RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Middelburg
Zaaknummers: C/02/440797 / JE RK 25-1841 (spoedmachtiging gesloten jeugdhulp)
C/02/440816 / JE RK 25-1845 (reguliere machtiging gesloten jeugdhulp)
Datum uitspraak: 24 oktober 2025
(Nadere) beschikking van de kinderrechter over een (spoed)machtiging gesloten jeugdhulp
in de zaken van
de gecertificeerde instelling STICHTING LEGER DES HEILS JEUGDBESCHERMING & RECLASSERING,
hierna te noemen: de voogdes,
gevestigd te Eindhoven,
over
[minderjarige] , geboren op [geboortedag] 2009 in [geboorteplaats] , [land] ,
hierna te noemen: [minderjarige] ,
advocaat: mr. R.T.K. Davidse te Middelburg.
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder] ,
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [plaats 1] ,
advocaat: mr. M.S. Krol te Rotterdam,
[de vader] ,
hierna te noemen: de vader,
wonende in [plaats 2] .
Op grond van het bepaalde in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering
is in de procedure gekend:
- de Raad voor de Kinderbescherming, regio Zeeland-West-Brabant, locatie Middelburg,
hierna te noemen: de Raad, om de kinderrechter over het verzoek te adviseren.
1. Het (verdere) verloop van de procedure
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- de spoedbeschikking van deze rechtbank van 14 oktober 2025 en alle daarin vermelde stukken;
- het bericht van de voogdes van 23 oktober 2025 met bijlage, inhoudende de instemmende verklaring van de gekwalificeerde gedragswetenschapper, mevrouw [naam] , van 23 oktober 2025.
De mondelinge behandeling met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 24 oktober 2025. Daarbij waren aanwezig:
- [minderjarige] , die voorafgaand aan de mondelinge behandeling ook apart is gehoord, met zijn advocaat;
- de moeder met haar advocaat;
- een vertegenwoordigster van de Raad;
- een tweetal vertegenwoordigsters van de voogdes.
Hoewel door de rechtbank behoorlijk is opgeroepen, is niet verschenen:
- de vader.
2. De feiten
Bij beschikking van deze rechtbank van 11 januari 2022 is [minderjarige] onder voogdij gesteld van de Stichting Leger des Heils Jeugdbescherming & Reclassering.
Bij beschikking van deze rechtbank van 14 oktober 2025 is een spoedmachtiging verleend om [minderjarige] uit huis te plaatsen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp met ingang van 14 oktober 2025 en tot 28 oktober 2025, zonder voorafgaand horen van de belanghebbende(n). Het resterende deel van de verzoeken is aangehouden tot de mondelinge behandeling van heden.
[minderjarige] verblijft op grond van de laatstgenoemde machtiging bij [zorginstelling] .
3. De (nadere) verzoeken
In zaaknummer C/02/440797 / JE RK 25-1841
De voogdes verzoekt een spoedmachtiging te verlenen om [minderjarige] uit huis te plaatsen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp voor de duur van vier weken. De voogdes verzoekt hierop te beslissen zonder de belanghebbende(n) te horen.
De kinderrechter heeft reeds deels op dit verzoek beslist. Thans ligt nog ter beoordeling voor of er sprake is van nieuwe feiten en/of omstandigheden die aanleiding geven voor herroeping van de spoedbeschikking van deze rechtbank van 14 oktober 2025 met ingang van heden. Verder zal de kinderrechter een beoordeling geven over het resterende deel van het verzoek tot het verlenen van een spoedmachtiging om [minderjarige] uit huis te plaatsen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp voor de periode met ingang van 28 oktober 2025 en tot 11 november 2025.
In zaaknummer C/02/440816 / JE RK 25-1845
De voogdes verzoekt daarnaast om aansluitend een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp te verlenen voor de duur van drie maanden.
In beide zaaknummers
De onafhankelijke gekwalificeerde gedragswetenschapper, mevrouw [naam] , heeft ingestemd met het verzoek om een spoedmachtiging te verlenen om [minderjarige] uit huis te plaatsen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp voor de duur van vier weken. Daarnaast heeft de onafhankelijke gedragswetenschapper ingestemd met het verzoek om een aansluitende machtiging gesloten plaatsing te verlenen voor de duur van drie maanden. Dit blijkt uit de schriftelijke verklaring van 23 oktober 2025.
4. De standpunten
[minderjarige] vertelt tijdens het gesprek met de kinderrechter dat het goed met hem gaat bij [zorginstelling] . Hij doet zijn best. Het liefst wil [minderjarige] naar huis, maar als dat niet mogelijk is, dan wil hij graag deelnemen aan het ThuisBest-traject. Het lijkt [minderjarige] het meest verstandig als hij nog even bij [zorginstelling] blijft, zodat hij op een goede manier terug kan naar huis. Hij wil ook graag werken aan zijn gedrag, zodat de situatie beter wordt voor zijn moeder en zichzelf. [minderjarige] vindt het namelijk niet fijn wat er is gebeurd. Hij staat open voor alle hulpverlening. Tot slot geeft [minderjarige] aan dat hij graag terug naar school wil en is gestopt met het gebruik van cannabis.
Namens [minderjarige] verklaart de advocaat tijdens de mondelinge behandeling dat [minderjarige] veel heeft meegemaakt. Hij heeft bijvoorbeeld veel wisselingen van verblijfplaats gehad. Ook heeft hij geen dagbesteding, gebruikte hij cannabis en is zijn zus in de zomer uit huis gegaan. De moeder heeft ook haar eigen trauma’s, hetgeen zorgt voor spanningen thuis. [minderjarige] doet zijn best bij [zorginstelling] en wil aan zichzelf werken. [minderjarige] wil graag naar school zodat hij lasser kan worden. Het is van belang dat hiernaar wordt gekeken. Ook zou hij een coach fijn vinden. Verder wil [minderjarige] , als het nodig is, meewerken aan een diagnostisch onderzoek en therapie. De advocaat stelt zich namens [minderjarige] primair op het standpunt dat het verzoek moeten worden afgewezen, aangezien [minderjarige] het liefst terug naar huis wil. Subsidiair stelt de advocaat zich op het standpunt dat [minderjarige] instemt met het verzoek en dat hij, samen met de moeder en de hulpverlening, wil werken aan een veilige terugthuisplaatsing.
Namens de voogdes wordt, in aanvulling op de overgelegde stukken, ter gelegenheid van de mondelinge behandeling verklaard dat er bij [minderjarige] sprake is van kindeigen- en hechtingsproblematiek. Vanaf de zomer zijn de escalaties in de thuissituatie alleen maar frequenter geworden, hetgeen zelfs heeft geresulteerd in fysiek geweld vanuit [minderjarige] naar de moeder. De voogdes heeft daarna gesprekken gevoerd en veiligheidsafspraken gemaakt met het gezin en de IPT-hulpverlening. Het was voor de moeder en [minderjarige] duidelijk dat fysiek geweld niet wordt getolereerd door de voogdes. Wanneer er sprake is van weinig stress, lukt het de moeder en [minderjarige] om de adviezen vanuit de hulpverlening op te volgen. Echter, als de stress oploopt door bijvoorbeeld een burenruzie of de financiën, lukt het hen niet meer op deze adviezen op te volgen. Dit zorgt vervolgens voor oplopende spanningen in de thuissituatie en bedreigingen richting de voogdes. De voogdes wil de moeder zoveel mogelijk betrekken in het leven van [minderjarige] , maar dit moet wel veilig zijn. Dit was de afgelopen periode niet mogelijk, gelet op de vele escalaties en politiemeldingen. Het is verder belangrijk dat [minderjarige] de kans krijgt om met zijn eigen problematiek aan de slag te gaan voordat er aan een terugthuisplaatsing wordt gewerkt. Ook kan er worden onderzocht of [minderjarige] in de toekomst naar een woongroep kan met zinvolle dagbesteding, gelet op zijn leeftijd. Voorts zal er door [zorginstelling] worden onderzocht of het ThuisBest-traject een optie is. Echter, het is van belang dat [minderjarige] eerst tot rust komt bij [zorginstelling] en aan zijn eigen problematiek kan werken.
Door en namens de moeder wordt ter gelegenheid van de mondelinge behandeling verklaard dat de moeder graag het ThuisBest-traject wil volgen, zodat kan worden voorkomen dat het misgaat in de thuissituatie. De moeder erkent dat zij en [minderjarige] hulp nodig hebben voor hun trauma’s. Daarnaast geeft de moeder aan dat ze geen eerlijke kans heeft gehad. Ook heeft [minderjarige] al twee jaar geen dagbesteding. De moeder heeft geen gezag, dus ze kan geen hulp voor hem aanvragen. Verder vinden er steeds wisselingen plaats van voogd. Dit is lastig, aangezien [minderjarige] mensen niet snel vertrouwt. De moeder heeft vertrouwen in [zorginstelling] en hoopt dat de gedragswetenschapper met [minderjarige] aan de slag kan gaan. Namens de moeder wordt benadrukt dat de moeder een schuldgevoel heeft en van mening is dat ze [minderjarige] niet het juiste heeft geboden. De moeder neemt [minderjarige] niks kwalijk en wil dat hij weet dat het niet zijn schuld is. Het is van belang dat [minderjarige] de juiste hulp en dagbesteding krijgt, zodat zij en [minderjarige] niet terugvallen in oud gedrag. Ook wil de moeder graag hulpverlening voor haar trauma’s en deelnemen aan het ThuisBest-traject. Mocht [minderjarige] bij [zorginstelling] moeten blijven, dan zou de moeder het fijn vinden als [minderjarige] in het weekend naar huis kan komen. Tot slot heeft de moeder moeite met het feit dat zij geen gezag heeft, nu zij, ondanks dat [minderjarige] bij haar woont, niks voor hem kan regelen. Het is van belang dat de voogd nagaat wat haalbaar is, zoals het herstellen van het gezag van de moeder.
De Raad verklaart dat een terugthuisplaatsing van [minderjarige] op dit moment niet passend is. Er moet immers nog veel gebeuren. Er moet worden voorkomen dat [minderjarige] terug thuis wordt geplaatst en dat het dan weer misgaat. De Raad kan zich vinden in het verzoek, nu een minder ingrijpende maatregel geen mogelijkheid is. De Raad merkt tot slot op dat de voogdes samen met de moeder en [minderjarige] moet kijken welk traject wel passend is, mocht [zorginstelling] tot de conclusie komen dat ThuisBest (nog) geen optie is.
5. De (verdere) beoordeling
Wettelijk kader
Gelet op het bepaalde in artikel 6.1.3, tweede lid, Jeugdwet kan een (spoed)machtiging gesloten jeugdhulp slechts worden verleend indien naar het oordeel van de kinderrechter:
jeugdhulp noodzakelijk is in verband met ernstige opgroei- of opvoedingsproblemen die de ontwikkeling van de jeugdige naar volwassenheid ernstig belemmeren;
de opneming en het verblijf noodzakelijk en geschikt zijn om te voorkomen dat de jeugdige zich aan deze jeugdhulp onttrekt of daaraan door anderen wordt onttrokken; en
er geen minder ingrijpende mogelijkheden zijn om de opgroei- en opvoedingsproblemen te behandelen.
Het verzoek behoeft ingevolge artikel 6.1.3, derde lid, Jeugdwet de instemming van een gekwalificeerde gedragswetenschapper, die de jeugdige met het oog daarop kort van tevoren heeft onderzocht.
Inhoudelijke beoordeling (restant) spoedmachtiging gesloten jeugdhulp
De kinderrechter moet allereerst beoordelen of de spoedmachtiging gesloten jeugdhulp al dan niet moet worden herroepen. Bij beschikking van deze rechtbank van 14 oktober 2025, schriftelijk uitgewerkt op 15 oktober 2025, heeft de kinderrechter een spoedmachtiging gesloten jeugdhulp verleend voor de duur van twee weken, te weten voor de periode met ingang van 14 oktober 2025 en tot 28 oktober 2025, zonder voorafgaand verhoor van de belanghebbenden. Tijdens de mondelinge behandeling van 24 oktober 2025 zijn [minderjarige] en zijn advocaat, de moeder en haar advocaat, de voogdes en de Raad in de gelegenheid gesteld te worden gehoord. Op basis van de mondelinge behandeling en overgelegde stukken is naar het oordeel van de kinderrechter niet gebleken dat sprake is van nieuwe feiten en/of omstandigheden die aanleiding geven tot herroeping van de spoedbeslissing. De spoedbeslissing dient daarom zijn werking te behouden.
Aangezien de kinderrechter overgaat tot een inhoudelijke beoordeling van het verzoek van de voogdes om een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp te verlenen voor de duur van drie maanden, zal het resterende deel van het verzoek tot het verlenen van een spoedmachtiging gesloten jeugdhulp worden afgewezen.
Inhoudelijke beoordeling reguliere machtiging gesloten jeugdhulp
De kinderrechter is op grond van de overgelegde stukken en de mondelinge behandeling van oordeel dat aan de wettelijke voorwaarden voor het verlenen van een machtiging gesloten jeugdhulp wordt voldaan. De kinderrechter stelt allereerst vast dat het verzoek voldoet aan de formele vereisten, aangezien uit de schriftelijke verklaring van de gekwalificeerde gedragswetenschapper van 23 oktober 2025 volgt dat zij instemt met een plaatsing in de gesloten jeugdhulp voor de duur van drie maanden. Deze gedragswetenschapper heeft [minderjarige] kort van tevoren onderzocht.
Daarnaast is de kinderrechter van oordeel dat er sprake is van ernstige opgroei- of opvoedingsproblemen die de ontwikkeling van [minderjarige] naar volwassenheid ernstig belemmeren. [minderjarige] heeft een belaste voorgeschiedenis, hetgeen gekenmerkt wordt door instabiliteit, onvoorspelbaarheid en onzekerheid. Er is bij hem sprake van een reactieve hechtingsstoornis en traumaproblematiek. Bij oplopende spanningen laat [minderjarige] opstandig en regelovertredend gedrag zien. Het is de kinderrechter voorts gebleken dat er sinds de zomer in toenemende mate sprake is van hevige escalaties in de thuissituatie, waarbij de veiligheid en gezondheid van zowel [minderjarige] als zijn gezinsleden niet meer te waarborgen is. [minderjarige] is daarbij fysiek agressief geweest richting de moeder, hetgeen tot regelmatige betrokkenheid van de politie heeft geleid. Hij is ook bekend met ernstig ontwrichtend gedrag, bijvoorbeeld in de vorm van weglopen en brandstichting, en is kwetsbaar voor negatieve invloeden. Bij [minderjarige] is er tevens sprake van een beperkte emotieregulatie, een beperkt zelfinzicht, een gebrek aan respect voor gezag en instanties, een gebrekkige gewetensvorming en (tot voor kort) regelmatig cannabisgebruik. Tot slot gaat [minderjarige] al een geruime tijd niet meer naar school en heeft hij geen dagbesteding.
Deze problemen maken dat het verblijf in een gesloten accommodatie noodzakelijk en geschikt is om te voorkomen dat [minderjarige] zich onttrekt aan de jeugdhulp die hij nodig heeft of daaraan door anderen wordt onttrokken. Het is ook niet gebleken dat er minder ingrijpende mogelijkheden zijn om deze problemen te behandelen. De kinderrechter stelt vast dat [minderjarige] stelt zich niet begeleidbaar heeft opgesteld. Het lukt de moeder en [minderjarige] ook niet om, bij oplopende spanningen, de adviezen vanuit IPT toe te passen en zich aan de gemaakte (veiligheids)afspraken te houden. Er is zowel vanuit [minderjarige] als de moeder sprake van wantrouwen richting de hulpverlening. Er is al veel hulpverlening ingezet, hetgeen tot nu toe ontoereikend is gebleken om een duurzame gedragsverandering teweeg te brengen. Het lukt de moeder ook niet om [minderjarige] bij oplopende spanningen te de-escaleren, hetgeen maakt dat de thuissituatie [minderjarige] momenteel niet de opvoedsetting biedt die hij nodig heeft. Een terugthuisplaatsing is op dit moment niet passend, nu er een reëel risico bestaat op nieuwe escalaties. Verder is [minderjarige] bekend met veelvuldig weglopen en ontwrichtend gedrag binnen een open setting, hetgeen maakt dat de veiligheid van [minderjarige] en de mensen om hem heen onvoldoende gewaarborgd kunnen worden. De problematiek overstijgt de mogelijkheden van een open setting. De vader heeft ook aangegeven [minderjarige] niet langer te willen opvangen. Voorts is een plaatsing van [minderjarige] bij een vriend geen mogelijkheid, nu deze vriend zich in een kwetsbaar netwerk bevindt. Een verblijf binnen een gesloten instelling is noodzakelijk en geschikt, aangezien [minderjarige] niet meer kan weglopen, aldaar tot rust kan komen en daardoor kan profiteren van de geboden ondersteuning en hulpverlening. Het is noodzakelijk dat hij duidelijke en strakke kaders krijgt aangeboden om hem te begrenzen en corrigeren. Binnen een gesloten plaatsing kan ook op een zorgvuldige wijze worden onderzocht welke hulpverlening passend is en wat een geschikte vervolgplek voor [minderjarige] kan zijn. De kinderrechter merkt hierbij tot slot op dat het van belang is dat [zorginstelling] ook onderzoekt of het ThuisBest-traject een mogelijkheid is, nu is gebleken dat de moeder en [minderjarige] hiervoor gemotiveerd zijn.
De kinderrechter zal, gelet op het voorgaande, een machtiging verlenen om [minderjarige] uit huis te plaatsen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp voor de verzochte duur van drie maanden. Er moeten nog veel stappen worden gezet en het is noodzakelijk dat [minderjarige] kan gaan profiteren van de geboden hulp en ondersteuning.
Dit leidt tot de volgende beslissing.
6. De beslissing
De kinderrechter:
verleent een machtiging om [minderjarige] uit huis te plaatsen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp met ingang van 24 oktober 2025 en tot 24 januari 2026;
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 24 oktober 2025 door mr. De Beer, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Boomaars, griffier, en op schrift gesteld op 7 november 2025.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.