RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Middelburg
Zaaknummer: C/02/441222 / JE RK 25-1915
Datum uitspraak: 24 november 2025
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de gecertificeerde instelling STICHTING JEUGDBESCHERMING WEST ZEELAND,
hierna te noemen: de GI,
gevestigd te Middelburg,
over
[minderjarige] , geboren op [geboortedag] 2009 in [plaats 1] ,
hierna te noemen: [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[moeder] ,
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [plaats 1] ,
[vader] ,
hierna te noemen: de vader,
wonende in [plaats 2] .
1. Het verloop van de procedure
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen van 27 oktober 2025, ontvangen op 27 oktober 2025.
De mondelinge behandeling met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 24 november 2025. Daarbij was aanwezig:
- een vertegenwoordigster van de GI.
Hoewel behoorlijk opgeroepen, zijn niet verschenen:
de moeder;
de vader.
De kinderrechter heeft [minderjarige] naar zijn mening gevraagd door hem uit te nodigen voor een gesprek en hem in de gelegenheid te stellen een brief te schrijven aan de kinderrechter. [minderjarige] heeft geen gebruik gemaakt van deze mogelijkheden.
2. De feiten
De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
Bij beschikking van deze rechtbank van 5 maart 2019 is [minderjarige] onder toezicht gesteld van [jeugdhulpaanbieder] met ingang van 5 maart 2019 en tot 5 maart 2020. Deze maatregel is daarna steeds verlengd, voor het laatst tot 5 december 2025.
Bij beschikking van 5 maart 2019 is tevens een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder verleend met ingang van 5 maart 2019 en tot 5 maart 2020.
Bij beschikking van 10 september 2019 is een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg verleend met ingang van 10 september 2019 en tot 5 maart 2020. Deze machtiging is daarna steeds verlengd, voor het laatst tot 5 september 2022.
Bij beschikking van 12 augustus 2021 is de gecertificeerde instelling [jeugdhulpaanbieder] vervangen door de gecertificeerde instelling Stichting Jeugdbescherming west Zeeland als gecertificeerde instelling die belast is met de verdere uitvoering van de ondertoezichtstelling over [minderjarige] .
Bij beschikking van 20 april 2022 is aan de GI toestemming verleend tot wijziging van het verblijf van [minderjarige] naar de moeder.
Bij beschikking van 3 mei 2024 is een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg verleend met ingang van 3 mei 2024 en tot 5 september 2024.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 31 mei 2024 een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder verleend met ingang van 31 mei 2024 en tot 14 juni 2024. Deze machtiging is daarna steeds verlengd, voor het laatst tot 5 maart 2025 onder aanhouding van het resterende deel van het verzoek.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 26 februari 2025 het resterende deel van het verzoek afgewezen. [minderjarige] is daarna bij zijn moeder gaan wonen.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 1 juli 2025 een machtiging verleend [minderjarige] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder met ingang van 1 juli 2025 en tot 5 december 2025.
[minderjarige] verblijft op grond van de laatstgenoemde machtiging bij een woongroep van [zorginstelling 1] .
3. Het verzoek
De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] te verlengen voor de duur van een jaar. Ook verzoekt de GI de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder te verlengen voor de duur van de ondertoezichtstelling. De GI verzoekt tot slot de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
4. De standpunten
De GI licht toe dat [minderjarige] onder bepaalde voorwaarden bij [zorginstelling 1] mag blijven, waaronder het hebben van een daginvulling voor vierentwintig uur per week en het volgen van een ambulant behandeltraject. Voorheen lag [minderjarige] de hele dag in bed, wilde hij nergens aan meedoen en zocht hij conflicten op. [minderjarige] wil graag bij [zorginstelling 1] blijven en heeft zich na een stevig gesprek herpakt. Daarnaast heeft hij twee intakegesprekken gehad bij [zorginstelling 2] . Op 4 december zal duidelijk worden wat [zorginstelling 2] passend acht qua behandeling voor de depressieve klachten van [minderjarige] . De GI vindt een langdurig behandeltraject passend, zoals PEL of Yes We Can, maar [minderjarige] is hier niet voor gemotiveerd. Het is wel van belang dat hij een behandeltraject gaat volgen, aangezien [minderjarige] bijna achttien is en nog bepaalde vaardigheden moet aanleren, zoals het omgaan met tegenslagen. De GI zal zich de komende periode richten op het creëren van een vangnet voor [minderjarige] voor na zijn achttiende verjaardag, bijvoorbeeld in de vorm van begeleid wonen, mentorschap of curatele. Ook moet hij de komende periode weer naar school gaan. Er moeten nog veel stappen worden gezet. De ouders van [minderjarige] trekken hun handen van hem af en er is sprake van een verstoorde verstandhouding. Als [minderjarige] iets niet wil, dan doet hij het niet. Hij manipuleert en zorgt voor onveilige situaties. Dit heeft de moeder op een gegeven moment ook ingezien, hetgeen de samenwerking tussen de GI en de moeder heeft verbeterd. De ouders werken mee. [minderjarige] heeft telefonisch contact met de ouders. Een terugplaatsing bij een van de ouders is echter niet meer mogelijk. [minderjarige] heeft veel wisselingen van verblijfplaats meegemaakt en het is niet in zijn belang om hem wederom over te plaatsen. De huidige groep van [zorginstelling 1] is momenteel het meest passend.
5. De beoordeling
Wettelijk kader
Ingevolge het bepaalde in artikel 1:255 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de kinderrechter een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling wanneer die minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en:
de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd; en
de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247 lid 2 BW, in staat zijn te dragen.
Op grond van het bepaalde in artikel 1:260 BW kan de kinderrechter, mits aan de grond als bedoeld in artikel 1:255 lid 1 BW is voldaan, de duur van de ondertoezichtstelling telkens verlengen met ten hoogste een jaar.
Ingevolge artikel 1:265b lid 1 BW kan de kinderrechter de GI, die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling, op diens verzoek machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen, indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid.
Op grond van artikel 1:265c lid 2 BW kan de kinderrechter, mits aan de grond, bedoeld in artikel 1:265b lid 1 BW is voldaan, de duur van de machtiging uithuisplaatsing telkens verlengen met ten hoogste een jaar.
Inhoudelijke beoordeling
Op basis van de stukken en de mondelinge behandeling is de kinderrechter van oordeel dat is voldaan aan de wettelijke criteria genoemd in de artikelen 1:255 lid 1, 1:260, 1:265b lid 1 en 1:265c lid 2 van het Burgerlijk Wetboek (BW). Dit licht de kinderrechter als volgt toe.
De kinderrechter stelt allereerst vast dat [minderjarige] nog steeds ernstig in zijn ontwikkeling wordt bedreigd. De doelen van de ondertoezichtstelling zijn nog niet behaald. Er zijn zorgen over zijn stemming, motivatie en gedrag. Zo heeft [minderjarige] op de groep grensoverschrijdend gedrag laten zien en bedreigt hij anderen. Ook loopt hij veelvuldig weg, gaat hij al een jaar niet naar school en heeft hij een lange periode geen dagbesteding gehad. Verder ligt hij veel in bed, eet hij weinig en maakt hij weinig contact met de groepsleiding en groepsgenoten. Tevens is het de kinderrechter gebleken dat er bij hem sprake is (geweest) van automutilatie, veelvuldig alcoholgebruik en paranoïde gedachtes. Ook is [minderjarige] door de politie verhoord in verband met een verdenking van betrokkenheid bij het slaan van een jongen en is zijn inzet voor behandeling en samenwerking beperkt. Gelet op de voornoemde zorgen is zijn plaatsing bij [zorginstelling 1] in gevaar gekomen. Daarnaast is het de kinderrechter gebleken dat er sprake is van een verstoorde oudercommunicatie. Ook kampen beide ouders met persoonlijke problematiek, hetgeen maakt dat er weinig ruimte is voor emotionele verbinding met [minderjarige] . De betrokkenheid van de GI als regievoerder is nog steeds noodzakelijk, zodat de belangen van [minderjarige] worden behartigd. [minderjarige] is bijna achttien jaar en er moet nog veel worden geregeld, zoals het creëren van een vangnet, bijvoorbeeld in de vorm van begeleid wonen, mentorschap of curatele, en het toewerken naar zelfstandigheid. De GI dient de komende periode te onderzoeken wat [minderjarige] hiervoor nodig heeft en daarin stappen te zetten. De kinderrechter benadrukt dat het belangrijk is dat [minderjarige] , gelet op zijn kindeigen-problematiek, een intensieve behandeling ondergaat, zoals bijvoorbeeld een traject bij [zorginstelling 2] . De GI kan dit hulpverleningstraject monitoren en, indien nodig, andere trajecten inzetten.
De ondertoezichtstelling is, gelet op het voorgaande, nog steeds nodig. De kinderrechter verlengt daarom de ondertoezichtstelling van [minderjarige] voor de verzochte duur van een jaar.
De kinderrechter stelt daarnaast vast dat het perspectief van [minderjarige] niet meer bij (een van) de ouders ligt. [minderjarige] heeft baat bij structuur en stabiliteit, hetgeen de ouders onvoldoende kunnen bieden. Een terugplaatsing van [minderjarige] is daarom geen mogelijkheid. De plaatsing van [minderjarige] op de groep van [zorginstelling 1] dient te worden gecontinueerd, nu hij hier de nodige structuur en stabiliteit ervaart. Ook wil [minderjarige] graag bij [zorginstelling 1] blijven, hetgeen maakt dat hij gemotiveerd lijkt te zijn om zich aan de door [zorginstelling 1] gestelde voorwaarden te houden. De kinderrechter verlengt daarom de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder voor de verzochte duur van een jaar.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
Dit leidt tot de volgende beslissing.
6. De beslissing
De kinderrechter:
verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] met ingang van 5 december 2025 en tot 5 december 2026;
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder met ingang van 5 december 2025 en tot 5 december 2026;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 24 november 2025 door mr. L. Verschoor-Bergsma, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. C. Boomaars, griffier, en op schrift gesteld op 8 december 2025.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.