RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Tilburg
Zaaknummer: 11702349 \ CV EXPL 25-2404
Vonnis van 10 december 2025
in de zaak van
[persoon 1] , H.O.D.N. [het klusbedrijf],
wonend in [plaats 1] ,
eisende partij in conventie,
verwerende partij in reconventie,
hierna te noemen: [het klusbedrijf] ,
gemachtigde: Klaverblad Verzekeringen,
tegen
[eigenaar woning] ,
wonend in [plaats 2] ,
gedaagde partij in conventie,
eisende partij in reconventie,
hierna te noemen: [eigenaar woning] ,
procederend in persoon.
1. De zaak in het kort
[het klusbedrijf] heeft werkzaamheden uitgevoerd in de woning van [eigenaar woning] en wil voor deze werkzaamheden betaald krijgen. [het klusbedrijf] stelt dat hierover een mondelinge overeenkomst is gesloten tussen hem en [eigenaar woning] . [eigenaar woning] betwist dat en voert aan dat hij alleen een overeenkomst heeft met zijn eigen oom. De werkzaamheden heeft [het klusbedrijf] volgens [eigenaar woning] in onderaanneming uitgevoerd. De kantonrechter is van oordeel dat [eigenaar woning] zijn betwisting onvoldoende heeft gemotiveerd en niet blijkt dat hij een aanneemovereenkomst heeft met zijn oom. Ook blijkt niet van een (onder-) aanneemovereenkomst tussen [het klusbedrijf] en de oom of [het klusbedrijf] en nog een derde partij. Daarom moet [eigenaar woning] de redelijke kosten van [het klusbedrijf] betalen. [eigenaar woning] heeft in reconventie een vergoeding gevorderd voor onder andere emotionele schade. Hij heeft het erg zwaar gehad, omdat hij zijn echtgenote vanwege werkzaamheden in het buitenland niet kon steunen in een volgens hem dreigende periode na afronding van de werkzaamheden. De kantonrechter is van oordeel dat geen sprake is van onrechtmatig handelen door [het klusbedrijf] waardoor [eigenaar woning] schade heeft geleden en wijst daarom de reconventionele vorderingen af.
2. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 2 juli 2025
- de aktes van [het klusbedrijf] met overlegging van productie 12 en 13 en14
- de mondelinge behandeling van 13 oktober 2025, waarvan de griffier aantekeningen heeft gemaakt- de akte van [het klusbedrijf] van 23 oktober 2025 met een reactie op de nagezonden videobeelden van [eigenaar woning] en productie 15
- de brief van de griffier met het verzoek aan [eigenaar woning] om ontbrekend filmmateriaal te sturen
- de reactie van [eigenaar woning] op het verzoek van de griffier, ingekomen op 3 november 2025
- de reactie van [het klusbedrijf] op het laatste bericht van [eigenaar woning] .
Ten slotte heeft de kantonrechter bepaald dat vonnis wordt gewezen.
3. De feiten
De kantonrechter gaat uit van de volgende feiten:
- [het klusbedrijf] heeft in maart 2024 twee weken lang isolatie- en bijbehorende werkzaamheden uitgevoerd in de woning van [eigenaar woning] .
- Aan het einde van de eerste week heeft [het klusbedrijf] een contante betaling van € 3.000,00 ontvangen van de oom van [eigenaar woning] , de heer [eigenaar woning] . Dit bedrag was eerder die dag door [eigenaar woning] zelf gepind.
- Aan het einde van de tweede week op 22 maart 2024 heeft [het klusbedrijf] betaling van de werkzaamheden gevraagd aan de echtgenote van [eigenaar woning] die op dat moment in de woning aanwezig was. Zij heeft geen bedrag betaald.
- Daarover heeft vervolgens een discussie plaatsgevonden in de woning, waarbij de echtgenote van [eigenaar woning] aanleiding zag om de politie te bellen. De politie is ter plaatse geweest en heeft gesproken met [het klusbedrijf] , de twee medewerkers van [het klusbedrijf] , de echtgenote van [eigenaar woning] en de vader van [eigenaar woning] , die ook aanwezig was. De echtgenote van [eigenaar woning] en [eigenaar woning] hebben aangifte gedaan tegen [het klusbedrijf] .
- Op 24 maart 2024 heeft [het klusbedrijf] een factuur gestuurd voor de uitgevoerde werkzaamheden inclusief reiskosten voor een totaalbedrag van € 9.340,08.
- [eigenaar woning] heeft deze factuur, ondanks aanmaningen, niet betaald.
- Op 5 november 2024 heeft de officier van justitie schriftelijk aan [het klusbedrijf] laten weten dat besloten is om hem niet meer te vervolgen.
4. Het geschil
in conventie
[het klusbedrijf] vordert - samengevat - veroordeling van [eigenaar woning] tot betaling van € 9.340,06, vermeerderd met rente en kosten.
Daarbij voert [het klusbedrijf] aan dat hij op basis van een mondelinge overeenkomst met [eigenaar woning] werkzaamheden heeft uitgevoerd in de woning van [eigenaar woning] . Daarvoor moet [eigenaar woning] nog een bedrag betalen. Voor zover de overeenkomst of de inhoud daarvan niet komt vast te staan, heeft [het klusbedrijf] volgens hem recht op betaling van een redelijke vergoeding voor de door hem uitgevoerde werkzaamheden op grond van artikel 7:752 BW (Burgerlijk Wetboek). In ieder geval maakt [het klusbedrijf] aanspraak op een schadevergoeding op grond van artikel 6:212 BW (ongerechtvaardigde verrijking).
[eigenaar woning] voert verweer en is van mening dat de vorderingen van [het klusbedrijf] moeten worden afgewezen. [eigenaar woning] betwist dat hij een overeenkomst heeft met [het klusbedrijf] . Hij heeft wel een overeenkomst met [bedrijf] B.V., het bedrijf van zijn oom, [eigenaar woning] [verder: oom]. Zijn oom heeft als aannemer alle werkzaamheden gecoördineerd. [het klusbedrijf] heeft in onderaanneming de werkzaamheden uitgevoerd. [eigenaar woning] stelt dat hij daarom niet aan [het klusbedrijf] hoeft te betalen. Bovendien heeft [eigenaar woning] al volledig aan zijn financiële verplichtingen aan zijn oom voldaan.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
in reconventie
[eigenaar woning] vordert - samengevat - veroordeling van [het klusbedrijf] tot betaling van € 1.000,00, vermeerderd met rente en kosten.
Daarbij voert hij aan dat zijn echtgenote door de bedreiging en huisvredebreuk slachtofferhulp heeft moeten ontvangen. Doordat hij kort na het incident werd uitgezonden, kon hij zijn familie niet steunen in deze bedreigende situatie, waardoor hij zeer geraakt was. Daarom vordert hij een bedrag van € 400,00 voor 8 uren werk aan de procedure en een bedrag van € 600,00 aan emotionele schadevergoeding.
[het klusbedrijf] voert verweer. Hij betwist dat sprake is van onrechtmatig handelen en dat sprake is van emotionele schade, zodat de vorderingen van [eigenaar woning] volgens hem moeten worden afgewezen.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
5. De beoordeling
in conventie
[het klusbedrijf] wil dat [eigenaar woning] aan hem een bedrag van € 9.340,06 betaalt. De grondslag daarvoor is volgens [het klusbedrijf] dat hij isolatiewerkzaamheden en alle daarmee verband houdende activiteiten in de woning van [eigenaar woning] heeft uitgevoerd. Dat is volgens hem gedaan op grond van een mondelinge overeenkomst tussen hem en [eigenaar woning] .
[het klusbedrijf] heeft ter onderbouwing van zijn stelling dat hij deze werkzaamheden heeft uitgevoerd foto’s, verklaringen van twee van zijn medewerkers en een rittenadministratie overgelegd. Voor de werkzaamheden was volgens [het klusbedrijf] een uurtarief van € 50,00 afgesproken. Daarnaast zijn volgens hem een kilometervergoeding van € 0,35 per gereden kilometer en voorrijkosten van € 25,00 per dag afgesproken. Dat zijn volgens hem ook zijn gebruikelijke tarieven. Ter onderbouwing daarvan heeft [het klusbedrijf] twee facturen met andere klanten van hem overgelegd.
[eigenaar woning] heeft niet betwist dat is afgesproken dat [het klusbedrijf] de aangegeven werkzaamheden zou uitvoeren en dat hij deze in zijn woning grotendeels ook heeft uitgevoerd. [eigenaar woning] heeft ook het aantal op de factuur van [het klusbedrijf] aangegeven arbeidsuren en de rittenadministratie niet betwist. Wel betwist [eigenaar woning] dat hij de contractspartij van [het klusbedrijf] is, zodat hij volgens hem niets aan [het klusbedrijf] hoeft te betalen. Daarbij voert [eigenaar woning] aan dat hij een aanneemovereenkomst heeft gesloten met zijn oom. Zijn oom heeft volgens [eigenaar woning] op zijn beurt een overeenkomst gesloten met [het klusbedrijf] , althans met een derde, de heer [persoon 2] . Ter onderbouwing daarvan heeft [eigenaar woning] een verklaring overgelegd van zijn oom.
Niet blijkt van een aanneemovereenkomst tussen [eigenaar woning] en zijn oom
De betwisting van [eigenaar woning] komt er in de kern op neer dat [eigenaar woning] een aanneemovereenkomst heeft gesloten met [bedrijf] B.V., althans zijn oom en dus niet met [het klusbedrijf] . Op grond van artikel 7:750 BW (Burgerlijk Wetboek) is sprake van een overeenkomst van aanneming van werk als de ene partij, de aannemer, zich jegens de andere partij, de opdrachtgever, verbindt om buiten dienstbetrekking een werk van stoffelijke aard tot stand te brengen en op te leveren, tegen een door de opdrachtgever te betalen prijs in geld.
[eigenaar woning] heeft naar het oordeel van de kantonrechter niet, althans onvoldoende gemotiveerd waaruit blijkt dat hij een aanneemovereenkomst heeft gesloten met [bedrijf] B.V., althans zijn oom. Zo heeft hij geen schriftelijke overeenkomst overgelegd. Ook heeft [eigenaar woning] geen facturen of betalingsbewijzen overgelegd. Wel heeft hij een verklaring van zijn oom overgelegd. Daarin schrijft de oom van [eigenaar woning] dat [eigenaar woning] hem als bouwkundige heeft gevraagd hem te helpen bij het isoleren van het dak van zijn woning. Hij verklaart “Na het maken van de keuzes van isolatiematerialen en werkwijze heb ik mijn aannemer gevraagd een prijs te maken. Na een aantal weken meldde hij mij dat hij het werk niet op korte termijn kon maken, maar gaf hij mij wel het telefoonnummer van [persoon 2] . Ik heb hem gebeld en met hem afgesproken het werk op 4 maart 2015 te bezoeken en afspraken te maken.” Daarna staat in de verklaring een opsomming van de afspraken, waaronder een bedrag aan arbeid van € 3.726,80 inclusief 10% voor [persoon 2] . Hieruit volgt echter niet of de oom van [eigenaar woning] de afspraken met [persoon 2] heeft gemaakt in het kader van een overeenkomst tussen hem en [persoon 2] of in het kader van een overeenkomst tussen [persoon 2] en [eigenaar woning] . Bovendien heeft de oom van [eigenaar woning] verklaard dat de betalingen die [eigenaar woning] deed rechtstreeks werden doorgegeven aan [het klusbedrijf] en [persoon 2] waar hij schrijft “Kortom, ik heb afspraken gemaakt met [eigenaar woning] over het isoleren van het dak van [adres] . Vervolgens heb ik afspraken gemaakt met [persoon 2] over het uitvoeren van de werkzaamheden. [eigenaar woning] heeft volgens de afspraken alle bedragen aan mij betaald om die vervolgens te betalen aan de ingehuurde arbeiders en de heer [persoon 2] .” Tijdens de mondelinge behandeling is bevestigd dat een door [eigenaar woning] gepind bedrag later die dag door de oom van [eigenaar woning] aan [het klusbedrijf] is doorgegeven. Ook dat onderbouwt niet de stelling dat sprake was van een aanneemovereenkomst tussen [eigenaar woning] en zijn oom.
Overigens verklaart de oom van [eigenaar woning] nog “Op 11 maart 2025 zijn de heren [persoon 1] en [persoon 3] begonnen met de werkzaamheden. Op woensdag 20 maart 2025 kwam [persoon 4] erbij […] Alle hierboven genoemde bedragen zijn aan hen betaald. Op de laatste vrijdag 22 maart 2025 eisten zij meer geld […] Tijdens de werkzaamheden was ik aanwezig en heb toezicht gehouden. Ik heb na de eerste week en op 19 maart 2025 aan de heren [het klusbedrijf] en [persoon 3] tussentijdse betalingen gedaan. Aan het eind van de werkzaamheden heb ik met de heer [persoon 2] de eindbalans opgemaakt en hem het resterende bedrag betaald.” [het klusbedrijf] heeft echter betwist dat hij méér heeft gekregen dan één contante aanbetaling van € 3.000,00 in de eerste week.
[eigenaar woning] heeft daarnaast aangevoerd dat blijkt van een overeenkomst tot (onder-) aanneming tussen [het klusbedrijf] en zijn oom dan wel tussen [het klusbedrijf] en [persoon 2] . Voor zover [eigenaar woning] daarmee betoogt dat op grond daarvan er geen sprake kan zijn van een aanneemovereenkomst tussen [eigenaar woning] en [het klusbedrijf] , is de kantonrechter van oordeel dat ook dit onvoldoende is gemotiveerd door [eigenaar woning] .
onvoldoende blijkt van een overeenkomst tussen de oom van [eigenaar woning] en [het klusbedrijf]
Volgens [eigenaar woning] heeft zijn oom via [persoon 2] [het klusbedrijf] als onderaannemer ingeschakeld. Hoewel [eigenaar woning] niet weet welke afspraken er zijn gemaakt tussen zijn oom en [het klusbedrijf] , is er volgens hem wel bewijs van een (indirecte) zakelijke relatie, omdat zijn oom een tussentijdse betaling heeft gedaan aan [het klusbedrijf] . Bovendien regelde zijn oom alles op het werk.
[het klusbedrijf] heeft betwist dat sprake is van een overeenkomst tussen hem en de oom van [eigenaar woning] . Daarbij heeft hij aangevoerd dat hij de oom van [eigenaar woning] pas tijdens het werk voor het eerst heeft ontmoet. Dat hij daar aanwijzingen gaf, maakt volgens [het klusbedrijf] niet dat er sprake is van een overeenkomst tussen hem en de oom van [eigenaar woning] . Bovendien heeft de oom van [eigenaar woning] volgens [het klusbedrijf] zelf ontkend dat hij met [het klusbedrijf] een overeenkomst had. Ter onderbouwing daarvan heeft [het klusbedrijf] een factuur overgelegd die hij na afwijzing door [eigenaar woning] aan de oom van [eigenaar woning] had gestuurd. Daarop staat de door de oom van [eigenaar woning] met de handgeschreven tekst “Retour afzender, Er is geen contract of opdracht. Factuur wordt niet gehonoreerd.” Een afschrift daarvan heeft [het klusbedrijf] in deze procedure overgelegd. Daarnaast heeft [het klusbedrijf] een geluidsfragment van een telefoongesprek tussen hem en de oom van [eigenaar woning] ingebracht waarin de oom van [eigenaar woning] zegt: “Luister even, ik betaal jou niet, uiteindelijk, maar zij betalen jou uiteindelijk”
Door deze gemotiveerde betwisting van [het klusbedrijf] , blijkt er naar het oordeel van de kantonrechter onvoldoende dat sprake is van een overeenkomst tussen de oom van [eigenaar woning] en [het klusbedrijf] . Dat betekent dat op deze grond niet, althans onvoldoende blijkt van een overeenkomst tot onderaanneming op grond waarvan [eigenaar woning] geen contractspartij is van [het klusbedrijf] .
onvoldoende blijkt van een overeenkomst tussen [persoon 2] en [het klusbedrijf]
[eigenaar woning] heeft nog aangevoerd dat [persoon 2] een aanneemovereenkomst heeft met [het klusbedrijf] , omdat op de factuur van [het klusbedrijf] staat :
“Contact/contract persoon:
[persoon 2] ”
[het klusbedrijf] heeft betwist dat sprake is van een aanneemovereenkomst tussen hem en [persoon 2] . Daarbij heeft [het klusbedrijf] toegelicht dat [persoon 2] via een gezamenlijke vriend heeft gevraagd of [het klusbedrijf] het werk kon uitvoeren. [het klusbedrijf] heeft vervolgens het telefoonnummer van [eigenaar woning] gekregen en heeft vervolgens afspraken gemaakt met [eigenaar woning] . [het klusbedrijf] betwist dat hij verdere afspraken heeft gemaakt met [persoon 2] . Ook betwist hij dat hij geld heeft gekregen van [persoon 2] .
De kantonrechter is van oordeel dat door de betwisting van [het klusbedrijf] er onvoldoende aanleiding is om uit te kunnen gaan van een aanneemovereenkomst tussen [persoon 2] en [het klusbedrijf] . Weliswaar volgt uit de aangedragen feiten dat [persoon 2] ervoor heeft gezorgd dat [het klusbedrijf] in beeld kwam om de werkzaamheden uit te voeren, maar niet blijkt dat sprake was van een aanneemovereenkomst tussen [persoon 2] en [het klusbedrijf] . De enkele notitie contactpersoon/contractpersoon doet daaraan naar het oordeel van de kantonrechter niet af. Daarbij overweegt de kantonrechter dat de oom van [eigenaar woning] bovendien heeft verklaard dat hij zowel aan de ingehuurde arbeiders als aan [persoon 2] heeft betaald. Het is zonder nadere toelichting, die hier ontbreekt, niet logisch dat de oom van [eigenaar woning] een betaling zou doen aan [het klusbedrijf] als [persoon 2] een overeenkomst met [het klusbedrijf] zou hebben.
Dat betekent dat ook op grond hiervan niet, althans onvoldoende blijkt dat sprake is van een overeenkomst tot onderaanneming.
Op grond van deze overwegingen is de kantonrechter van oordeel dat [eigenaar woning] de stelling van [het klusbedrijf] dat hij de werkzaamheden heeft uitgevoerd op grond van een tussen hem en [eigenaar woning] gesloten mondelinge overeenkomst onvoldoende gemotiveerd heeft betwist. Dat betekent dat [eigenaar woning] aan [het klusbedrijf] voor de uitgevoerde werkzaamheden moet betalen.
[eigenaar woning] heeft de op de factuur aangegeven aantallen bij de arbeidsuren en kilometervergoeding niet betwist, zodat de kantonrechter deze als uitgangspunt neemt. [eigenaar woning] heeft wel betwist dat hierover prijsafspraken zijn gemaakt.
Op grond van artikel 7:752 BW is uitgangspunt dat als de prijs bij het sluiten van de overeenkomst niet is bepaald, de opdrachtgever een redelijke prijs moet betalen. Daarbij wordt rekening gehouden met de door de aannemer ten tijde van het sluiten van de overeenkomst gewoonlijk bedongen prijzen en met de door hem ter zake van de vermoedelijke prijs gewekte verwachtingen. Omdat niet schriftelijk is vastgelegd wat partijen zijn overeengekomen en [eigenaar woning] de prijsafspraken betwist, zal de kantonrechter daarom op grond hiervan een redelijke prijs bepalen.
[het klusbedrijf] heeft gesteld dat voor arbeid een uurtarief van € 50,00 exclusief btw is afgesproken. Dit is volgens hem ook zijn gebruikelijke prijs. Ter onderbouwing daarvan heeft [het klusbedrijf] twee facturen aan andere klanten overgelegd. Daarop staat een uurtarief van € 50,00 exclusief btw vermeld.
Op grond daarvan gaat de kantonrechter ervan uit dat dit een voor [het klusbedrijf] gebruikelijk tarief is. De kantonrechter vindt dit ook een redelijk uurtarief voor de uitgevoerde werkzaamheden. Dat betekent dat [eigenaar woning] voor arbeid in totaal een bedrag moet betalen van (158 uur * € 50,00 =) € 7.900,00 exclusief btw.
[het klusbedrijf] heeft gesteld dat een kilometervergoeding van € 0,35 per gereden kilometer is afgesproken. Ter onderbouwing daarvan verwijst hij ook naar de genoemde twee facturen.
De kantonrechter heeft geconstateerd dat op de genoemde twee facturen bij ‘kilometer geld’ een bedrag van € 0,25 staat vermeld. [het klusbedrijf] heeft tijdens de mondelinge behandeling toegelicht dat de prijzen inmiddels zijn gestegen en daarom een bedrag van € 0,35 redelijk is. [het klusbedrijf] heeft de prijsstijging echter niet gemotiveerd. Bovendien zijn de werkzaamheden die op de twee genoemde facturen staan vermeld uitgevoerd in januari 2024 en de werkzaamheden bij [eigenaar woning] in maart 2024, slechts twee maanden later.
De kantonrechter is dan ook van oordeel dat voor kilometer geld een vergoeding van € 0,25 een gebruikelijk en redelijk tarief is. Dat betekent dat [eigenaar woning] aan kilometer geld een bedrag van (€ 0,25 * 3424 =) € 856,00 moet betalen.
Tot slot heeft [het klusbedrijf] gesteld dat voor de vergoeding van de reisuren een vast bedrag aan voorrijdkosten van € 25,00 per dag is afgesproken. [het klusbedrijf] heeft deze post niet onderbouwd. Op de twee genoemde facturen zijn voorrijkosten niet apart in rekening gebracht. Zonder nadere toelichting, die ontbreekt, blijkt niet op grond waarvan deze aanvullende afspraak redelijk is en dat hiervoor, naast het kilometer geld, afzonderlijk door [eigenaar woning] moet worden betaald. Dit deel van de vordering, een bedrag van € 1.100,00 exclusief btw, wordt daarom afgewezen.
[eigenaar woning] heeft nog aangevoerd dat op de door hem overgelegde deurbelopnames te horen is dat [het klusbedrijf] diverse keren zegt dat hij nog recht heeft op een bedrag van € 1.700,00. Op grond daarvan is [eigenaar woning] van mening dat [het klusbedrijf] niet recht heeft op meer dan € 1.700,00.
Hoewel op de deurbelopnames inderdaad te horen is dat [het klusbedrijf] dit bedrag meerdere keren noemt, staat vast dat niet het hele gesprek tussen [het klusbedrijf] , de echtgenote van [eigenaar woning] , zijn vader en de politie is opgenomen, althans overgelegd. Daarom kan niet worden vastgesteld wat [het klusbedrijf] hierover verder nog heeft verklaard. Bovendien heeft [eigenaar woning] niet betwist dat het op de factuur genoemde aantal uren overeenkomt met het aantal gewerkte uren. Het daarbij behorende bedrag is meer dan € 1.700,00. Daarom is de kantonrechter van oordeel dat wat op de opnames te horen is niet afdoet aan de verplichting van [eigenaar woning] om de hiervoor aangegeven bedragen aan arbeid en kilometer geld te betalen. Dat betekent dat [eigenaar woning] in totaal een bedrag moet betalen van € 7.594,76 inclusief btw. Dit bedrag is als volgt opgebouwd:
arbeid € 7.900,00
kilometervergoeding € 856,00 +
subtotaal € 8.756,00
+ 21% btw € 1.838,76 +
subtotaal € 10.594,76
betaald handgeld € 3.000,00 -
Totaal € 7.594,76
[eigenaar woning] moet wettelijke rente te betalen
[het klusbedrijf] vordert wettelijke rente. Op grond van artikel 6:119 BW is een partij wettelijke rente verschuldigd vanaf de dag van verzuim. Er is sprake van verzuim op het moment dat de schuldenaar nog niet heeft betaald, terwijl hij dat wel verplicht was.
[het klusbedrijf] vordert de rente vanaf 11 september 2024. Daarbij heeft hij niet gesteld op grond waarvan [het klusbedrijf] vanaf die datum in verzuim verkeerde. Daarom wijst de kantonrechter de rente toe vanaf het moment van dagvaarden, zoals subsidiair gevorderd.
[eigenaar woning] hoeft de buitengerechtelijke kosten niet te betalen
[het klusbedrijf] wil dat [eigenaar woning] een vergoeding van € 1.309,00 aan buitengerechtelijke kosten betaalt op grond van artikel 6:96 lid 2 sub b en c BW. De gevorderde vergoeding komt echter niet voor toewijzing in aanmerking, omdat niet gebleken is dat in de aanmaningen aan [eigenaar woning] een betalingstermijn van 14 dagen is gegeven ingaande de dag na ontvangst daarvan, zoals vereist door artikel 6:96 lid 6 BW.
[eigenaar woning] moet de proceskosten betalen
[eigenaar woning] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [het klusbedrijf] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
€
120,78
- griffierecht
€
257,00
- salaris gemachtigde
€
847,50
(2,5 punten × € 339,00)
- nakosten
€
135,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
1.360,28
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
in reconventie
[eigenaar woning] maakt aanspraak op betaling van € 1.000,00 aan schadevergoeding door [het klusbedrijf] . De schade bestaat volgens [eigenaar woning] voor een bedrag van € 400,00 aan kosten voor de tijd die [eigenaar woning] aan deze procedure heeft besteed. Het restantbedrag van € 600,000 betreft volgens [eigenaar woning] emotionele schade. Daarbij voert [eigenaar woning] aan dat hij het zwaar heeft gehad, omdat hij zijn echtgenote en familie in de bedreigende situatie na vrijdag 22 maart 2025 niet kon ondersteunen.
Niet blijkt van onrechtmatig handelen met schade voor [eigenaar woning] tot gevolg
De kantonrechter heeft op grond van de opnames van de videodeurbel geconstateerd dat [het klusbedrijf] op 22 maart 2025 op enig moment inderdaad dreigende taal heeft geuit. Ook blijkt dat de echtgenote van [eigenaar woning] hem meerdere keren heeft gevraagd uit de woning te gaan, terwijl hij dat niet deed. [eigenaar woning] heeft echter niet gesteld en ook is niet gebleken dat deze situatie een onrechtmatig handelen tegen [eigenaar woning] zelf oplevert. [eigenaar woning] heeft ook niet, althans onvoldoende gemotiveerd gesteld dat hierdoor sprake was van een dreigende situatie daarna. Overigens heeft [eigenaar woning] heeft in verband daarmee ook geen aangifte gedaan tegen [het klusbedrijf] . Tot slot staat vast dat [het klusbedrijf] niet verder vervolgd is naar aanleiding van de aangifte van zijn echtgenote. Dat [eigenaar woning] graag bij zijn echtgenote en familie was geweest om hen te steunen, maar dat niet kon vanwege zijn werk, maakt niet dat sprake is van een onrechtmatig handelen door [het klusbedrijf] jegens [eigenaar woning] . Om aanspraak te kunnen maken op emotionele schadevergoeding is bovendien op grond van artikel 6:106 BW vereist dat [het klusbedrijf] het oogmerk had om [eigenaar woning] dit nadeel toe te brengen en dat daadwerkelijk blijkt van aantasting van de persoon van [eigenaar woning] . Dit heeft [eigenaar woning] niet gesteld. Daarom wijst de kantonrechter dit deel van de gevorderde schadevergoeding af.
De gevorderde vermogensschade betreft de tijd die [eigenaar woning] heeft moeten besteden aan de procedure die [het klusbedrijf] is gestart. Ook op dat punt blijkt niet van onrechtmatig handelen van [het klusbedrijf] , zodat de kantonrechter ook dit deel van de vordering afwijst.
Daarmee is [eigenaar woning] in reconventie in het ongelijk gesteld en moet hij de proceskosten (inclusief nakosten) in reconventie betalen. De proceskosten van [het klusbedrijf] worden begroot op een bedrag van € 135,00 (1 punt × € 135,00) aan salaris gemachtigde.
6. De beslissing
De kantonrechter
in conventie
veroordeelt [eigenaar woning] om aan [het klusbedrijf] te betalen een bedrag van € 7.594,76, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf de dag van dagvaarding tot de dag van volledige betaling,
veroordeelt [eigenaar woning] in de proceskosten van € 1.360,28, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [eigenaar woning] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
in reconventie
wijst de vorderingen van [eigenaar woning] af,
veroordeelt [eigenaar woning] in de proceskosten van € 135,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [eigenaar woning] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
zowel in conventie als in reconventie
veroordeelt [eigenaar woning] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. Tilman-Knoester en in het openbaar uitgesproken op 10 december 2025.