RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Middelburg
Zaaknummers: C/02/440550 / JE RK 25-1789 ([minderjarige 1])
C/02/440556 / JE RK 25-1792 ([minderjarige 2])
Datum uitspraak: 24 november 2025
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaken van
de gecertificeerde instelling WILLIAM SCHRIKKER STICHTING JEUGDBESCHERMING & JEUGDRECLASSERING,
hierna te noemen: de GI,
gevestigd te Amsterdam,
over
[minderjarige 1] , geboren op [geboortedag 1] 2009 in [geboorteplaats 1] , [land] ,
hierna te noemen: [minderjarige 1] ,
[minderjarige 2] , geboren op [geboortedag 2] 2014 in [geboorteplaats 2] , [land] ,
hierna te noemen: [minderjarige 2] ,
De kinderrechter merkt als belanghebbende aan:
[moeder] ,
hierna te noemen: de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres.
1. Het verloop van de procedure
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
Inzake C/02/440550 / JE RK 25-1789:
- het verzoekschrift met bijlagen van 6 oktober 2025, ontvangen op 7 oktober 2025.
Inzake C/02/440556 / JE RK 25-1792:
- het verzoekschrift met bijlagen van 6 oktober 2025, ontvangen op 7 oktober 2025.
De mondelinge behandeling met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 24 november 2025. Daarbij waren aanwezig:
- de moeder, in het bijzijn van haar begeleidster mw. [naam] ;
- een vertegenwoordigster van de GI.
De kinderrechter heeft – met instemming van de aanwezigen op de mondelinge behandeling – bijzondere toestemming verleend aan de begeleidster van de moeder, te weten mw. [naam] , verbonden aan [zorg organisatie] , om als informant aanwezig te zijn bij de mondelinge behandeling. De kinderrechter is hiertoe overgegaan, omdat de GI een geruime tijd geen contact heeft gehad met de moeder. De begeleidster bezoekt de moeder regelmatig, is aanwezig tijdens de omgangsmomenten en is betrokken bij het Goed Genoeg Ouderschapsonderzoek. Dit maakt dat de kinderrechter enkele vragen aan de begeleidster heeft willen stellen.
De kinderrechter heeft [minderjarige 1] en [minderjarige 2] naar hun mening gevraagd door hen uit te nodigen voor een gesprek en hen in de gelegenheid te stellen een brief te schrijven aan de kinderrechter. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben geen gebruik gemaakt van deze mogelijkheden.
2. De feiten
De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .
Bij spoedbeslissing van 20 september 2024 zijn [minderjarige 1] en [minderjarige 2] voorlopig onder toezicht gesteld van de GI met ingang van 20 september 2024 en tot 4 oktober 2024. Bij dezelfde beschikking is een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 2] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder verleend met ingang van 20 september 2024 tot 4 oktober 2024, alsook een spoedmachtiging verleend om [minderjarige 1] te doen opnemen en te doen verblijven in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp met ingang van 20 september 2024 tot 4 oktober 2024. Het resterende deel van het verzoek is aangehouden.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 1 oktober 2024 [minderjarige 1] en [minderjarige 2] voorlopig onder toezicht gesteld met ingang van 4 oktober 2024 en tot 20 december 2024. Ook is bij die beschikking de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 2] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder verleend met ingang van 4 oktober 2024 tot 20 december 2024. Voor [minderjarige 1] is een machtiging verleend om hem te doen opnemen en te doen verblijven in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp met ingang van 4 oktober 2024 tot 20 december 2024.
Bij beschikking van deze rechtbank van 5 december 2024 zijn [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder toezicht gesteld van de GI met ingang van 5 december 2024 en tot 5 december 2025. Bij dezelfde beschikking is een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder verleend met ingang van 5 december 2024 en tot 5 september 2025.
Bij beschikking van deze rechtbank van 25 augustus 2025 is de machtiging verlengd [minderjarige 1] en [minderjarige 2] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder met ingang van 5 september 2025 en tot 5 december 2025.
[minderjarige 1] verblijft bij een woongroep van [zorginstelling 1] .
[minderjarige 2] verblijft bij het jongerenhuis van de [zorginstelling 2] .
3. De verzoeken
Inzake C/02/440550 / JE RK 25-1789:
De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] te verlengen voor de duur van een jaar. Ook verzoekt de GI de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder te verlengen voor de duur van een jaar. De GI verzoekt tot slot de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
Inzake C/02/440556 / JE RK 25-1792:
De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 2] te verlengen voor de duur van een jaar. Ook verzoekt de GI de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 2] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder te verlengen voor de duur van een jaar. De GI verzoekt tot slot de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
4. De standpunten
De GI licht toe dat er sinds een maand weer contact met de moeder is. Er is een geruime tijd geen contact geweest, aangezien de moeder daar niet voor open stond. De begeleidster van de moeder heeft in die periode wel contact met haar gehad. Daarnaast is [zorg organisatie] bezig met het in kaart brengen van de opvoedvaardigheden van de moeder in de vorm van een Goed Genoeg Ouderschapsonderzoek (GGO-onderzoek). Op basis van de uitkomsten van dit onderzoek zal de GI een perspectiefbesluit nemen en bezien wat er nog mogelijk is en op welke termijn. Het is de bedoeling dat de moeder en de minderjarigen zo snel mogelijk duidelijkheid krijgen over het opvoedperspectief. Er zijn ook gesprekken gevoerd over de (uitbreiding van de) omgangsmomenten met de moeder. De moeder heeft meermaals de mogelijkheid gekregen om onbegeleide omgang te hebben met [minderjarige 1] , maar ze staat er niet voor open om naar [plaats] te reizen. Het is ook geen optie dat [minderjarige 1] naar de moeder reist in verband met zijn schulden en een gebrek aan inkomen. De GI is verder met de woongroep van [minderjarige 2] in gesprek om afspraken te maken over onbegeleide omgang met de moeder. Het halen en brengen van [minderjarige 2] moet nog worden geregeld. In de toekomst kan de omgang wellicht weer bij de moeder thuis plaatsvinden. De GI licht voorts toe dat [minderjarige 1] sinds het laatste evaluatiemoment alle hulp op afstand houdt. Ook krijgt de GI wekelijks een terugkoppeling van de groep van [minderjarige 2] , maar hieruit blijkt niet dat [minderjarige 2] gepest wordt. Beide minderjarigen wonen op een goede plek. Tot slot heeft [minderjarige 1] begeleide omgang met de vader. Deze contactmomenten verlopen positief. [minderjarige 2] heeft geen contact met de vader.
De moeder verklaart dat zij zich niet kan vinden in het verzoek tot verlenging van de uithuisplaatsing van de minderjarigen. Ze wil dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] naar huis komen. De minderjarigen willen dit zelf ook. De moeder is het daarnaast niet eens met het feit dat de omgang nog niet bij haar thuis kan plaatsvinden. De meerderjarige zonen van de moeder komen ook niet meer bij haar thuis. Verder is de omgang met [minderjarige 1] en [minderjarige 2] van eenmaal per twee weken te weinig. Tot slot maakt de moeder zich zorgen om [minderjarige 2] , aangezien zij heeft aangegeven gepest te worden op de groep.
De begeleidster verklaart dat zij de moeder thuis bezoekt. Daarnaast is de begeleidster aanwezig tijdens de omgangsmomenten. Het GGO-onderzoek is sinds een aantal weken gestart. De contactmomenten hebben voorheen altijd in de thuissituatie van de moeder plaatsgevonden, maar dit is op een gegeven moment gestopt. Dit was onder andere omwille van de veiligheid, aangezien de meerderjarige broers van de minderjarigen ook aanwezig waren in de woning van de moeder. Daarom is de omgang verplaatst naar een neutrale locatie. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben nog wel contact met elkaar. [minderjarige 2] lijkt tijdens de omgangsmomenten overprikkeld te worden, aangezien het chaotisch kan zijn. Het is duidelijk dat alle gezinsleden veel van elkaar houden, maar het is lastig voor de moeder om regie te pakken en de minderjarigen structuur te bieden. Het is belangrijk dat er meer zicht komt op de thuissituatie van de moeder, maar er moeten voor een omgang bij de moeder thuis eerst nog afspraken worden gemaakt. Daarna kan het GGO-onderzoek binnen een half jaar zijn afgerond. Tot slot verklaart de begeleidster dat [minderjarige 1] deze week niet naar school is geweest.
5. De beoordeling
Internationale bevoegdheid en toepasselijk recht
De moeder heeft de Servische nationaliteit, waardoor deze zaak een internationaal
karakter heeft. Om die reden dient de rechtbank eerst de rechtsmacht en het toepasselijk recht te beoordelen. Nu de moeder en de minderjarigen in Nederland verblijven, is de Nederlandse rechter op grond van artikel 7, eerste lid, van de Verordening Brussel II-ter bevoegd kennis te nemen van het verzoek.
Nu de Nederlandse rechter bevoegd is om op het verzoek te beslissen, zal op grond
van artikel 15 van het Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996 het Nederlands recht op het
verzoek worden toegepast.
Wettelijk kader
Ingevolge het bepaalde in artikel 1:255 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de kinderrechter een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling wanneer die minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en:
de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd; en
de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247 lid 2 BW, in staat zijn te dragen.
Op grond van het bepaalde in artikel 1:260 BW kan de kinderrechter, mits aan de grond als bedoeld in artikel 1:255 lid 1 BW is voldaan, de duur van de ondertoezichtstelling telkens verlengen met ten hoogste een jaar.
Ingevolge artikel 1:265b lid 1 BW kan de kinderrechter de GI, die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling, op diens verzoek machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen, indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid.
Op grond van artikel 1:265c lid 2 BW kan de kinderrechter, mits aan de grond, bedoeld in artikel 1:265b lid 1 BW is voldaan, de duur van de machtiging uithuisplaatsing telkens verlengen met ten hoogste een jaar.
Inhoudelijke beoordeling
Op basis van de stukken en de mondelinge behandeling is de kinderrechter van oordeel dat is voldaan aan de wettelijke criteria genoemd in de artikelen 1:255 lid 1, 1:260, 1:265b lid 1 en 1:265c lid 2 van het Burgerlijk Wetboek (BW). Dit licht de kinderrechter als volgt toe.
De kinderrechter stelt allereerst vast dat de minderjarigen nog steeds ernstig in hun (met name sociaal-emotionele) ontwikkeling worden bedreigd. De doelen van de ondertoezichtstelling zijn ook nog niet behaald. De minderjarigen hebben een belast verleden en zijn opgegroeid in een instabiele en onveilige opvoedingsomgeving. Er is nog altijd te weinig zicht op de opvoedsituatie en -vaardigheden van de moeder en de omgangsmomenten verlopen wisselend. Het lukt de moeder tot op heden onvoldoende om [minderjarige 1] en [minderjarige 2] de kaders en structuur te bieden die zij nodig hebben. Ook is gebleken dat de minderjarigen niet toekomen aan hun eigen ontwikkeling in de thuissituatie van de moeder. Er is veel chaos in het gezin, onder andere doordat de oudere broers van de minderjarigen, tegen de wil van de moeder in, regelmatig in de woning van de moeder waren. Dit heeft meermaals gezorgd voor een onveilige en onrustige thuissituatie. De moeder is ook niet eerlijk over de aanwezigheid van de oudere broers. Daarnaast is het de kinderrechter gebleken dat het wisselend gaat met [minderjarige 1] . Hij is de afgelopen periode meermaals in aanraking gekomen met de politie. Zo is hij strafrechtelijk veroordeeld voor straatroof, hetgeen maakt dat jeugdreclassering bij hem is betrokken. Ook loopt hij vaak weg van de groep door uit het raam te klimmen en is hij moeilijk aan te sturen door de begeleiding. [minderjarige 1] heeft moeite met het accepteren van grenzen en kaders en het reguleren van zijn emoties. Hij houdt zich wisselend aan de voorwaarden van jeugdreclassering en de groepsafspraken. Ook lijkt hij momenteel alle hulp af te houden. Tot slot is het voor de minderjarigen nog altijd onduidelijk waar zij mogen opgroeien, hetgeen zorgt voor onrust.
De kinderrechter stelt voorts vast dat de betrokkenheid van de GI nog noodzakelijk is. Het is van belang dat het perspectief van de minderjarigen zo snel mogelijk wordt bepaald. De minderjarigen en de moeder hebben immers behoefte aan duidelijkheid over de (on)mogelijkheden tot thuisplaatsing en het contact. Middels het GGO-onderzoek zal zicht worden verkregen op de thuissituatie en opvoedvaardigheden van de moeder. De kinderrechter benadrukt dat het van belang is dat er (begeleide) omgangsmomenten in de thuissituatie van de moeder worden georganiseerd, zodat de moeder de gelegenheid worden geboden om te laten zien of zij in staat is om de minderjarigen een veilige en stabiele opvoedsituatie te bieden. Daarnaast blijft regievoering nodig zodat de belangen van de minderjarigen worden behartigd, houdt de GI toezicht op de voortgang van de hulpverleningstrajecten en kan de GI, indien nodig, andere vormen van hulpverlening inzetten.
De ondertoezichtstelling is, gelet op het voorgaande, nog steeds nodig. De kinderrechter verlengt daarom de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] voor de verzochte duur van een jaar.
Het is de kinderrechter voorts gebleken dat de minderjarigen behoefte hebben aan een opvoeder die voorspelbaar, gestructureerd en begrenzend is. De woongroep biedt [minderjarige 1] een veilige, gestructureerde en voorspelbare opvoedomgeving. Er zijn daar ook kaders, regels en afspraken waaraan hij zich moet houden. Het is voor [minderjarige 2] van belang dat zij kan blijven wonen in het jeugdhuis, nu zij daar structuur, bescherming, voorspelbaarheid en begrenzing krijgt. Er is daarnaast nog onvoldoende zicht op de thuissituatie en de opvoedvaardigheden van de moeder. Hierdoor is een terugplaatsing nog niet mogelijk. Zolang er geen duidelijkheid is over het perspectief van de minderjarigen, is het van belang dat hun huidige verblijf wordt gecontinueerd. De kinderrechter verlengt daarom de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] voor de duur van zes maanden, onder aanhouding van het resterende deel van het verzoek. Een termijn van zes maanden is passend, nu binnen deze periode duidelijk is wat de uitkomsten van het GGO-onderzoek zullen zijn. Daarna zal opnieuw een mondelinge behandeling plaatsvinden, zodat de huidige stand van zaken en de nog te zetten stappen kunnen worden besproken. De GI wordt verzocht om nader te rapporteren op de wijze die in het dictum is beschreven.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
Dit leidt tot de volgende beslissing.
6. De beslissing
De kinderrechter:
Inzake C/02/440550 / JE RK 25-1789:
verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] met ingang van 5 december 2025 en tot 5 december 2026;
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder met ingang van 5 december 2025 en tot 5 juni 2026;
Inzake C/02/440556 / JE RK 25-1792:
verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 2] met ingang van 5 december 2025 en tot 5 december 2026;
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 2] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder met ingang van 5 december 2025 en tot 5 juni 2026;
In beide zaken:
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
houdt de behandeling van het resterende deel van het verzoek tot verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder aan tot 1 mei 2026 PRO FORMA en verzoekt de GI om uiterlijk twee weken voor de nader te bepalen mondelinge behandeling een briefrapportage in te dienen bij de rechtbank over de recentelijke ontwikkelingen, met een afschrift daarvan aan de belanghebbenden;
behoudt zich iedere verdere beslissing voor.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 24 november 2025 door mr. L. Verschoor-Bergsma, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. C. Boomaars, griffier, en op schrift gesteld op 8 december 2025.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.