vaststelling van een partnerbijdrage is op grond van artikel 15 van de Alimentatieverordening juncto. artikel 3 van het Haagse Protocol van 23 november 2007 inzake het recht dat van toepassing is op onderhoudsverplichtingen, het recht van de staat waar de onderhoudsgerechtigde (de vrouw) haar gewone verblijfplaats heeft van toepassing. Nu de vrouw haar gewone verblijfplaats in Nederland heeft, is het Nederlandse recht van toepassing op het verzoek tot vaststelling van een partnerbijdrage.
Inhoudelijke beoordeling
Op de zitting hebben partijen afgesproken dat in het geval het verzoek van de vrouw tot het uitsluitend gebruik van de woning wordt toegewezen, de man een partnerbijdrage aan de vrouw zal betalen ter hoogte van € 1.468,= per maand. Verder spraken partijen af dat zij daarnaast ook afspraken zullen maken over de betaling van de vaste lasten.
De rechtbank zal gelet op de overeenstemming van partijen en nu het verzoek van de vrouw haar niet ongegrond voorkomt, het verzoek van de vrouw toewijzen, met dien verstande dat de verplichting tot betaling van deze bijdrage zal ingaan op de datum van deze beschikking.
4. De beslissing
De rechtbank:
bepaalt dat de vrouw bij uitsluiting gerechtigd is tot het gebruik van de echtelijke woning, daarbij inbegrepen de inboedelgoederen, gelegen aan [adres], te [woonplaats];
bepaalt dat de door de man te betalen bijdrage voor het levensonderhoud van de vrouw met ingang van de datum van deze beschikking wordt vastgesteld op € 1.468,= (duizend vierhonderdachtenzestig euro) per maand, aan de vrouw iedere eerste van de maand bij vooruitbetaling te voldoen.
Deze beschikking is gegeven door mr. Benjaddi, rechter, en in tegenwoordigheid van mr. Reijerse, griffier, in het openbaar uitgesproken op 5 december 2025.