ECLI:NL:RBZWB:2025:8856

ECLI:NL:RBZWB:2025:8856, Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 24-10-2025, C/02/439977 / JE RK 25-1693

Instantie Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak 24-10-2025
Datum publicatie 06-01-2026
Zaaknummer C/02/439977 / JE RK 25-1693
Rechtsgebied Civiel recht; Personen- en familierecht
Procedure Beschikking
Zittingsplaats Middelburg

Samenvatting

Beschikking over een verlenging van de ondertoezichtstelling. De ouders werken momenteel mee aan de hulpverlening, maar het vrijwillige kader is nog te pril. De komende periode dient er, onder de regie van de GI, zorgvuldig te worden onderzocht hoe een uitbreiding van de omgang tussen de moeder en de minderjarige op een veilige manier kan worden vastgelegd. Het is immers in het belang van de minderjarige dat hij met beide ouders frequent contact heeft. Hiervoor is het noodzakelijk dat de concrete dreiging op eergerelateerd geweld vanuit het netwerk van de moeder in kaart wordt gebracht, dat wordt bezien welk effect dit risico heeft op de omgang tussen de moeder en de minderjarige en dat (veilige) alternatieven voor omgangsuitbreiding worden onderzocht. Tot slot is het van belang dat de GI de lopende hulpverleningstrajecten monitort en, indien nodig, extra hulpverlening inzet, zoals een tweede ambulant hulpverlener voor de vader en het betrekken van een kinderdagverblijf. De kinderrechter verlengt de ondertoezichtstelling daarom voor een jaar.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht

Locatie Middelburg

Zaaknummer: C/02/439977 / JE RK 25-1693

Datum uitspraak: 24 oktober 2025

Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling

in de zaak van

de gecertificeerde instelling STICHTING LEGER DES HEILS JEUGDBESCHERMING & RECLASSERING,

hierna te noemen: de GI,

gevestigd te [locatie] ,

over

[minderjarige] , geboren op [geboortedag] 2023 in [geboorteplaats] ,

hierna te noemen: [minderjarige] .

De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:

[de moeder] ,

hierna te noemen: de moeder,

verblijvende op een bij de rechtbank bekend adres,

advocaat: mr. M. Kalle te Middelburg,

[de vader] ,

hierna te noemen: de vader,

wonende in [woonplaats] ,

advocaat: mr. A.A. Broekman-de Feijter te Terneuzen.

Op grond van artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering heeft de Raad voor de Kinderbescherming, regio Zeeland-West-Brabant, locatie Middelburg

hierna: de Raad, de rechtbank over het verzoek geadviseerd.

1. Het verloop van de procedure

De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:

het verzoekschrift met bijlagen van 18 september 2025, ontvangen op 19 september 2025.

een e-mailbericht van de moeder, ontvangen op 21 oktober 2025.

De mondelinge behandeling met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 24 oktober 2025. Daarbij waren aanwezig:

de moeder met haar advocaat en bijgestaan door een Syrische tolk;

de vader met zijn advocaat en bijgestaan door een Syrische tolk;

- een vertegenwoordigster van de Raad;

- een vertegenwoordigster van de GI.

Deze zaak is, gelet op de nauwe samenhang, gelijktijdig behandeld met de verzoeken in de zaak met kenmerk C/02/423428 / FA RK 24-2699. In die zaak is bij aparte beschikking beslist.

2. De feiten

De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .

[minderjarige] is bij beschikking betreffende provisionele voorziening van 17 juli 2024 voorlopig toevertrouwd aan de vader.

Bij voornoemde beschikking is tevens bepaald dat [minderjarige] en de moeder voorlopig gerechtigd zijn tot begeleid contact met elkaar éénmaal per twee weken gedurende drie uur,

waarbij geldt dat deze regeling als minimale regeling geldt en dat zo spoedig mogelijk door partijen en in overleg met de betrokken hulpverlening gezocht wordt naar mogelijkheden om tot uitbreiding van deze regeling te komen.

Bij beschikking van deze rechtbank van 7 november 2024 is [minderjarige] onder toezicht gesteld van de GI met ingang van 7 november 2024 en tot 7 november 2025.

3. Het verzoek

De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] te verlengen voor de duur van een jaar en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

4. De standpunten

De GI handhaaft het verzoek en licht, aanvullend op de overgelegde stukken, toe dat er nog steeds zorgen zijn over [minderjarige] . Het is voor de vader lastig om [minderjarige] sturing en grenzen te bieden, hetgeen ervoor zorgt dat [minderjarige] niet goed luistert en grenzeloos is. Daarnaast licht de GI toe dat de omgang tussen de moeder en [minderjarige] goed verloopt, maar dat hetzelfde grenzeloze gedrag van [minderjarige] bij haar wordt waargenomen. Beide ouders lijken op dit moment onvoldoende in staat om [minderjarige] de sturing te bieden die hij nodig heeft. De GI is voornemens om [minderjarige] naar een kinderdagverblijf te laten gaan, zodat hij op deze wijze structuur krijgt en de vader op die dagen kan werken. Verder heeft de GI zorgen over de uitbreiding van de omgangsregeling. De vader werkt momenteel mee aan de omgangsmomenten tussen de moeder en [minderjarige] in [woonplaats] , maar staat niet open voor omgang op een andere locatie. De vader kan [minderjarige] immers onvoldoende sturen tijdens de (trein)reis naar de omgangslocatie. Dit maakt dat de moeder voor de omgangsmomenten steeds een lange reis moet maken naar [woonplaats] . Er is momenteel sprake van structureel contact tussen de moeder en [minderjarige] , maar dit is, gelet op zijn jonge leeftijd, nog te weinig. Het is voor de GI echter lastig om in te schatten of een uitbreiding van de omgang voldoende veilig is voor de moeder en [minderjarige] , gelet op het hoge risico op eergerelateerd geweld vanuit het netwerk van de moeder. Dit dient nog zorgvuldig onderzocht te worden door gesprekken te voeren met [hulpverlener 1] , [hulpverlener 2] en de politie. [hulpverlener 2] heeft aangegeven dat zij zich zorgen maken over de reisbewegingen van de moeder naar [woonplaats] , maar er zijn nog geen concrete zorgen gedeeld met de GI. Voorts verklaart de GI dat de politie heeft aangegeven dat de strafzaak tegen de vader geen betrekking heeft op minderjarigen en dat [minderjarige] voldoende veilig is bij de vader. De GI is ook niet bezorgd dat de vader een lange gevangenisstraf krijgt. De GI is voornemens om extra hulpverlening van [hulpverlener 1] in te zetten in de thuissituatie van de vader, zodat de vader meer ondersteund wordt en er ook aandacht kan zijn voor de omgang met [minderjarige] . [hulpverlener 2] heeft ook aangegeven dat de moeder ondersteund kan worden om stappen te zetten in het begrenzen van [minderjarige] .

Door en namens de moeder wordt ter gelegenheid van de mondelinge behandeling verklaard dat het goed gaat met [minderjarige] . De moeder heeft om de twee weken voor de duur van drie uur omgang met hem. Dit gaat goed. Ze zou graag vaker omgang willen hebben met [minderjarige] . Daarnaast licht de moeder toe dat ze bezig is om het contact met haar ouders te herstellen. De moeder heeft er echter geen vertrouwen in dat haar vader ervoor zal zorgen dat de broers van de moeder haar niet thuis opzoeken. Ze maakt zich ook zorgen over de veiligheid van de vader. De advocaat verklaart dat de hulpverlening van de moeder aangeeft dat de situatie van moeder voldoende veilig is op dit moment. Het is belangrijk dat wordt bezien hoe de omgangsregeling kan worden uitgebreid, aangezien de huidige omgang te weinig is voor een veilige hechting. De GI dient hier de komende periode concrete stappen in te zetten. Er moet een vrijer en normaler contact bewerkstelligd worden. Ook mag van de vader worden verwacht dat hij af en toe reist voor de omgangsmomenten, welke wellicht ook op een andere locatie kunnen plaatsvinden. Er zijn voorts zorgen over de thuissituatie van de vader, aangezien hij [minderjarige] onvoldoende kan begrenzen. Het is van belang dat er meer zicht komt op de opvoedomgeving van [minderjarige] en dat de omgangsregeling tussen de moeder en [minderjarige] wordt uitgebreid, hetgeen maakt dat de moeder zich kan vinden in het verzoek tot een verlenging van de ondertoezichtstelling voor de duur van een jaar.

Door en namens de vader wordt ter gelegenheid van de mondelinge behandeling verklaard dat alles goed gaat met [minderjarige] . De vader geeft daarnaast aan dat hij zal meewerken aan de (uitbreiding van de) omgangsregeling als dit door de rechtbank wordt vastgesteld, mits dit voldoende veilig is. Het is voor de vader, financieel en praktisch gezien, ook lastig om te reizen voor de omgangsmomenten. De vader onderschrijft de door de GI genoemde zorgen. [minderjarige] wordt ernstig in zijn ontwikkeling bedreigd. Dit maakt dat de vader een verlenging van de ondertoezichtstelling voor de duur van een jaar passend acht. Het is van belang dat de GI als regievoerder betrokken blijft.

De Raad verklaart dat een omgang van eenmaal per twee weken voor de duur van drie uur te weinig is. Het uitblijven van een uitbreiding van deze omgang staat los van het contact tussen [minderjarige] en de moeder, maar heeft alleen te maken met de veiligheid van de moeder. Dit maakt de situatie complex.

5. De beoordeling

Wettelijk kader

Ingevolge het bepaalde in artikel 1:255 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) kan de kinderrechter een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling wanneer die minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en:

de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en;

de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247 lid 2 BW, in staat zijn te dragen.

Op grond van artikel 1:260 BW kan de kinderrechter, mits aan de grond zoals bedoeld in artikel 1:255 lid 1 BW is voldaan, de duur van de ondertoezichtstelling telkens verlengen met ten hoogste een jaar.

Inhoudelijke beoordeling

Op basis van de overgelegde stukken en de mondelinge behandeling is de kinderrechter van oordeel dat is voldaan aan de wettelijke criteria genoemd in artikel 1:255 en 1:260 BW. Dit licht de kinderrechter als volgt toe.

De kinderrechter stelt vast dat [minderjarige] nog steeds ernstig in zijn ontwikkeling wordt bedreigd. Zo zijn er zorgen over de sociaal-emotionele ontwikkeling van [minderjarige] . Hoewel er momenteel sprake is van een structureel, fijn en stabiel contact tussen [minderjarige] en de moeder, dient dit contact – gelet op de jonge leeftijd van [minderjarige] – uitgebreid te worden om een veilige hechting te doen ontstaan. Het lukt de ouders echter niet om dit onderling te regelen. Door het Landelijk Expertise Centrum Eergerelateerd Geweld (LEC) is daarnaast een hoog risico op eergerelateerd geweld door het netwerk van de moeder vastgesteld. Het is voor de GI nog onduidelijk wat de concrete dreiging inhoudt en wat dit zal betekenen voor de omgang tussen de moeder en [minderjarige] , hetgeen maakt dat de omgangsregeling tot op heden nog niet is uitgebreid. Verder is het de kinderrechter gebleken dat beide ouders moeite hebben met het begrenzen en sturen van [minderjarige] . [minderjarige] reageert hierdoor nauwelijks op grenzen. Het is belangrijk dat [minderjarige] kan opgroeien in een veilige, stabiele en duidelijke opvoedingsomgeving, waarbij beide ouders kunnen aansluiten bij zijn behoeften. Er is in dit geval nog onvoldoende zicht op de opvoedvaardigheden van de ouders en wat zij nodig hebben om de opvoeding van [minderjarige] te kunnen dragen. Ook is het de kinderrechter gebleken dat de vader negatief praat over de moeder, hetgeen zorgt voor een risico op loyaliteitsproblematiek bij [minderjarige] . Tot slot is er sprake van een moeizame communicatie en onderling wantrouwen tussen de ouders, waardoor zij niet in staat zijn om samen te werken en afspraken te maken in het belang van [minderjarige] .

De kinderrechter stelt daarnaast vast dat de betrokkenheid van de GI nog steeds noodzakelijk is. De ouders werken momenteel mee aan de hulpverlening, maar het vrijwillige kader is nog te pril. De komende periode dient er, onder de regie van de GI, zorgvuldig te worden onderzocht hoe een uitbreiding van de omgang tussen de moeder en [minderjarige] op een veilige manier kan worden vastgelegd. Het is immers in het belang van [minderjarige] dat hij met beide ouders frequent contact heeft. Hiervoor is het noodzakelijk dat de concrete dreiging op eergerelateerd geweld vanuit het netwerk van de moeder in kaart wordt gebracht, dat wordt bezien welk effect dit risico heeft op de omgang tussen de moeder en [minderjarige] en dat (veilige) alternatieven voor omgangsuitbreiding worden onderzocht. Tot slot is het van belang dat de GI de lopende hulpverleningstrajecten monitort en, indien nodig, extra hulpverlening inzet, zoals een tweede ambulant hulpverlener voor de vader en het betrekken van een kinderdagverblijf.

De ondertoezichtstelling is, gelet op het voorgaande, nog steeds nodig. De kinderrechter verlengt daarom – onweersproken – de ondertoezichtstelling van [minderjarige] voor de verzochte duur van een jaar. Er moeten immers nog veel stappen worden gezet.

De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

Dit leidt tot de volgende beslissing.

6. De beslissing

De kinderrechter:

verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] met ingang van 7 november 2025 en tot 7 november 2026;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 24 oktober 2025 door mr. de Beer, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Boomaars, griffier, en op schrift gesteld op 7 november 2025.

Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:

degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;

andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. Boomaars

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?