beschikking
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team Familie- en Jeugdrecht
Zittingsplaats: Middelburg
Zaaknummer: C/02/423428 / FA RK 24-2699
Datum uitspraak: 24 oktober 2025
Beschikking betreffende vaststellen hoofdverblijf en zorgregeling
in de zaak van
[de vrouw] ,
hierna te noemen: de vrouw,
verblijvende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. M. Kalle te Middelburg,
tegen
[de man] ,
hierna te noemen: de man,
wonende in [woonplaats] ,
advocaat: mr. A.A. Broekman-de Feijter te Terneuzen,
over de minderjarige:
- [minderjarige], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2023, hierna te noemen: [minderjarige] .
Op grond van artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering heeft de Raad voor de Kinderbescherming, regio Zeeland-West-Brabant, locatie Middelburg
hierna: de Raad, de rechtbank over het verzoek geadviseerd.
Als informant is in de procedure betrokken:
de gecertificeerde instelling STICHTING LEGER DES HEILS JEUGDBESCHERMING & RECLASSERING,
hierna te noemen: de GI,
gevestigd te [locatie] .
1. Het procesverloop
Dit blijkt uit de volgende stukken:
het op 10 juni 2024 ontvangen verzoekschrift met bijlagen;
het op 21 juni 2024 ontvangen F9-formulier van mr. Kalle met bijlage;
het op 19 juli 2024 ontvangen F9-formulier van mr. Kalle met bijlage;
het op 11 oktober 2024 ontvangen rapport van de Raad met bijlagen;
het op 17 oktober 2024 ontvangen F9-formulier van mr. Broekman-de Feijter met bijlage;
het op 4 februari 2025 ontvangen verweerschrift, tevens inhoudende een zelfstandig verzoek, met bijlagen;
het verkort proces-verbaal van de mondelinge behandeling op 11 februari 2025;
het op 26 februari 2025 ontvangen bericht van de GI met bijlagen;
het op 6 maart 2025 ontvangen F9-formulier van mr. Broekman-de Feijter;
het op 19 maart 2025 ontvangen rapport van de Raad met bijlagen;
het op 4 juni 2025 ontvangen F9-formulier van mr. Broekman-de Feijter;
het op 20 augustus 2025 ontvangen F9-formulier van mr. Kalle;
het op 13 oktober 2025 ontvangen F9-formulier van mr. Kalle met bijlage, inhoudende een aanvullend verzoekschrift.
De verzoeken zijn mondeling behandeld op 24 oktober 2025. Bij die behandeling zijn verschenen partijen met hun advocaten en twee Syrische tolken. Ook waren aanwezig een vertegenwoordigster van de Raad en een vertegenwoordigster van de GI.
Deze zaak is, gelet op de nauwe samenhang, gelijktijdig behandeld met het verzoek van de GI in de zaak met kenmerk C/02/439977 JE RK 25-1693. In die zaak is bij aparte beschikking beslist.
2. De feiten
Partijen hebben een affectieve relatie gehad, uit welke relatie [minderjarige] is geboren.
[minderjarige] is bij beschikking betreffende provisionele voorziening van 17 juli 2024 voorlopig toevertrouwd aan de man.
De man heeft [minderjarige] erkend.
Partijen hebben samen het gezag over [minderjarige] .
Bij beschikking betreffende provisionele voorziening van 17 juli 2024 is bepaald dat [minderjarige] en de vrouw voorlopig gerechtigd zijn tot begeleid contact met elkaar éénmaal per twee weken gedurende drie uur, waarbij geldt dat deze regeling als minimale regeling geldt en dat zo spoedig mogelijk door partijen en in overleg met de betrokken hulpverlening gezocht wordt naar mogelijkheden om tot uitbreiding van deze regeling te komen. Ook heeft de rechtbank de Raad verzocht een onderzoek in te stellen en daarover te rapporteren en adviseren in de bodemprocedure van partijen.
Bij beschikking van deze rechtbank van 7 november 2024 is [minderjarige] onder toezicht gesteld van de GI met ingang van 7 november 2024 en tot 7 november 2025.
De vrouw heeft de Syrische nationaliteit. Naar de rechtbank begrijpt heeft de man de Syrische en de Nederlandse nationaliteit. [minderjarige] heeft de Nederlandse nationaliteit.
3. De verzoeken
De vrouw verzoekt, uitvoerbaar bij voorraad:
primair te bepalen dat [minderjarige] zijn hoofdverblijf heeft bij de moeder en een zorgregeling vast te stellen tussen [minderjarige] en de vader;
dan wel een zorgregeling vast te stellen, inhoudende dat [minderjarige] drie weken bij de vader verblijft en aansluitend een week bij de moeder;
meer subsidiair een zorgregeling vast te stellen, waarbij de moeder gedurende drie dagen in de maand de zorg heeft over [minderjarige] ;
en daarbij te bepalen dat [minderjarige] door de vader naar de moeder wordt gebracht en door de vader wordt opgehaald, dan wel dat de moeder een keer per maand [minderjarige] naar het station in [locatie] brengt en de vader hem aldaar ophaalt;
dan wel een regeling te treffen die de rechtbank juist acht.
De vrouw verzoekt aanvullend, uitvoerbaar bij voorraad:
te bepalen dat er een gewijzigde voorlopige zorgregeling geldt, waarbij [minderjarige] ieder weekend van vrijdag 17:00 uur tot zondag 18:00 uur bij de moeder verblijft, en dat de vader [minderjarige] naar het station [locatie] brengt en de moeder [minderjarige] naar het station terugbrengt;
dan wel te bepalen dat het voornoemde eens per twee weken geldt.
De man voert verweer tegen de verzoeken van de vrouw en verzoekt deze verzoeken af te wijzen.
Bij wijze van zelfstandig verzoek verzoekt de man, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
het hoofdverblijf van [minderjarige] bij de man te bepalen;
te bepalen dat onder begeleiding van [zorgorganisatie] contactmomenten zullen plaatsvinden tussen [minderjarige] en de vrouw, althans een door de rechtbank in redelijkheid te bepalen zorgregeling vast te stellen.
Op de standpunten van partijen wordt, voor zover nodig om de verzoeken te beoordelen, hierna ingegaan.
4. De beoordeling
Wettelijk kader
Uit artikel 1:253a lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) volgt dat, in het geval van gezamenlijke uitoefening van het gezag, geschillen hieromtrent op verzoek van (een van) de ouders aan de rechtbank kunnen worden voorgelegd. De rechtbank moet een beslissing nemen die zij het meest in het belang vindt van het kind.
In lid 2 van artikel 1:253a BW is bepaald dat de rechtbank, eveneens op verzoek van (een van) de ouders, een regeling kan vaststellen inzake de uitoefening van het ouderlijk gezag. Deze regeling kan, voor zover in deze procedure van belang, onder andere omvatten:
a. een toedeling aan ieder van de ouders van de zorg- en opvoedingstaken;
b. de beslissing bij welke ouder het kind zijn hoofdverblijfplaats heeft.
De rechtbank moet ten aanzien van de verzoeken eerst bekijken of de ouders met elkaar afspraken kunnen maken (artikel 1:253a lid 5 BW). Echter, tijdens de mondelinge behandeling is gebleken dat partijen niet nader tot elkaar kunnen komen.
De inhoudelijke beoordeling
De rechtbank verwijst naar haar beschikking betreffende provisionele voorziening van 17 juli 2024, waarbij in rechtsoverweging 4.2.7. de Raad werd verzocht om met spoed een onderzoek ten behoeve van de bodemprocedure van partijen in te stellen ter beantwoording van de hieronder vermelde vragen, alsmede het rapport met bijbehorend advies in te brengen in de bodemprocedure van partijen.
- Welke hoofdverblijfplaats komt het meest tegemoet aan de belangen van [minderjarige] ?
- Welke verdeling van de zorg- en opvoedingstaken door de ouders komt het meest tegemoet aan de belangen van [minderjarige] ?
- Welke andere feiten en/of omstandigheden zijn niet in voorgaande vragen aan de orde gesteld maar zijn wel van belang om te vermelden?
In het raadsrapport van 10 oktober 2024 heeft de Raad het volgende advies gegeven. Er is een periode geen contact geweest tussen de vrouw en [minderjarige] . Momenteel is er sprake van een minimale zorgregeling en het lukt de ouders niet om, ondanks de inzet van hulpverlening, de zorgregeling uit te breiden. Er zijn daarom zorgen over de hechting en de identiteitsontwikkeling van [minderjarige] . Daarnaast maakt de Raad zich zorgen over het gebrek aan vertrouwen tussen de ouders, het feit dat er nog onvoldoende zicht is op de opvoedvaardigheden en -situatie van de ouders en het feit dat er een mogelijke dreiging van eergeregelateerd geweld bestaat. Uit het raadsonderzoek zijn geen ernstige zorgen naar voren gekomen over de veiligheid van [minderjarige] bij de man, met als gevolg dat de Raad een vaststelling van de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] bij de man in het belang van [minderjarige] acht. Tot slot vindt de Raad het in het belang van [minderjarige] om een definitieve beslissing ten aanzien van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken aan te houden, zulks in afwachting van het verloop van de ondertoezichtstelling, aangezien de hulpverlening nog moet worden ingezet. Er dient wel zo snel mogelijk te worden gestart met contactopbouw tussen de vrouw en [minderjarige] .
Bij bericht van 10 maart 2025 heeft de Raad het voornoemde advies gewijzigd. De zorgen zijn alleen maar groter geworden, gelet op het feit dat [minderjarige] de vrouw sinds december 2024 niet meer heeft gezien en [minderjarige] daardoor onvoldoende een hechtingsrelatie met de vrouw kon opbouwen. Daarnaast maakt de Raad zich zorgen over de (moeizame) samenwerking tussen de GI en de man. De man houdt zich niet aan de informatieregeling en heeft geagiteerd gereageerd op de jeugdbeschermer. Ook maakt de Raad zich zorgen over de houding van de man richting de vrouw en de gevolgen daarvan voor de hechtingsrelatie van [minderjarige] met de vrouw. Zo geeft de man aan dat hij de afstand tot de omgangslocatie te ver vindt. Het voorgaande maakt dat de Raad haar advies ten aanzien van het definitief bepalen van de hoofdverblijfplaats wijzigt en het op dit moment passend acht om deze beslissing aan te houden in afwachting van de resultaten binnen de ondertoezichtstelling. Er dient eerst meer zicht te komen op de situatie van beide ouders, hun medewerking en motivatie. Tot slot adviseert de Raad (nog steeds) dat de definitieve beslissing omtrent de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken tussen de ouders moet worden aangehouden, in afwachting van de resultaten binnen de ondertoezichtstelling.
Namens de Raad is tijdens de mondelinge behandeling verklaard dat de huidige voorlopige zorgregeling, waarbij er sprake is van een begeleide omgang van eenmaal per twee weken voor de duur van drie uur, te weinig is. De Raad vraagt zich af of er op de korte termijn mogelijkheden zijn om de omgang uit te breiden, bijvoorbeeld door de inzet van een omgangshuis.
Door en namens de vrouw is tijdens de mondelinge behandeling, samengevat, naar voren gebracht dat het goed gaat met [minderjarige] . De vrouw heeft om de twee weken voor de duur van drie uur omgang met hem. Dit gaat goed. Ze zou graag vaker omgang willen hebben met [minderjarige] . Daarnaast geeft de hulpverlening van de vrouw aan dat de situatie van de vrouw voldoende veilig is op dit moment. De advocaat begrijpt dat het aanvullende verzoek van de vrouw nu nog een stap te ver is. Het is daarentegen wel belangrijk dat wordt bezien hoe de omgangsregeling tussen de vrouw en [minderjarige] kan worden uitgebreid, aangezien de huidige omgangsregeling te weinig is voor het bewerkstelligen van een veilige hechting. De GI dient hier de komende periode concrete stappen in te zetten. Er moet een vrijer en normaler contact bewerkstelligd worden. Ook mag van de man worden verwacht dat hij af en toe reist voor de omgangsmomenten, welke wellicht ook op een andere locatie kunnen plaatsvinden. Er zijn voorts zorgen over de thuissituatie van de man, aangezien hij [minderjarige] onvoldoende kan begrenzen. Het is van belang dat er binnen de ondertoezichtstelling meer zicht komt op de opvoedomgeving van [minderjarige] en dat de omgangsregeling tussen de vrouw en [minderjarige] spoedig wordt uitgebreid. De vrouw maakt zich tot slot ook zorgen over de veiligheid van de man.
Door en namens de man is tijdens de mondelinge behandeling, samengevat, het volgende verklaard. Het gaat goed met [minderjarige] . De man geeft daarnaast aan dat hij zal meewerken aan de (uitbreiding van de) omgangsregeling als dit door de rechtbank wordt vastgesteld, mits dit voldoende veilig is. De GI dient hiernaar te kijken. Het is voor de man, financieel en praktisch gezien, ook lastig om te reizen voor de omgangsmomenten. De man onderschrijft de genoemde zorgen en acht het noodzakelijk dat de GI als regievoerder betrokken blijft. Tot slot merkt de advocaat op dat het aanvullende verzoek dat is ingediend namens de vrouw te vergaand is.
Door de GI is tijdens de mondelinge behandeling toegelicht dat er nog steeds zorgen zijn over [minderjarige] . Het is voor de vader lastig om [minderjarige] sturing en grenzen te bieden, hetgeen ervoor zorgt dat [minderjarige] niet goed luistert en grenzeloos is. Daarnaast licht de GI toe dat de omgang tussen de moeder en [minderjarige] goed verloopt, maar dat hetzelfde grenzeloze gedrag van [minderjarige] wordt waargenomen. Beide ouders lijken op dit moment onvoldoende in staat om [minderjarige] de sturing te bieden die hij nodig heeft. De GI is voornemens om [minderjarige] naar een kinderdagverblijf te laten gaan, zodat hij op deze wijze structuur krijgt en de vader op die dagen kan werken. Verder heeft de GI zorgen over de uitbreiding van de omgangsregeling. De vader werkt momenteel mee aan de omgangsmomenten tussen de moeder en [minderjarige] in [woonplaats] , maar staat niet open voor omgang op een andere locatie. De vader kan [minderjarige] immers onvoldoende sturen tijdens de (trein)reis naar de omgangslocatie. Dit maakt dat de moeder voor de omgangsmomenten steeds een lange reis moet maken naar [woonplaats] . Er is momenteel sprake van structureel contact tussen de moeder en [minderjarige] , maar dit is, gelet op zijn jonge leeftijd, nog te weinig. Het is voor de GI echter lastig om in te schatten of een uitbreiding van de omgang voldoende veilig is voor de moeder en [minderjarige] , gelet op het hoge risico op eergeregelateerd geweld vanuit het netwerk van de moeder. Dit dient nog zorgvuldig onderzocht te worden door gesprekken te voeren met Saeda, Moveira en de politie. Moveira heeft aangegeven dat zij zich zorgen maken over de reisbewegingen van de moeder naar [woonplaats] , maar er zijn nog geen concrete zorgen gedeeld met de GI. Voorts verklaart de GI dat de politie heeft aangegeven dat de strafzaak tegen de vader geen betrekking heeft op minderjarigen en dat [minderjarige] voldoende veilig is bij de vader. De GI is ook niet bezorgd dat de vader een lange gevangenisstraf krijgt. De GI is voornemens om extra hulpverlening van Saeda in te zetten in de thuissituatie van de vader, zodat de vader meer ondersteund wordt en er ook aandacht kan zijn voor de omgang met [minderjarige] . Moveira heeft ook aangegeven dat de moeder ondersteund kan worden om stappen te zetten in het begrenzen van [minderjarige] .
De rechtbank overweegt als volgt. De ondertoezichtstelling van [minderjarige] is bij beschikking van heden verlengd voor de duur van een jaar, nu er nog steeds zorgen zijn over de ontwikkeling van [minderjarige] . Door de GI is tijdens de mondelinge behandeling toegelicht dat zij de komende periode, zo spoedig mogelijk, met de betrokken hulpverleningsinstanties aan de slag gaat met het onderzoeken van de mogelijkheden tot een veilige uitbreiding van de zorgregeling tussen de vrouw en [minderjarige] . Ook zal er voor de man een tweede ambulante hulpverlener worden ingezet, zodat hij ondersteund kan worden bij het aanbieden van structuur en grenzen. De betrokken hulpverlener van de vrouw is bereid om de vrouw te ondersteunen bij het aanbieden van structuur en grenzen. Zo zal er de komende periode meer zicht worden verkregen op de opvoedsituaties van [minderjarige] bij beide ouders en op wat de ouders nodig hebben om de opvoeding van [minderjarige] te kunnen dragen.
De rechtbank ziet, gelet hierop, aanleiding om de beslissing op de onderliggende verzoeken betreffende het bepalen van de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] en de definitieve verdeling van de zorg- en opvoedtaken tussen de vrouw en [minderjarige] aan te houden in afwachting van het verdere verloop en de resultaten van de ondertoezichtstelling en de hulpverlening binnen dat kader. De rechtbank ziet daarnaast aanleiding om de voorlopige zorgregeling tussen de vrouw en [minderjarige] te wijzigen, zoals bepaald in de beschikking van deze rechtbank van 17 juli 2024, en bepaalt dat de regie met betrekking tot de voorlopige zorgregeling voortaan bij de GI ligt, waarbij geldt dat de huidige zorgregeling zo spoedig mogelijk moet worden uitgebreid. Het is immers in het belang van [minderjarige] dat hij, gelet op zijn jonge leeftijd, een stabiel en frequent contact heeft met beide ouders. Daarbij neemt de rechtbank tevens in overweging dat er geen contra-indicaties zijn voor uitbreiding van de huidige regeling, nu de omgangsmomenten goed verlopen. Het uitblijven van de uitbreiding van de zorgregeling heeft enkel te maken met de veiligheid van de vrouw in verband met de dreiging op eergerelateerd geweld. De rechtbank verzoekt de GI om de komende periode concrete stappen te zetten in het bewerkstelligen van een uitbreiding van de zorgregeling. Hiervoor is het noodzakelijk dat de concrete dreiging op eergerelateerd geweld vanuit het netwerk van de vrouw in kaart wordt gebracht, dat wordt bezien welk effect dit risico heeft op de omgang tussen de vrouw en [minderjarige] en dat (veilige) alternatieven voor omgangsuitbreiding worden onderzocht.
De rechtbank verzoekt de GI tot slot de rechtbank en (de advocaten van) partijen nader te informeren op uiterlijk de hieronder vermelde PRO FORMA datum over het verloop van de ondertoezichtstelling en de (uitbreiding van de) zorgregeling. Partijen zullen daarna in de gelegenheid worden gesteld om binnen twee weken na ontvangst van het verslag van de GI hierop schriftelijk te reageren en het door hen gewenste procesverloop aan te geven.
Dit leidt tot de volgende beslissing, welke de rechtbank uitvoerbaar bij voorraad zal verklaren, omdat het voor de ontwikkeling van [minderjarige] noodzakelijk is dat de beslissing ondanks een eventueel hoger beroep meteen uitgevoerd kan worden.
5. De beslissing
De rechtbank:
wijzigt de voorlopige zorgregeling tussen de vrouw en de minderjarige [minderjarige] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2023, zoals bepaald in de beschikking van deze rechtbank van 17 juli 2024, en bepaalt dat de regie met betrekking tot de voorlopige zorgregeling voortaan bij de GI ligt, waarbij geldt dat de huidige regeling zo spoedig mogelijk wordt uitgebreid;
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
houdt de behandeling van het overige aan tot [datum] 2026 PRO FORMA, zulks in afwachting van het verdere verloop van de ondertoezichtstelling en een verslag van de GI over de stand van zaken op dat moment, alsmede het bericht van (de advocaten van) partijen, zoals overwogen onder 4.12;
behoudt zich iedere verdere beslissing voor.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 24 oktober 2025 door mr. de Beer, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Boomaars, griffier, en op schrift gesteld op 7 november 2025.
Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:
door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het
gerechtshof ’s-Hertogenbosch.