ECLI:NL:RBZWB:2025:8833

ECLI:NL:RBZWB:2025:8833, Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 10-12-2025, C/02/442086 FA RK 25-5958

Instantie Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak 10-12-2025
Datum publicatie 23-12-2025
Zaaknummer C/02/442086 FA RK 25-5958
Rechtsgebied Civiel recht; Personen- en familierecht
Procedure Rekestprocedure
Zittingsplaats Breda

Samenvatting

voorlopige voorziening: IPR, Pakistaans huwelijk, uitsluitend gebruik vd woning, toevertrouwing, kinder- en partneralimentatie

Uitspraak

2. De verzoeken

De vrouw verzoekt:

- toevertrouwing van de [minderjarige] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2022, aan haar;

- het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning gelegen aan [adres] , te [woonplaats] (hierna: de echtelijke woning), door haar;

- vaststelling van een door de man te betalen onderhoudsbijdrage ten behoeve van de [minderjarige] van € 1.000,= per maand;

- vaststelling van een door de man te betalen onderhoudsbijdrage voor haar van € 4.072,= per maand.

De man verzoekt, indien de rechtbank een burgerlijk huwelijk aanwezig zou achten, het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning door hem.

3. De beoordeling

De vrouw stelt dat zij op 8 november 2019 te [plaats], Pakistan met de man in het huwelijk is getreden en dat uit dat huwelijk op [geboortedag] 2022 te [woonplaats] is geboren: [minderjarige] .

De vrouw heeft bij deze rechtbank een echtscheidingsprocedure aanhangig gemaakt (zaaknummer: C/02/441441 FA RK 25-5605).

Rechtsmacht

Gelet op de Pakistaanse nationaliteit van (in ieder geval) de vrouw en de plaats van de huwelijkssluiting van partijen in Pakistan, heeft deze zaak internationaalprivaatrechtelijke aspecten. De rechtbank heeft beoordeeld of zij (internationale) rechtsmacht heeft om een beslissing te geven op de voorliggende verzoeken en stelt vast dat dit het geval is. Per verzoek zal hierna nader op de rechtsmacht en het toepasselijk recht worden ingegaan.

Primair verweer: niet-ontvankelijkheid vrouw

De man stelt zich primair op het standpunt dat de vrouw niet-ontvankelijk moet worden verklaard, dan wel dat haar verzoeken moeten worden afgewezen, omdat er geen sprake is van een burgerlijk huwelijk. Het huwelijk van partijen betreft enkel een Islamitisch huwelijk. De man was ook niet bij het Islamitische huwelijk op 8 november 2019 aanwezig; hij heeft zijn broer destijds een volmacht gegeven. Op de zitting is namens de man verder aangegeven dat een Islamitisch huwelijk enkel kan worden beëindigd via de moslimgemeenschap in Pakistan. Volgens hem kan de echtscheiding daarom niet door de Nederlandse rechter worden uitgesproken en kunnen gelet daarop ook geen voorlopige voorzieningen worden getroffen.

De vrouw weerspreekt de stellingen van de man. Ter onderbouwing van haar standpunt dat tussen partijen sprake is van een (rechtsgeldig, voor erkenning in Nederland in aanmerking komend) huwelijk, heeft zij als bijlage 6 een uitdraai van “Mijn Overheid” in het geding gebracht. Uit dat overzicht blijkt dat de gemeente Tilburg het huwelijk heeft geregistreerd in de Basisregistratie personen (Brp). Op de zitting is verder namens de vrouw aangevoerd dat zij op basis van de stelling van de man bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) dat partijen gehuwd zijn toestemming heeft gekregen om Nederland in te reizen.

De rechtbank overweegt als volgt. De beoordeling of sprake is van een rechtsgeldig huwelijk dat voor erkenning vatbaar is in Nederland, is een vraag die zich leent voor bespreking in de echtscheidingsprocedure. Dit laat onverlet dat wanneer op basis van de stellingen en de beschikbare stukken met grote mate van zekerheid en zonder diepgaand onderzoek naar de feiten vastgesteld kan worden dat geen sprake is van een rechtsgeldig, voor erkenning in Nederland vatbaar, huwelijk tussen partijen, de rechtbank hieraan gevolgen zal verbinden voor de toewijsbaarheid van verzochte voorlopige voorzieningen.

Uit de stukken volgt dat het huwelijk van partijen is geregistreerd in de Brp. Registratie van gegevens omtrent de burgerlijke staat van een persoon in de Brp kan uitsluitend geschieden op basis van een brondocument (artikel 2.8 lid 2 Wet Brp). Op basis daarvan gaat de rechtbank in het kader van deze voorlopige voorzieningenprocedure ervan uit dat tussen partijen een rechtsgeldig huwelijk is voltrokken, en dat dit huwelijk voor erkenning in Nederland in aanmerking komt (10:31 BW).

Naar aanleiding van het standpunt van de man dat het huwelijk van partijen enkel kan worden beëindigd via de moslimgemeenschap in Pakistan, overweegt de rechtbank dat huwelijken die rechtsgeldig in het buitenland zijn gesloten en voor erkenning in Nederland in aanmerking komen, of dat nou religieuze of burgerlijke huwelijken zijn, door de Nederlandse rechter kunnen worden beëindigd in het geval de Nederlandse rechter internationaal bevoegd is. Naar het voorlopige oordeel van de rechtbank is dat in deze zaak het geval.

De rechtbank gaat er voor de beoordeling van de voorliggende verzoeken dus vanuit dat zij bevoegd is om daarop te beslissen en dat tussen partijen sprake is van een rechtsgeldig huwelijk, waaruit de [minderjarige] is geboren, zodat partijen (juridisch) ouder van de minderjarige zijn.

Toevertrouwing minderjarige

Internationale bevoegdheid en toepasselijk recht

Nu de gewone verblijfplaats van [minderjarige] in Nederland is, is de Nederlandse rechter bevoegd om te beslissen op het verzoek betreffende de toevertrouwing van [minderjarige] (artikel 7 lid 1 BrusselIIter Verordening). De rechtbank zal hierbij Nederlands recht toepassen (artikel 15 lid 1 Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996).

Overeenstemming partijen

Aangezien de man heeft aangegeven in te kunnen stemmen met het verzoek van de vrouw tot toevertrouwing van [minderjarige] aan haar en de rechtbank die toevertrouwing in het belang van [minderjarige] acht, zal de rechtbank dit verzoek toewijzen.

Uitsluitend gebruik van de woning

Internationale bevoegdheid en toepasselijk recht

De echtelijke woning is in Nederland gelegen. Gelet op artikel 4, lid 3, aanhef en sub a Rv komt de Nederlandse rechter daarom rechtsmacht toe om te oordelen over het verzoek met betrekking tot die woning. De rechtbank zal het Nederlands recht toepassen.

Standpunten partijen

De vrouw legt het volgende aan haar verzoek ten grondslag. Momenteel wonen zij en [minderjarige] in een moeder en kind-opvang van het daklozencentrum in [woonplaats] , maar dat is geen gezonde omgeving voor [minderjarige] . Het is van belang dat zij weer terug kunnen naar een gezonde omgeving. De man heeft veel contacten in Nederland en kan bij zijn familie in de buurt wonen. Op de zitting heeft de vrouw aangegeven dat zijn moeder in de buurt van de echtelijke woning woont en de man daar kan verblijven. De vrouw heeft geen familie in Nederland en geen alternatieve woonruimte. Zij is met [minderjarige] de meest gerede partij om in de woning te wonen. Verder wonen er momenteel meerdere mensen in de echtelijke woning. Dat zijn geen huurders van de woning en die moeten de woning verlaten.

De man voert gemotiveerd verweer. Tevens doet de man een zelfstandig verzoek tot het uitsluitend gebruik van de woning. Hij voert aan dat hij een groter belang heeft om de woning te blijven gebruiken dan de vrouw. De woning betreft een appartement waar de man al voor het huwelijk van de vrouw woonde. Zijn broer en het gezin van zijn broer wonen daar ook al sinds 1 april 2020. De vrouw van de broer heeft een auto immuunziekte. Doordat zij met zijn allen samenwonen kunnen zij samen voor de kinderen van hen en van de man zorgen. Op de zitting heeft de man verder weersproken dat hij bij zijn moeder kan verblijven. Schuin tegenover die woning woont namelijk zijn ex-partner waar hij een lastige verhouding mee heeft. Dat is ook de reden waarom de omgang met zijn zoon [naam] uit dat huwelijk moet plaatsvinden in de echtelijke woning. Tot slot is de inschrijving voor een huurwoning bij de wooncorporatie inmiddels gesplitst, zodat de vrouw met die inschrijvingsduur aanspraak kan maken op een huurwoning.

Oordeel rechtbank

De rechtbank is van oordeel dat de verstandhouding tussen partijen zodanig verstoord is dat van hen niet kan worden gevergd om gezamenlijk in de echtelijke woning te verblijven. Beide partijen hebben een gerechtvaardigd belang bij het uitsluitend gebruik van de woning. Het komt daarbij aan op een belangenafweging. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat de beslissing uitsluitend betrekking heeft op het gebruiksrecht van de echtgenoten en dat welke beslissing die de rechtbank in dit verband dan ook neemt, een bestaand recht van derden om in de huurwoning te verblijven, onverlet laat. De rechtbank neemt in de belangenafweging in aanmerking dat de man – en het gezin van zijn broer – al geruime tijd, en langere tijd dan de vrouw, in de echtelijke woning woonachtig zijn. De man heeft weliswaar op de zitting aangegeven dat hij in het verleden, in het kader van de echtscheidingsprocedure met zijn ex-partner, tijdelijk bij zijn moeder heeft verbleven, maar dat kan vanwege de verstoorde verhouding met de daar tegenover wonende ex-partner, de moeder van zijn zoon [naam], op dit moment in redelijkheid niet van de man verlangd worden. Ook weegt de rechtbank mee dat de echtelijke woning de plek is waar de man geregeld voor [naam] zorgt. Weliswaar is de moeder en kind-opvang van het daklozencentrum in [woonplaats] als verblijfplaats verre van optimaal voor de vrouw en [minderjarige] , maar de rechtbank acht het ook niet in het belang van [minderjarige] acht om samen met de familie van de man in een woning te verblijven. De rechtbank voorziet dat verblijf van de vrouw en [minderjarige] met de familie van de man in de echtelijke woning vanwege de op handen zijnde echtscheiding tot onderlinge spanningen zal leiden. De rechtbank is gelet op het voorgaande van oordeel dat het belang van de man bij het gebruik van de woning groter is dan het belang van de vrouw. Dat brengt mee dat het verzoek van de man wordt toegewezen. Het verzoek van de vrouw wijst de rechtbank daarmee af.

Kinder- en partneralimentatie

Internationale bevoegdheid en toepasselijk recht

De Nederlandse rechter is op grond van artikel 3 sub a van de Alimentatieverordening (nr. 4/2009 Raad van 18 december 2008) internationaal bevoegd om van het verzoek tot vaststelling van een kinder- en partnerbijdrage kennis te nemen, nu verweerder (de man) zijn gewone verblijfplaats in Nederland heeft.

Op het verzoek tot vaststelling van een kinderbijdrage is op grond van artikel 15 van de Alimentatieverordening juncto. artikel 3 van het Haagse Protocol van 23 november 2007 inzake het recht dat van toepassing is op onderhoudsverplichtingen, het recht van de staat waar de onderhoudsgerechtigden ( [minderjarige] en de vrouw) hun gewone verblijfplaats heeft van toepassing. Nu de vrouw en [minderjarige] hun hoofdverblijf in Nederland hebben, is het Nederlandse recht van toepassing op de verzoeken tot vaststelling van een kinder- en partnerbijdrage.

Standpunten partijen

De vrouw legt aan haar verzoeken ten grondslag dat zij en [minderjarige] behoefte hebben aan een onderhoudsbijdrage van de man en dat hij de financiële draagkracht heeft die te voldoen. De vrouw weet niet precies welk inkomen de man heeft, maar hij beschikt in ieder geval over een inkomen van € 4.000,= netto per week. De vrouw heeft op zitting aangegeven dat zij geen enkel inkomen ontvangt, ook geen (daklozen)uitkering. Zij is nu niet in staat om in het onderhoud van [minderjarige] en in haar eigen onderhoud te voorzien.

De man voert gemotiveerd verweer. Hij is in staat een bijdrage voor [minderjarige] te betalen maar niet het door de vrouw verzochte bedrag. Door hem is het jaarverslag van 2024 van zijn eenmanszaak ‘[eenmanszaak]’ overgelegd (productie 6). Van de winst die daaruit volgt ter hoogte van € 51.247,= moet worden uitgegaan en niet van een inkomen van € 4.000,= netto per week. Verder moet rekening worden gehouden met de kosten die hij voor zijn kinderen uit zijn vorige huwelijk voldoet (kosten voor cadeaus tijdens het Suikerfeest en voor verjaardagen, zakgeld aan twee van zijn kinderen en de verblijfskosten als zijn zoon [naam] bij hem verblijft). Op basis van het Islamitische (huwelijks)recht is de man verder in het geheel geen partneralimentatie aan de vrouw beschuldigd, zodat dat verzoek moet worden afgewezen. Als dit verzoek wel inhoudelijk wordt beoordeeld heeft de man, na betaling van een bijdrage voor [minderjarige] , geen draagkracht meer om nog een bijdrage ten behoeve van de vrouw te betalen.

Oordeel rechtbank

Bij het bepalen van de behoefte aan een onderhoudsbijdrage en de financiële draagkracht om die te voldoen hanteert de rechtbank de uitgangspunten, zoals deze zijn neergelegd in de aanbevelingen van de Expertgroep Alimentatie.

De rechtbank stelt voorop dat deze procedure bedoeld is voor het treffen van een ordemaatregel, waarbij het gaat om het vaststellen van een bijdrage voor de duur van de echtscheidingsprocedure. Daarbij gaat de rechtbank uit van de huidige situatie. In deze procedure is geen plaats voor een diepgaand onderzoek naar de inkomens van partijen en zal daarom worden uitgegaan van de beschikbare informatie.

Behoefte van [minderjarige]

Voor de vaststelling van de behoefte van [minderjarige] is in beginsel het uitgangspunt het netto besteedbaar gezinsinkomen (NBGI) ten tijde van de samenleving van partijen. De rechtbank gaat voor de bepaling van dat gezinsinkomen uit van de inkomens van partijen in 2024, zijnde het laatste volledige jaar voor het uiteengaan.

Tussen partijen staat vast dat de vrouw in 2024 geen inkomen had. Het NBGI wordt dus enkel gevormd door het inkomen van de man. De rechtbank gaat aan de zijde van de man, gelet op hetgeen in rechtsoverweging 3.21 is overwogen, uit van de winst uit onderneming volgend uit het door hem overgelegde jaarverslag van 2024 en de namens de man overgelegde alimentatieberekening, ter hoogte van € 51.247,=. Ter zitting is verder gebleken dat partijen geen kindgebonden budget hebben ontvangen tijdens hun samenleving. De man heeft desgevraagd aangegeven dat hij de financiële zaken van partijen regelde en nooit een aanvraag heeft gedaan daarvoor. Door de man is een berekening gemaakt rekening houdend met de hiervoor vermelde inkomensgegevens. De financiële gegevens in deze berekening zijn onweersproken gebleven, maar de rechtbank stelt vast dat de berekening is gemaakt met de tarieven 2025. De rechtbank berekent met dezelfde gegevens het NBI van de man aan de hand van de tarieven van 2024. Hieruit volgt een NBGI van € 3.409,= per maand.

Tussen partijen is in geschil of van dit NBGI nog een bedrag moet worden afgetrokken die de man zou voldoen ten behoeve van zijn kinderen uit zijn vorige huwelijk. De rechtbank zal met het door de man opgevoerde bedrag bij de bepaling van de behoefte geen rekening houden. Uit de overgelegde stukken blijkt namelijk dat de man pas vanaf 2025, namelijk na het ondertekenen van het door hem overgelegde ouderschapsplan op 9 januari 2025, kosten voor zijn kinderen uit zijn eerdere huwelijk is gaan voldoen. Dat in 2024 en in de jaren daarvoor al uitgaven zijn gedaan voor die kinderen, die ten laste van het gezinsinkomen van partijen zijn gekomen, is niet gebleken. Daarom wordt ervan uitgegaan dat het inkomen van de man uitsluitend is aangewend voor de kosten van de man, de vrouw en [minderjarige] .

Voormeld NBGI levert volgens de ‘Tabel eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen’ een behoefte van [minderjarige] op van € 460,= per maand. Rekening houdend met de wettelijke indexering bedraagt die behoefte nu € 490,= per maand.

Draagkracht van de vrouw in het kader van de kinderalimentatie

Het aandeel van de onderhoudsplichtigen (de man en de vrouw) in de behoefte van de [minderjarige] becijfert de rechtbank aan de hand van ieders huidig netto besteedbaar inkomen (NBI), waarbij hun draagkracht wordt vastgesteld aan de hand van de formule of de tabel, zoals opgenomen in eerder genoemde aanbevelingen.

Ter zitting is gebleken dat tussen partijen vast staat dat de vrouw geen draagkracht heeft.

Draagkracht van de man in het kader van de kinderalimentatie

Ook voor de becijfering van het NBI en de draagkracht van de man gaat de rechtbank uit van de beschikbare informatie over zijn inkomen onder verwijzing naar rechtsoverweging 3.21. De rechtbank gaat er van uit dat de man in 2025 een winst uit onderneming genereert dat overeenkomt met zijn winst in 2024, zoals volgt uit het door hem overgelegde jaarverslag en alimentatieberekening, ter hoogte van € 51.247,=. De rechtbank houdt verder rekening met de van toepassing zijnde heffingskortingen (algemene heffingskorting, arbeidskorting), de op aanslag verschuldigde inkomensafhankelijke bijdrage zorgverzekeringswet en de verschuldigde inkomstenbelasting. Aan de hand van deze uitgangspunten becijfert de rechtbank het huidige NBI van de man op een bedrag ter hoogte van € 3.410,= per maand.

Tussen partijen is ook hier in geschil of rekening moet worden gehouden met de door de man opgevoerde kosten die hij voldoet voor de kinderen uit zijn eerdere huwelijk. Uit de overgelegde stukken blijkt dat de man vanaf 2025 enkele kosten voldoet ten behoeve van die kinderen op grond van het door hem overgelegde ouderschapsplan. De rechtbank zal echter geen rekening houden met de kosten voor cadeaus voor het Suikerfeest en de kosten voor de cadeaus voor de verjaardagen van de kinderen die door de man zijn opgevoerd. Naar het oordeel van de rechtbank zijn de kosten niet onderbouwd met betaalbewijzen, en zijn het bovendien kosten die moeten worden voldaan uit de vrije ruimte van de man. De rechtbank is van oordeel dat deze kosten niet vallen onder de noodzakelijke kosten van verzorging en opvoeding. Wel ziet de rechtbank aanleiding om rekening te houden met het zakgeld dat de man betaalt aan twee van zijn kinderen ter hoogte van € 10,= per week en de verblijfskosten voor [naam]. Deze kosten stelt de rechtbank op een bedrag ter hoogte van € 130,= per maand. De rechtbank zal in de berekening rekening houden met deze kosten op de wijze zoals ook door de advocaat van de man in haar berekening is gedaan.

De draagkracht van de man is dan volgens de formule € 663,= per maand.

Geen draagkrachtvergelijking

Aangezien de vrouw geen aandeel kan leveren in de kosten van [minderjarige] , blijft een draagkrachtvergelijking achterwege. De man heeft de draagkracht om in de volledige behoefte van [minderjarige] te voorzien.

Zorgkorting

Tussen partijen is in geschil of moet worden uitgegaan van een zorgkorting. Op dit moment is er geen contact tussen de man en [minderjarige] , maar ter zitting is gebleken dat de intentie van partijen is dat dit contact er wel gaat komen. Omdat de man en [minderjarige] elkaar al geruime tijd niet hebben gezien zal dit contact eerst moeten worden hersteld. Bij die stand van zaken ziet de rechtbank aanleiding uit te gaan van een zorgkorting van 5%.

De zorgkorting bedraagt, gelet op de behoefte van [minderjarige] , € 24,= per maand.

Het aandeel van de man wordt verminderd met dit bedrag, zodat de man als kinderbijdrage aan de vrouw dient te betalen € 466,= per maand.

Recht op partneralimentatie

De rechtbank stelt, onder verwijzing naar rechtsoverweging 3.17 voorop dat het Nederlandse recht moet worden toegepast bij de beoordeling van het verzoek tot vaststelling van een partnerbijdrage. De rechtbank gaat gelet daarop voorbij aan het standpunt van de man dat op grond van het Islamitische (huwelijks)recht de vrouw geen recht heeft op partneralimentatie, omdat dat niet het recht is dat op het verzoek van de vrouw wordt toegepast.

Behoefte van de vrouw

Gelet op het feit dat de vrouw geen enkel inkomen ontvangt, heeft zij in ieder geval behoefte aan het hierna becijferde bedrag dat de man aan draagkracht beschikbaar heeft voor partneralimentatie.

Draagkracht van de man in het kader van de partneralimentatie

Voor wat betreft het NBI van de man gaat de rechtbank uit van de gegevens zoals hiervoor onder 3.28 zijn weergegeven. De rechtbank houdt voorts rekening met de hiervoor becijferde kinderbijdrage, inclusief zorgkosten, van in totaal € 490,= per maand.

Op grond van voormelde financiële omstandigheden en rekening houdend met alle fiscale gevolgen acht de rechtbank bij de man de draagkracht aanwezig om, naast voormelde kosten van [minderjarige] , € 78,= netto per maand, oftewel € 124,= bruto per maand, te voldoen ten behoeve van de vrouw. Daarbij wordt het fiscale voordeel van de betaling van de bijdrage aan de vrouw geheel aan hem toegekend.

Ingangsdatum kinder- en partneralimentatie

De rechtbank ziet aanleiding de verplichting tot betaling van de kinder- en partnerbijdrage te doen ingaan op de datum van deze beschikking.

Conclusie

Gelet op het voorgaande zal de rechtbank met ingang van de datum van deze beschikking een door de man aan de vrouw te betalen kinderbijdrage vaststellen van € 466,= per maand en een door de man aan de vrouw te betalen partnerbijdrage vaststellen van € 124,= per maand. Dat brengt mee dat de verzoeken van de vrouw in zoverre worden toegewezen. Het meerdere wordt afgewezen.

Aanhechten van berekeningen

De rechtbank heeft berekeningen gemaakt. Exemplaren van deze berekeningen zijn als bijlage aan deze beschikking toegevoegd en maken daarvan deel uit.

4. De beslissing

De rechtbank:

bepaalt dat aan de vrouw wordt toevertrouwd de [minderjarige] , geboren op [geboortedag] 2022 te [woonplaats] ;

bepaalt dat de man bij uitsluiting gerechtigd is tot het gebruik van de echtelijke woning, gelegen aan [adres] , te [woonplaats] ;

bepaalt dat de door de man te betalen bijdrage voor de verzorging en opvoeding van genoemde minderjarige met ingang van de datum van deze beschikking wordt vastgesteld op € 466,= (vierhonderdzesenzestig euro) per maand, aan de vrouw voor de toekomst bij vooruitbetaling te voldoen;

bepaalt dat de door de man te betalen bijdrage voor het levensonderhoud van de vrouw met ingang van de datum van deze beschikking wordt vastgesteld op € 124,= (honderdvierentwintig euro) per maand, aan de vrouw voor de toekomst bij vooruitbetaling te voldoen;

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mr. Bollen, en, in tegenwoordigheid van mr. Reijerse, griffier, in het openbaar uitgesproken op 10 december 2025.

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. Reijerse

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl Sdu Nieuws Personen- en familierecht 2026/18
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?