RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaaknummer: C/02/441920 / JE RK 25-2016
Datum uitspraak: 3 december 2025
Beschikking van de kinderrechter over een ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
RAAD VOOR DE KINDERBESCHERMING,
Zeeland-West-Brabant, Breda,
hierna te noemen: de Raad,
over
[minderjarige 1] , geboren op [geboortedag] 2025 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige 1] .
De kinderrechter merkt als belanghebbende aan:
[de moeder] ,
hierna te noemen de moeder,
wonende in [plaats 1] ,
advocaat: mr. S. Gerrits uit Eindhoven.
De kinderrechter merkt als informant aan:
[de biologische vader] , de biologische vader,
hierna te noemen: de vader.
wonende in [plaats 2] ,
STICHTING JEUGDBESCHERMING BRABANT,locatie Tilburg, hierna te noemen: de gecertificeerde instelling (GI).
1. Het verloop van de procedure
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
het verzoekschrift van de Raad met bijlagen, ontvangen op 18 november 2025;
het raadsonderzoek van 24 november 2025.
Op 3 december 2025 heeft de kinderrechter het verzoek met gesloten deuren behandeld. Daarbij waren aanwezig en zijn gehoord:
- de advocaat van moeder;
- een vertegenwoordiger van de Raad;
- een vertegenwoordiger van de GI.
Hoewel de vader correct is opgeroepen als informant, is hij niet bij de zitting verschenen. Van de advocaat van de moeder heeft de kinderrechter vernomen dat zij niet naar de rechtbank kon komen in verband met ziekte. De kinderrechter besluit de zitting voort te zetten bij afwezigheid van de vader en de moeder.
2. De feiten
Tijdens de affectieve relatie van de ouders is [minderjarige 1] geboren.
Moeder is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] . De vader heeft [minderjarige 1] niet erkend.
[minderjarige 1] en de moeder verbleven vanaf 8 augustus 2025 op de [groep] van Sterk Huis. Met ingang van 12 september 2025 is [minderjarige 1] opgenomen in het [ziekenhuis] . Op die datum, dus op 12 september 2025 heeft de Raad voor de Kinderbescherming de kinderrechter mondeling verzocht [minderjarige 1] met spoed voorlopig onder toezicht te stellen. Dit verzoek is toegewezen voor twee weken en voor het overige aangehouden. Op 18 september 2025 verzoekt de GI met spoed een uithuisplaatsing voor [minderjarige 1] . Ook dit verzoek wordt toegewezen, en wel tot 26 september 2025 en voor het overige aangehouden. Op 22 september 2025 wordt de moeder gehoord over de spoedverzoeken.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft vervolgens bij beschikking van 22 september 2025 [minderjarige 1] voorlopig onder toezicht gesteld tot 12 december 2025. Tevens heeft de kinderrechter in deze rechtbank bij beschikking van 22 september 2025 een machtiging verleend om [minderjarige 1] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een voorziening voor pleegzorg tot 12 december 2025. Op grond van deze machtigingen heeft [minderjarige 1] sinds zijn ontslag uit het ziekenhuis bij een pleeggezin verbleven.
3. Het verzoek
De Raad verzoekt [minderjarige 1] onder toezicht te stellen voor de duur van twaalf maanden.
Ook verzoekt de Raad een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] in een voorziening voor pleegzorg te verlenen voor de duur van twaalf maanden.
De Raad verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
4. Het standpunt van de Raad
Ter onderbouwing van en in aanvulling op het verzoek heeft de Raad, samengevat, aangevoerd dat er zorgen zijn over de veiligheid en ontwikkeling van [minderjarige 1] . Bij de plaatsing van moeder en [minderjarige 1] op [groep] van Sterk Huis op 8 augustus 2025 is, naar aanleiding van een blauw plekje, preventief een skeletstatus gemaakt in het ETZ. Op 12 september 2025 ontvangt Veilig Thuis de melding vanuit het ETZ dat bij [minderjarige 1] herstellende botbreuken zijn geconstateerd. Er zijn inmiddels meerdere skeletscans gemaakt. Volgens het LECK zijn de breuken op de eerste skeletstatus minstens 1-2 weken oud. Dat maakt dat er geconcludeerd wordt dat het letsel is ontstaan voordat de moeder met [minderjarige 1] bij Sterk Huis is opgenomen. Beide ouders kunnen geen verklaring geven voor het ontstaan van de botbreuken. Er loopt een strafrechtelijk onderzoek naar beide ouders. De moeder wordt verdacht van het onvoldoende beschermen van [minderjarige 1] . De Raad neemt in het advies mee dat vader in België is veroordeeld voor ernstige mishandeling van [minderjarige 2] , het halfzusje van [minderjarige 1] , waarvoor hij een gevangenisstraf van drie jaar opgelegd heeft gekregen. België heeft Nederland verzocht de straf over te nemen. Het is nog niet bekend wanneer de straf ten uitvoer gelegd zal worden.
Het gaat met [minderjarige 1] naar omstandigheden goed in het pleeggezin. Hij drinkt en slaapt goed en lijkt goed te herstellen van de botbreuken. Voor een goede hechtingsrelatie met de moeder is het belangrijk dat [minderjarige 1] contact heeft met zijn moeder. Het begeleide contact met moeder dat [minderjarige 1] een aantal keren per week heeft met zijn moeder verloopt goed en er wordt gekeken of dit uitgebreid kan worden. Sterk Huis heeft aangegeven dat zolang de moeder de relatie met de vader aanhoudt, zij niet welkom is voor wederom een plaatsing met [minderjarige 1] . Zij kunnen de veiligheid van [minderjarige 1] dan niet waarborgen. Indien de moeder overweegt de relatie te verbreken, dan wil Sterk Huis de herplaatsing heroverwegen. De Raad vindt het zorgelijk dat de moeder aangeeft dat zij de relatie met de vader niet zal verbreken. Zij laat daarmee zien dat ze haar keuzes niet maakt in het belang van [minderjarige 1] . Terugplaatsing van [minderjarige 1] bij de moeder behoort daarom nog niet tot de mogelijkheden. Zodra dit wel het geval is zal hierop direct worden ingezet. Het pleeggezin waarin [minderjarige 1] verblijft is niet perspectiefbiedend.
De ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing zijn noodzakelijk om de veiligheid van [minderjarige 1] te waarborgen. De ouders hebben onvoldoende inzicht in hun eigen rol bij het ontstaan van het letsel en in hoe zij [minderjarige 1] hadden kunnen en moeten beveiligen. Er moet zicht worden gehouden op de opvoedvaardigheden van de ouders. De Raad handhaaft de verzoeken. Mocht de kinderrechter van mening zijn dat de machtiging tot uithuisplaatsing niet voor één jaar moet worden afgegeven, verzoekt de Raad de machtiging deels toe te wijzen en voor het overige deel aan te houden, zodat er een toetsmoment komt. Op die manier kan de kinderrechter de gang van zaken blijven monitoren.
5. Het standpunt van de belanghebbende
Namens de moeder is, samengevat, het volgende naar voren gebracht. De moeder geeft aan dat het bij de omgang goed gaat. Zij is opgelucht dat is geconstateerd dat het letsel van [minderjarige 1] niet is ontstaan tijdens het verblijf bij Sterk Huis. Daarmee wil de moeder aangeven dat [minderjarige 1] veilig is bij haar. De moeder wil samen met [minderjarige 1] naar een moeder-kindhuis, bijvoorbeeld naar [moeder kindhuis] . De mogelijkheden daartoe zullen met de GI worden onderzocht. De moeder sluit zich aan bij de ondertoezichtstelling, maar verzoekt de uithuisplaatsing niet voor één jaar maar voor drie maanden toe te wijzen, zodat de zaak niet op de lange baan komt. Vanwege de leeftijd van [minderjarige 1] is het enorm belangrijk dat hij zich kan gaan hechten. De moeder vindt het daarom belangrijk niet te wachten tot het strafrechtelijk onderzoek is afgerond, aangezien dat nog heel lang kan duren.
6. Het standpunt van de GI
De GI kan zich vinden in het verzoek van de Raad. Er bestaan grote zorgen over de veiligheid van [minderjarige 1] . Het gaat goed gaat met [minderjarige 1] bij het pleeggezin. De GI geeft aan dat het LECK heeft geconstateerd dat het letsel is toegebracht en dus niet-accidenteel is. De GI vindt het belangrijk af te wachten wat er uit het strafrechtelijk onderzoek komt, omdat dat leidend zal zijn voor de verdere invulling van de kinderbeschermingsmaatregelen. Het is echter niet wenselijk daarop te wachten, aangezien dit waarschijnlijk nog lang zal duren en [minderjarige 1] nog erg jong is. Hij moet duidelijkheid krijgen zodat hij zich kan gaan hechten aan een vaste opvoeder.
De moeder komt consequent naar de begeleide contactmomenten en doet alles wat met haar wordt besproken. Ze vindt het heel belangrijk dat ze er kan zijn voor [minderjarige 1] . De vader is pas twee keer naar het contactmoment gekomen. Er is daarbij afgesproken dat de vader [minderjarige 1] niet mag aanraken, om de veiligheid van [minderjarige 1] te waarborgen. De vader geeft aan dat hij dat moeilijk vindt.
Het pleeggezin waar [minderjarige 1] nu verblijft is niet perspectief biedend. Er wordt onderzocht of [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in één pleeggezin kunnen gaan verblijven.
7. De beoordeling
Ondertoezichtstelling
Ingevolge het bepaalde in artikel 1:255 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de kinderrechter een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling wanneer die minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en:
de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en;
de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247 lid 2 BW, in staat zijn te dragen.
De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een ondertoezichtstelling is voldaan. Er bestaat een ernstig vermoeden dat de ontwikkeling van [minderjarige 1] direct en ernstig wordt bedreigd. De ondertoezichtstelling is noodzakelijk om die bedreiging weg te nemen. Bij de plaatsing van [minderjarige 1] en de moeder op de [groep] van Sterk Huis is op 8 augustus 2025 preventief een skeletstatus afgenomen vanwege een blauwe plek. Ook op 22 augustus 2025 is een skeletstatus afgenomen. Beide onderzoeken zijn door het LECK beoordeeld, waarbij herstellende botfracturen zijn geconstateerd. Op 17 september 2025 heeft het ziekenhuis de resultaten van de tweede skeletstatus herbeoordeeld. Er is toen aanvullend letsel vastgesteld, waaronder een genezende ribfractuur. Deze breuk lijkt een ander tijdspad van heling te volgen dan de andere breuken. Het LECK heeft mede als gevolg hiervan nader onderzoek verricht. Op 26 september 2025 is wederom een skeletstatus afgenomen en op 19 september 2025 is een MRI-scan gemaakt. Volgens de GI heeft het LECK inmiddels geconcludeerd dat het gaat om non-accidenteel letsel. Dat betekent dat het letsel is toegebracht.
Gelet op de strafrechtelijke veroordeling van de vader voor ernstige mishandeling van de halfzus van [minderjarige 1] ( [minderjarige 2] ), kan niet anders worden geconstateerd dan dat er grote zorgen bestaan over de veiligheid van [minderjarige 1] . [minderjarige 1] is zeer jong en is volledig afhankelijk van zijn verzorgers. Het is belangrijk dat de GI betrokken blijft om de ontwikkeling en veiligheid van [minderjarige 1] te monitoren. Daarnaast is het van belang dat [minderjarige 1] zich kan hechten aan zijn verzorgers. Op dit moment verblijft [minderjarige 1] in een pleeggezin dat geen perspectief biedt.
De zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor [minderjarige 1] wordt door de moeder niet of onvoldoende geaccepteerd. De ouders kunnen (of willen) geen afdoende verklaring geven voor het letsel bij [minderjarige 1] en hebben eerder ook niet adequaat gehandeld door geen medische hulp te zoeken nadat het letsel bij [minderjarige 1] is ontstaan. Ondanks de veroordeling van de vader blijft de moeder voor hem kiezen en erkent ze niet dat de vader letsel bij [minderjarige 2] heeft toegebracht. De moeder heeft hierin bewust risico’s genomen ten opzichte van [minderjarige 1] . Dit roept ernstige twijfels op over het vermogen van de ouders om [minderjarige 1] te beschermen en zijn veiligheid te waarborgen.
Naar het oordeel van de kinderrechter is er aldus een ernstig vermoeden dat de ontwikkeling van [minderjarige 1] ernstig wordt bedreigd. Ondanks dat de moeder haar medewerking verleent aan de medische onderzoeken, kan de fysieke en emotionele veiligheid van [minderjarige 1] onvoldoende worden gegarandeerd nu de moeder geen afstand neemt van de vader en zij geen openheid van zaken geeft over hoe het letsel bij [minderjarige 1] is ontstaan. De ondertoezichtstelling is noodzakelijk om de inzet van een jeugdbeschermer mogelijk te maken die de veiligheid van [minderjarige 1] kan borgen middels een uitgebreid veiligheidsplan, vervolgens regie kan voeren over dit plan, de besluitvorming en de coördinatie van de noodzakelijk hulpverlening op zich kan nemen en kan monitoren of de veiligheid van [minderjarige 1] voldoende gegarandeerd is.
Gelet op het voorgaande zal het verzoek met betrekking tot de ondertoezichtstelling worden toegewezen voor de verzochte duur. De kinderrechter heeft zich ervan vergewist dat de moeder zich hiertegen niet verzet en dat vader zich hierover niet heeft uitgesproken.
De doelen waaraan tijdens de ondertoezichtstelling gewerkt moet worden, zijn:
[minderjarige 1] is fysiek en emotioneel veilig;
Er is zicht op een vervolgplaatsing van [minderjarige 1] , nu zijn huidige pleeggezin niet perspectiefbiedend is;
[minderjarige 1] heeft een goed, structureel en onbelast contact met zijn ouders en eventuele onmogelijkheden daarin zullen worden onderzocht;
De ouders geven openheid van zaken over hun relatie;
Er is duidelijkheid over de pedagogische vaardigheden van de ouders;
Er zijn voorwaarden opgesteld waarop [minderjarige 1] veilig terug bij de moeder kan wonen;
Er is duidelijkheid over de tenuitvoerlegging van het strafrechtelijk vonnis uit België.
Machtiging tot uithuisplaatsing
Ingevolge artikel 1:265b lid 1 BW kan de kinderrechter de GI, die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling, op haar verzoek machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid.
De kinderrechter is van oordeel dat de uithuisplaatsing van [minderjarige 1] noodzakelijk is in het belang van zijn verzorging en opvoeding. Voor de kinderrechter staat vast dat een plaatsing van [minderjarige 1] bij een pleeggezin op dit moment het beste is voor hem. Het gaat goed met [minderjarige 1] en zijn botbreuken en schedelfractuur herstellen goed. Zijn verblijf bij het pleeggezin moet dan ook gecontinueerd worden.
Anders dan is verzocht, zal de kinderrechter de machtiging niet verlenen voor één jaar, maar voor de duur van zes maanden. De kinderrechter zal het overige deel van het verzoek aanhouden. De kinderrechter overweegt daarbij dat een machtiging tot uithuisplaatsing voor de duur van één jaar een te lange periode is voor een kind van de leeftijd van [minderjarige 1] . Het is cruciaal dat een kind zich op jonge leeftijd veilig aan iemand kan gaan hechten. In eerste plaats zijn de ouders daarvoor de aangewezen personen, echter in de situatie van [minderjarige 1] is dat nu niet mogelijk omdat het contact maar zeer beperkt is. De GI zal daar oog voor moeten hebben en de mogelijkheden tot uitbreiding van het contact met de moeder moeten onderzoeken. Daarbij moet snel duidelijk worden wat het perspectief voor [minderjarige 1] is. Het pleeggezin waar [minderjarige 1] op dit moment verblijft is niet perspectiefbiedend. Dus wanneer duidelijk wordt dat [minderjarige 1] niet op korte termijn terug naar de moeder kan, dient zo snel mogelijk een perspectiefbiedend pleeggezin te worden gezocht. [minderjarige 1] niet kan wachten tot de strafzaak van de vader of - als de moeder ook vervolgd gaat worden - de ouders, is afgerond, aangezien dit nog erg lang kan duren. De kinderrechter volgt hierin het standpunt van de moeder en de GI. De kinderrechter geeft de GI daarbij mee dat er serieus gekeken dient te worden naar het samen opgroeien van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] , aangezien dat in het belang van beide kinderen is.
De kinderrechter merkt op dat moeder aangeeft de relatie met vader niet te zullen verbreken, terwijl dit een voorwaarde is voor (her)opname bij Sterk Huis. Hoewel het letsel is toegebracht voordat [minderjarige 1] en de moeder bij Sterk Huis waren geplaatst, is terugplaatsing van [minderjarige 1] naar de moeder op dit moment niet aan de orde is gelet op al het voorgaande. De kinderrechter is daarom van oordeel dat de uithuisplaatsing in een pleeggezin noodzakelijk is in het belang van [minderjarige 1] ’s verzorging en opvoeding. De kinderrechter zal, gezien de leeftijd van [minderjarige 1] en het feit dat er nog veel duidelijk moet worden, een machtiging afgeven voor de duur van een half jaar, zijnde tot 3 juni 2026. Het verzoek van de Raad tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] in een pleeggezin wordt voor het overige aangehouden. Zo wil de kinderrechter een vinger aan de pols houden.
Verdere voortgang
De kinderrechter verwacht van de Raad uiterlijk op na te melden PRO FORMA datum in een schriftelijk verslag (een en ander onder gelijktijdige verzending daarvan aan de advocaat van de moeder en de GI) met nadere informatie over:
- het verloop van de ondertoezichtstelling;
- de stand van zaken ten aanzien van de mogelijkheden om de moeder en [minderjarige 1] te herplaatsen bij Sterk Huis of te plaatsen in een ander moeder-kind huis;
- de stand van zaken in de strafzaak van de ouders;
- of [minderjarige 1] voor de resterende duur in zijn huidige pleeggezin kan verblijven, dan wel of er een ander (perspectiefbiedend)pleeggezin voor [minderjarige 1] is gevonden;
- of de Raad het resterende deel van het verzoek handhaaft.
Uitvoerbaar bij voorraad
De kinderrechter zal deze beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren omdat het in het belang van [minderjarige 1] is dat de beslissing ondanks een eventueel hoger beroep meteen kan worden uitgevoerd. Het is in het belang van [minderjarige 1] dat hij zo min mogelijk met wisselingen te maken krijgt.
8. De beslissing
De kinderrechter:
stelt [minderjarige 1] onder toezicht van Stichting Jeugdbescherming Brabant met ingang van 3 december 2025 tot 3 december 2026;
verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] in een voorziening voor pleegzorg met ingang van 3 december 2025 tot 3 juni 2026;
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
houdt de behandeling van het resterende deel van het verzoek van de Raad tot het verlenen van een machtiging tot uithuisplaatsing aan tot 30 april 2026 PRO FORMA, in afwachting van informatie van de Raad zoals weergegeven onder rechtsoverweging 7.11;
behoudt zich iedere verdere beslissing voor.
Deze beslissing is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 3 december 2025 door mr. Van Triest, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Vos als griffier.
De schriftelijke uitwerking van deze beschikking is vastgesteld op 11 december 2025.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.