ECLI:NL:RBZWB:2025:8865

ECLI:NL:RBZWB:2025:8865, Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 03-09-2025, C/02/435005 / JE RK 25-829

Instantie Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak 03-09-2025
Datum publicatie 06-01-2026
Zaaknummer C/02/435005 / JE RK 25-829
Rechtsgebied Civiel recht; Personen- en familierecht
Procedure Rekestprocedure
Zittingsplaats Breda

Samenvatting

Beschikking over een schriftelijke aanwijzing. De kinderrechter bekrachtigt de schriftelijke aanwijzing gedeeltelijk. Het doel van de aanwijzing is om de ouder die het gezag uitoefent een opdracht te geven om iets te doen of na te laten. De kinderrechter zal daarom alleen dat deel van de schriftelijke aanwijzing bekrachtigen dat ziet op de moeder en wat van haar wordt verlangd om te zorgen dat de ontwikkelingsbedreiging voor de minderjarige wordt weggenomen. Het gedeelte van de aanwijzing dat een compliment betreft aan de moeder, meer specifiek punt drie van de aanwijzing, kan niet worden bekrachtigd, aangezien het geen opdracht betreft om iets te doen of na te laten.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht

Locatie Breda

Zaaknummer: C/02/435005 / JE RK 25-829

Datum uitspraak: 3 september 2025

Beschikking van de kinderrechter over de schriftelijke aanwijzing

in de zaak van

de gecertificeerde instelling WILLIAM SCHRIKKER STICHTING JEUGDBESCHERMING & JEUGDRECLASSERING,

hierna te noemen: de GI,

gevestigd te Amsterdam,

over

[minderjarige] , geboren op [geboortedag] 2017 in [geboorteplaats] ,

hierna te noemen: [minderjarige] .

De kinderrechter merkt als belanghebbende aan:

[de moeder] ,

hierna te noemen: de moeder,

wonende in [plaats 1] ,

advocaat: mr. J.J.R. Albicher te Roosendaal.

De kinderrechter merkt als informant aan:

[de vader] ,

hierna te noemen: de vader,

wonende in [plaats 2] .

1. Het verloop van de procedure

De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:

- het verzoekschrift met bijlagen van 27 april 2025, ontvangen op 1 mei 2025.

De mondelinge behandeling met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 27 augustus 2025. Daarbij waren aanwezig:

- de moeder met haar advocaat;

- een vertegenwoordigster van de GI.

De vader is niet verschenen. De kinderrechter stelt vast dat de vader wel juist is opgeroepen.

2. De feiten

De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .

[minderjarige] woont bij de moeder.

Bij beschikking van 22 december 2020 is [minderjarige] onder toezicht gesteld van de GI. Deze maatregel is daarna steeds verlengd, laatstelijk bij beschikking van 5 december 2024, waarbij de ondertoezichtstelling van [minderjarige] is verlengd met ingang van 22 december 2024 en tot 22 december 2025.

De GI heeft op 27 maart 2025 een schriftelijke aanwijzing gegeven betreffende de verzorging en opvoeding van [minderjarige] . Hierin is het volgende opgenomen:

1. “U werkt actief mee aan de geboden hulpverlening. Dit betekent dat u de ondersteuner mw. [naam] van [hulpverlening 1] bij u thuis binnen laat op de afgesproken tijden. Deze zijn op: maandagen 13 – 15 uur; donderdagen 13 – 15 uur.

2. U laat nooit meer verbale of fysieke agressie zien. Dit houdt in dat u nooit meer verbaal (spreken) en fysiek (onder andere schoppen en slaan) hulpverleners benadert. Er komen geen dreigementen zoals “Als je hier voor de deur stond had ik je kop eraf gehakt” of “Je weet nu wat ik gaan doen” (Hiermee doel je op het halen van een voorwerp om de persoon tegenover jou mee te gaan slaan).

3. De William Schrikker Stichting is heel blij dat u op 2 oktober 2024 op school aangegeven heeft in het bijzijn van de jeugdzorgwerker, mee te willen werken aan onderzoeken van [minderjarige] . Deze zijn noodzakelijk voor de verdere (school) ontwikkeling. We zullen dit binnenkort opstarten. Wij zullen u hier nader over informeren.

4. U werkt mee aan de observaties in de thuissituatie zodat wij kunnen zien of u voldoende in staat bent uw zoon op te voeden (Goed genoeg ouderschap).

5. U werkt actief mee aan de evaluatie momenten, waarvan de eerste is op donderdag 10 april 2025 om 13:30 uur bij u thuis. Deze tijd is in tegenstelling wat in de aankondiging staat, vervroegd.”

3. Het verzoek

De GI verzoekt bekrachtiging van de schriftelijke aanwijzing.

4. De standpunten

De vertegenwoordigster van de GI handhaaft het verzoek en licht, aanvullend op de overgelegde stukken, toe dat zij de nieuwe vaste jeugdbeschermer is. Ze heeft een kennismakingsgesprek gehad met de moeder. Dit gesprek is goed verlopen, maar op het moment dat het gesprek over [minderjarige] of het huidige verzoek van de GI ging, vertoonde de moeder veel weerstand. Later heeft de vertegenwoordigster van de GI de moeder opnieuw bezocht, maar er kwam weer weerstand vanuit de moeder zodra het gesprek over [minderjarige] of de hulpverlening gaat die bij de moeder thuis moet worden geboden. Op dit moment is er geen hulpverlening betrokken bij de moeder, wat maakt dat er geen zicht is op de thuissituatie van [minderjarige] . De GI heeft een aanmelding gedaan voor Intensieve Ambulante Gezinsbehandeling (IAG) bij [hulpverlening 2]. Ook heeft de GI een aanmelding gedaan bij De Gezinsmanager voor onderzoeken bij [minderjarige] . Deze instanties willen nu intakegesprekken met de moeder voeren. Er was voor de moeder een intakegesprek gepland op 3 juli 2025, maar ze was toen niet thuis. Sinds dat moment doet de moeder de deur niet meer open en reageert ze niet meer op telefoontjes, Whatsappberichten en e-mails. De vertegenwoordigster van de GI is een keer onverwacht langsgekomen en kon toen wel het gesprek aangaan met de moeder in de deuropening. [minderjarige] was echter ook thuis. Het was merkbaar dat [minderjarige] angstig was, dat hij de moeder reguleert en dat hij oplettend is in de communicatie tussen de moeder en de jeugdbeschermer. De vertegenwoordigster van de GI heeft ook contact opgenomen met de school van [minderjarige] , zodat zij op de hoogte kan worden gehouden of hij op school is en hoe het gaat. Een bekrachtiging van de schriftelijke aanwijzing is noodzakelijk, zodat de hulpverlening van start kan gaan. De GI wil de moeder de kans geven om te laten zien dat [minderjarige] thuis kan blijven wonen. De basale zorg is op orde, maar de moeder heeft hulp nodig om voldoende emotioneel aan te sluiten bij [minderjarige] . De bekrachtiging is ook een signaal dat het gedrag van de moeder niet door de beugel kan.

Door en namens de moeder wordt tijdens de mondelinge behandeling aangevoerd dat de moeder gezondheidsproblemen heeft in de vorm van een spierziekte. Deze ziekte wordt steeds erger. De moeder heeft altijd geprobeerd om de problemen samen met de GI op te lossen, maar het wordt een probleem voor de moeder als er inbreuk wordt gemaakt op haar privacy. Het klopt dat [minderjarige] niet meer naar de scouting en de zwemles gaat, maar dit heeft niks te maken met het feit dat de moeder niet zou meewerken aan de hulpverlening. [minderjarige] wilde namelijk zelf van de scouting af en bij het zwemmen wilde hij niet van het startblok springen. De vorige jeugdbeschermer communiceerde ook op een verkeerde manier met de moeder, wat zorgde voor allerlei discussies en uiteindelijk heeft geleid tot een aangifte vanuit de vorige jeugdbeschermer. De moeder geeft aan dat ze de nieuwe jeugdbeschermer vriendelijk vindt. Het is voor de moeder belangrijk dat het goed gaat met [minderjarige] en dat hij het gedrag van de moeder niet overneemt. De moeder moet de kans krijgen om te laten zien dat ze meewerkt aan de hulpverlening van [hulpverlening 2] en De Gezinsmanager. De contacten met de nieuwe jeugdbeschermer zijn ook goed. Een bekrachtiging van de schriftelijke aanwijzing is niet noodzakelijk, wat maakt dat het verzoek moet worden afgewezen. Ook grijpt de schriftelijke aanwijzing disproportioneel in op het gezinsleven van de moeder, aangezien het, door de ruime omschrijving, een 24/7 supervisie van de GI inhoudt. Er zou een plan moeten worden gemaakt waardoor duidelijk wordt waar de moeder zich aan moet houden.

5. De beoordeling

Wettelijk kader

Ingevolge artikel 1:263, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) kan de GI ter uitvoering van haar taak schriftelijke aanwijzingen geven betreffende de verzorging en opvoeding van de minderjarige. De GI kan dit doen indien (a) de met het gezag belaste ouder(s) of de minderjarige niet instemmen met, dan wel niet of onvoldoende medewerking verlenen aan de uitvoering van het plan, bedoeld in artikel 4.1.3, eerste lid, van de Jeugdwet of (b) indien dit noodzakelijk is teneinde de concrete bedreigingen in de ontwikkeling van de minderjarige weg te nemen. Op grond van het tweede lid van voornoemd artikel volgen de met het gezag belaste ouder(s) of de minderjarige een schriftelijke aanwijzing op. Ingevolge het derde lid van voornoemd artikel kan de GI de kinderrechter verzoeken een schriftelijke aanwijzing te bekrachtigen.

Inhoudelijke beoordeling

De kinderrechter stelt allereerst vast dat een schriftelijke aanwijzing moet worden gezien als een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Algemene Wet bestuursrecht (hierna: Awb). In het kader hiervan dient de kinderrechter, aan de hand van het bepaalde in hoofdstuk 3 en 4 Awb, te beoordelen of bij de besluitvorming door de GI de algemene voorschriften over zorgvuldigheid, evenredigheid en een deugdelijke motivering in acht zijn genomen. Tevens dient de schriftelijke aanwijzing het doel van de ondertoezichtstelling te dienen en in het belang van de minderjarige te zijn. Bij de beoordeling van de noodzaak een schriftelijke aanwijzing te geven, komt de GI een zekere beleidsvrijheid toe. Dit betekent dat de kinderrechter beoordeelt of in de gegeven omstandigheden voldoende grond bestaat om een schriftelijke aanwijzing te geven. Bij die beoordeling gaat de kinderrechter uit van de feiten en omstandigheden zoals die op dit moment zijn.

De kinderrechter overweegt als volgt. Op basis van de overgelegde stukken en de mondelinge behandeling is de kinderrechter van oordeel dat de schriftelijke aanwijzing, zoals door de GI afgegeven, dient ter uitvoering van de taak van de GI en de verzorging en opvoeding van [minderjarige] betreft. Ook is de schriftelijke aanwijzing noodzakelijk om de concrete bedreigingen in de ontwikkeling van [minderjarige] weg te nemen. Uit de beschikking van 5 december 2024 volgt dat de GI er niet in slaagt om zicht te krijgen op de opvoedsituatie van [minderjarige] , omdat de moeder de hulpverlening niet toelaat tot haar woning of op andere wijze blokkeert. Het is voor [minderjarige] heel belangrijk dat hij de juiste hulp krijgt en dat het hulpverleningstraject door blijft lopen. De moeder zegt dat zij meewerkt aan de hulpverlening, maar doet dit feitelijk niet, wat reden was om de ondertoezichtstelling te verlengen. Het voorgaande maakt dat is voldaan aan de wettelijke vereisten van artikel 1:263 BW, wat betekent dat de GI bevoegd was tot het geven van de schriftelijke aanwijzing.

Vervolgens dient de kinderrechter te beoordelen of de GI de bevoegdheid op een juiste manier heeft aangewend. De kinderrechter is van oordeel dat de schriftelijke aanwijzing zorgvuldig tot stand is gekomen. De GI heeft, alvorens de schriftelijke aanwijzing te geven, een schriftelijke vooraankondiging gedaan. De moeder is daarbij in de gelegenheid gesteld haar mening te geven. Daarnaast is de schriftelijke aanwijzing ook voldoende gemotiveerd. Er zijn vanuit school en de SDW ernstige zorgen gemeld over de ontwikkeling en het gedrag van [minderjarige] , aangezien hij boosheid en agressie laat zien. Het is noodzakelijk dat de moeder de (ambulante) hulpverlening accepteert, zodat de moeder kan worden ondersteund in de opvoeding van [minderjarige] . Ook dient er middels de hulpverlening zicht te worden verkregen op de opvoedsituatie van [minderjarige] . Er zijn immers zorgen over de draagkracht van de moeder en de verbale en fysieke agressie die zij heeft laten zien richting de hulpverleners in het bijzijn van [minderjarige] . Gelet hierop heeft de GI duidelijk onderbouwd op welke gronden zij tot het besluit is gekomen. Verder is de schriftelijke aanwijzing voldoende concreet, want de afspraken waaraan de moeder zich dient te houden, zijn overzichtelijk weergegeven. Tot slot constateert de kinderrechter dat de schriftelijke aanwijzing het doel van de ondertoezichtstelling dient en in het belang van [minderjarige] is.

De kinderrechter is ook van oordeel dat de GI, in tegenstelling tot hetgeen namens de moeder naar voren is gebracht, niet in strijd heeft gehandeld met het evenredigheidsbeginsel. De kinderrechter gaat niet mee in het standpunt van de advocaat dat de moeder een kans moet krijgen om te laten zien dat zij de hulpverlening accepteert, aangezien uit de overgelegde stukken en de mondelinge behandeling blijkt dat de GI de moeder reeds meerdere kansen heeft gegeven om mee te werken aan de hulpverlening. De moeder heeft daarnaast tijdens de mondelinge behandeling van 5 december 2024 aangegeven open te staan voor de hulpverlening, maar dit is uiteindelijk door haar weigering niet van de grond gekomen. Ook is de moeder sinds juli 2025 uit contact getreden met de GI. Het is van belang dat de moeder de hulpverlening gaat accepteren, aangezien de moeder op deze wijze de kans krijgt om te laten zien dat [minderjarige] bij haar kan blijven wonen. Verder is de kinderrechter van oordeel dat de afspraken waaraan de moeder zich dient te houden duidelijk zijn omschreven en voldoende zijn ingekaderd. Zo zijn er concrete dagen en tijden genoemd, hetgeen neerkomt op tweemaal twee uur per week, waarop de moeder de hulpverlener haar woning binnen moet laten. Dit komt dus niet neer op een continue observatie vanuit de GI. Daarnaast kan de kinderrechter zich vinden in de aanwijzing dat de moeder geen verbale of fysieke agressie meer laat zien, nu dit strafbare feiten betreffen en van de moeder kan worden verwacht dat zij dit nalaat. Tot slot is het niet onredelijk dat de GI de moeder de aanwijzing geeft om mee te werken aan de observaties in de thuissituatie en haar vraagt de evaluatiemomenten bij te wonen, aangezien er zicht moet komen op de thuissituatie van [minderjarige] en op de opvoedvaardigheden van de moeder. De kinderrechter ziet niet hoe het belang van de moeder zwaarder zou wegen of dat er door de GI onvoldoende rekening is gehouden met het belang van de moeder.

Op basis van het voorgaande kan de schriftelijke aanwijzing naar het oordeel van de kinderrechter gedeeltelijk worden bekrachtigd. Het doel van de aanwijzing is om de ouder die het gezag uitoefent een opdracht te geven om iets te doen of na te laten. De kinderrechter zal daarom alleen dat deel van de schriftelijke aanwijzing bekrachtigen dat ziet op de moeder en wat van haar wordt verlangd om te zorgen dat de ontwikkelingsbedreiging voor [minderjarige] wordt weggenomen. Het gedeelte van de aanwijzing dat een compliment betreft aan de moeder, meer specifiek punt drie van de aanwijzing, kan niet worden bekrachtigd, aangezien het geen opdracht betreft om iets te doen of na te laten. Ook merkt de kinderrechter op dat in de schriftelijke aanwijzing wordt vermeldt dat de moeder de hulpverlening vanuit [hulpverlening 1] moet accepteren. Tijdens de mondelinge behandeling is echter gebleken dat [hulpverlening 2] deze hulpverlening zal bieden in plaats van [hulpverlening 1] . De schriftelijke aanwijzing zal, wat dit gedeelte betreft, wel worden bekrachtigd, nu het enkel een wijziging van de hulpverlener betreft en het nog steeds noodzakelijk is dat de moeder de hulpverlening haar woning binnenlaat. Tot slot is de datum van het eerste evaluatiemoment, zoals genoemd in punt vijf van de schriftelijke aanwijzing, inmiddels gepasseerd, maar zal ook dit gedeelte van de aanwijzing worden bekrachtigd, aangezien het van belang is dat de moeder, ook in de toekomst, blijft meewerken aan de evaluatiemomenten.

Tegen deze beslissing staat geen gewoon rechtsmiddel open. Ingevolge artikel 807 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering kan alleen cassatie in het belang der wet worden ingesteld. Hoger beroep is dus niet mogelijk. Dit betekent dat deze beslissing directe werking heeft.

Dit leidt tot de volgende beslissing.

6. De beslissing

De kinderrechter:

bekrachtigt de schriftelijke aanwijzing van 27 maart 2025 voor dat deel dat rechtstreeks toeziet op de gedragingen van de moeder en wel dat:

1. De moeder werkt actief mee aan de geboden hulpverlening. Dit betekent dat zij de ondersteuner mw. [naam] van [hulpverlening 1] (tijdens de mondelinge behandeling is gebleken dat deze hulpverlening voortaan door [hulpverlening 2] zal worden geboden) bij haar thuis binnen laat op de afgesproken tijden. Deze zijn op: maandagen 13 – 15 uur; donderdagen 13 – 15 uur.

2. De moeder laat nooit meer verbale of fysieke agressie zien. Dit houdt in dat zij nooit meer verbaal (spreken) en fysiek (onder andere schoppen en slaan) hulpverleners benadert. Er komen geen dreigementen zoals “Als je hier voor de deur stond had ik je kop eraf gehakt” of “Je weet nu wat ik gaan doen” (Hiermee doel je op het halen van een voorwerp om de persoon tegenover jou mee te gaan slaan).

3. De moeder werkt mee aan de observaties in de thuissituatie zodat wij kunnen zien of zij voldoende in staat is haar zoon op te voeden (Goed genoeg ouderschap).

4. De moeder werkt actief mee aan de evaluatie momenten, waarvan de eerste is op donderdag 10 april 2025 om 13:30 uur bij u thuis. Deze tijd is in tegenstelling wat in de aankondiging staat, vervroegd.

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beslissing is gegeven door mr. Van de Kraats, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Boomaars, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 3 september 2025.

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. Boomaars

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?