ECLI:NL:RBZWB:2025:8845

ECLI:NL:RBZWB:2025:8845, Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 24-11-2025, C/02/441425 / JE RK 25-1951

Instantie Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak 24-11-2025
Datum publicatie 02-01-2026
Zaaknummer C/02/441425 / JE RK 25-1951
Rechtsgebied Civiel recht; Personen- en familierecht
Procedure Rekestprocedure
Zittingsplaats Middelburg

Samenvatting

Beschikking over een verlenging ondertoezichtstelling en een machtiging tot uithuisplaatsing. Geen bijzonderheden. Verzoeken toegewezen tot 24 november 2026. Resterende deel van het verzoek verlenging ondertoezichtstelling afgewezen, zodat de machtiging uithuisplaatsing en de ondertoezichtstelling gelijk blijven lopen.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht

Locatie Middelburg

Zaaknummer: C/02/441425 / JE RK 25-1951

Datum uitspraak: 24 november 2025

Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling en een machtiging tot uithuisplaatsing

in de zaak van

de gecertificeerde instelling STICHTING JEUGDBESCHERMING WEST ZEELAND,

hierna te noemen: de GI,

gevestigd te Middelburg,

over

[minderjarige 1] , geboren op [geboortedag 1] 2023 in [plaats] ,

hierna te noemen: [minderjarige 1] ,

[minderjarige 2] , geboren op [geboortedag 2] 2020 in [plaats] ,

hierna te noemen: [minderjarige 2] .

De kinderrechter merkt als belanghebbende aan:

[de moeder] ,

hierna te noemen: de moeder,

ingeschreven op een bij de rechtbank bekend adres, maar thans zonder vaste woon of verblijfplaats in Nederland.

1. Het verloop van de procedure

De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:

- het verzoekschrift met bijlagen van 30 oktober 2025, ontvangen op 30 oktober 2025.

De mondelinge behandeling met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 24 november 2025. Daarbij was aanwezig:

- een vertegenwoordigster van de GI.

Hoewel behoorlijk opgeroepen op het bekende BRP-adres, is de moeder niet verschenen.

2. De feiten

De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .

[minderjarige 1] en [minderjarige 2] verblijven in een gezinshuis.

Bij beschikking van deze rechtbank van 20 december 2024 zijn [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder toezicht gesteld van de GI met ingang van 20 december 2024 en tot 20 december 2025. Bij dezelfde beschikking is tevens een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in een voorziening voor pleegzorg verleend met ingang van 20 december 2024 en tot 20 juni 2025.

Bij (spoed)beschikking van deze rechtbank van 13 mei 2025 is een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in een voorziening voor pleegzorg verleend met ingang van 13 mei 2025 en tot 27 mei 2025. Het resterende deel van het verzoek is aangehouden.

Bij beschikking van deze rechtbank van 26 mei 2025 is een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in een voorziening voor pleegzorg verleend met ingang van 27 mei 2025 en tot 20 december 2025.

3. Het verzoek

De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] te verlengen voor de duur van een jaar. Ook verzoekt de GI een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in een gezinsgerichte voorziening te verlenen voor de duur van een jaar. De GI verzoekt tot slot de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

4. De standpunten

De GI licht toe dat de situatie van de moeder onstabiel is, aangezien ze geen vaste verblijfplek en inkomen heeft. Ze kon niet bij de opvang van het Leger des Heils blijven, omdat ze niet voldeed aan de voorwaarden. De moeder lijkt niet heel gemotiveerd om een woning te vinden. De minderjarigen ontwikkelen zich goed en zitten op hun plek in het gezinshuis. Er zijn echter nog wel zorgen over het gedrag van de minderjarigen na een omgangsmoment met de moeder. Ook de bezoeken zelf verlopen onrustig. Er is geen vaste omgangsplek, dus meestal vindt de omgang in een lunchroom plaats. De moeder is moeilijk stuurbaar en doet belastende uitspraken richting de minderjarigen, zoals dat ze een huis heeft gevonden en dat [minderjarige 2] weer bij de moeder kan komen wonen. Dit veroorzaakt veel onrust bij [minderjarige 2] . De moeder lijkt ook weinig inzicht te hebben in haar eigen problematiek en zegt de afspraken met de hulpverlening regelmatig af. De komende periode moet worden onderzocht of de minderjarigen nog terug kunnen naar de moeder en wat hiervoor nodig is. Het gezinshuis is perspectief biedend en de minderjarigen gaan een hechtingsrelatie aan met de gezinshuisouders. Het contact tussen het gezinshuis en de moeder is ook goed en de moeder is altijd aanwezig op de omgangsmomenten. De komende periode zal daarom ook aandacht worden besteed aan het vormgeven van een goede omgangsregeling tussen de moeder en de minderjarigen. Voorts hebben de minderjarigen eenmaal per week een kort belmoment met hun halfbroer. Tot slot zal de GI de komende periode onderzoeken of de minderjarigen baat hebben bij een vorm van (trauma)behandeling, zoals speltherapie of Slapende Honden.

5. De beoordeling

Wettelijk kader

Ingevolge het bepaalde in artikel 1:255 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de kinderrechter een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling wanneer die minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en:

de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd; en

de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247 lid 2 BW, in staat zijn te dragen.

Op grond van het bepaalde in artikel 1:260 BW kan de kinderrechter, mits aan de grond als bedoeld in artikel 1:255 lid 1 BW is voldaan, de duur van de ondertoezichtstelling telkens verlengen met ten hoogste een jaar.

Ingevolge artikel 1:265b lid 1 BW kan de kinderrechter de GI, die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling, op diens verzoek machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen, indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid.

Inhoudelijke beoordeling

Op basis van de stukken en de mondelinge behandeling is de kinderrechter van oordeel dat is voldaan aan de wettelijke criteria genoemd in de artikelen 1:255 lid 1, 1:260 en 1:265b lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW). Dit licht de kinderrechter als volgt toe.

De kinderrechter stelt allereerst vast dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] nog steeds ernstig in hun ontwikkeling worden bedreigd. De minderjarigen hebben een belast verleden. Zo zijn ze in een korte tijd veelvuldig overgeplaatst en blootgesteld aan huiselijk geweld en aan de onrust rondom hun halfbroer. Daarnaast waren er in een eerder crisispleeggezin signalen van kindermishandeling en inadequaat opvoedgedrag. Het is nog onduidelijk wat de minderjarigen verder hebben meegemaakt in hun jonge leven, maar er zijn vermoedens dat er bij hen sprake is van trauma- en hechtingsproblematiek. De minderjarigen laten na een omgangsmoment met de moeder veel onrust zien en de moeder doet belastende uitspraken. Ook zijn er zorgen over de onstabiele opvoedomgeving van de moeder. De moeder heeft geen vaste verblijfplaats en inkomen en er zijn zorgen over of zij in staat is om de minderjarigen een langdurig veilige en voorspelbare opvoedsituatie te bieden, gelet op de kringen waarin zij zich bevindt. Tot slot worden de minderjarigen in hun identiteitsontwikkeling bedreigd, nu zij geen contact hebben met hun vaders. De betrokkenheid van de GI is nog langer noodzakelijk, zodat de GI de komende periode een perspectiefbesluit kan nemen. Het is van belang dat wordt onderzocht wat nodig is om de ontwikkeling van de minderjarigen blijvend veilig te stellen en of de moeder daaraan kan voldoen. De GI kan tot slot de hulpverlening coördineren, de voortgang daarvan monitoren en, indien nodig, andere hulpverleningstrajecten inzetten.

De ondertoezichtstelling is, gelet op het voorgaande, nog steeds nodig. De kinderrechter verlengt daarom de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] tot 24 november 2026, om de termijn gelijk te trekken met de hierna te noemen termijn voor de machtiging tot uithuisplaatsing. Het overige zal worden afgewezen.

De kinderrechter stelt daarnaast vast dat het goed gaat met de minderjarigen in het gezinshuis. Het gezinshuis kan voldoen aan de opvoedbehoeften van de minderjarigen. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] gaan ook een hechtingsrelatie aan met de gezinshuisouders, het contact tussen het gezinshuis en de moeder is goed en de plaatsing binnen het gezinshuis is perspectief biedend. Er zijn nog te veel zorgen over de situatie van de moeder, hetgeen maakt dat dat een thuisplaatsing nog niet mogelijk is. Er dient eerst zicht te worden verkregen op de opvoedsituatie en -vaardigheden van de moeder. Tot het perspectief van de minderjarigen is bepaald, is het van belang dat de minderjarigen in het gezinshuis kunnen blijven. De kinderrechter zal daarom een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in een gezinsgerichte voorziening verlenen voor de duur van een jaar, te weten tot 24 november 2026.

De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

Dit leidt tot de volgende beslissing.

6. De beslissing

De kinderrechter:

verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] met ingang van 20 december 2025 en tot 24 november 2026;

verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in een gezinsgerichte voorziening met ingang van 24 november 2025 en tot 24 november 2026;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 24 november 2025 door mr. L. Verschoor-Bergsma, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. C. Boomaars, griffier, en op schrift gesteld op 8 december 2025.

!NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR HANDTEKENING SECRETARIS!

!NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR HANDTEKENING RECHTER!

!NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR STEMPELS!

Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:

degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;

andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. C. Boomaars

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?