ECLI:NL:RBZWB:2025:8909

ECLI:NL:RBZWB:2025:8909, Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 12-12-2025, C/02/435345 / FA RK 25-2471

Instantie Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak 12-12-2025
Datum publicatie 07-01-2026
Zaaknummer C/02/435345 / FA RK 25-2471
Rechtsgebied Civiel recht; Personen- en familierecht
Procedure Rekestprocedure
Zittingsplaats Middelburg

Samenvatting

GBM vader op verzoek van de Raad. Toegewezen. Moeder voortaan eenhoofdig gezag. Meervoudige kamer behandeling

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Team Familie- en Jeugdrecht

Zittingsplaats: Middelburg

Zaaknummer: C/02/435345 / FA RK 25-2471

Datum uitspraak: 12 december 2025

Beschikking van de meervoudige kamer betreffende beëindiging van het gezag

in de zaak van

DE RAAD VOOR DE KINDERBESCHERMING ZEELAND-WEST-BRABANT,

locatie Middelburg ,

hierna te noemen: de Raad,

betreffende de minderjarigen

[minderjarige 1] , geboren op [geboortedag 1] 2014 te [geboorteplaats 1] ,

hierna te noemen: [minderjarige 1] ,

[minderjarige 2] , geboren op [geboortedag 2] 2015 te [geboorteplaats 1] ,

hierna te noemen: [minderjarige 2] .

Als belanghebbenden in deze procedure worden aangemerkt:

[de moeder] ,

hierna te noemen: de moeder,

wonende te [woonplaats] ,

[de vader] ,

hierna te noemen: de vader,

wonende te [woonplaats] ,

advocaat: mr. J.C. van den Doel te Zierikzee.

Als informant is in de procedure betrokken:

STICHTING JEUGDBESCHERMING WEST ZEELAND,

hierna te noemen: de Gecertificeerde Instelling (GI),

gevestigd te Middelburg ,

1. Het procesverloop

De rechtbank oordeelt op grond van de navolgende stukken:

- het op 13 mei 2025 ingekomen verzoek tot gezagsbeëindiging, met bijlagen;

- het op 14 november ontvangen F9-formulier van mr. Van den Doel, met bijlage.

Het verzoek is mondeling behandeld door de meervoudige kamer met gesloten deuren op 18 november 2025. Bij die gelegenheid zijn verschenen de vrouw en de man, bijgestaan door zijn advocaat. Tevens waren aanwezig een vertegenwoordiger van de Raad en een vertegenwoordigster van de GI.

Voorafgaand aan voornoemde mondelinge behandeling zijn de minderjarigen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] ieder apart gehoord. Tijdens de zitting heeft de voorzitter samengevat wat de minderjarigen in hun gesprekken hebben gezegd. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.

2. De feiten

De ouders zijn gehuwd geweest. Bij beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, locatie Middelburg , van [datum] 2020 is in het huwelijk van de ouders de echtscheiding uitgesproken, welke beschikking op 12 augustus 2020 is ingeschreven in de daartoe bestemde registers van de burgerlijke stand.

Uit het huwelijk van de ouders zijn de navolgende minderjarige kinderen geboren:

- [minderjarige 1] , geboren op [geboortedag 1] 2014 te [geboorteplaats 1] ;

- [minderjarige 2] , geboren op [geboortedag 2] 2015 te [geboorteplaats 1] .

De minderjarigen verblijven bij de vrouw.

De ouders zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over de minderjarigen.

De kinderrechter van deze rechtbank heeft bij beschikking van 24 maart 2022

[minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder toezicht gesteld van de GI met ingang van 24 maart 2022 en tot

24 maart 2023. Deze maatregel is nadien steeds verlengd, laatstelijk bij beschikking van

22 september 2025, met ingang van 24 september 2025 en tot 24 maart 2026. Het resterende

deel van het verzoek is aangehouden tot de nadere mondelinge behandeling op 24 februari

2026.

3. Het verzoek

De Raad verzoekt het ouderlijk gezag van de vader over de minderjarigen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] te beëindigen en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

4. De standpunten

De Raad handhaaft het verzoek tot beëindiging van het gezag van de vader. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] worden ernstig in hun ontwikkeling bedreigd, omdat zij al jarenlang worden belast met veel spanningen, wantrouwen en conflicten tussen de ouders. Als gevolg daarvan raken [minderjarige 1] en [minderjarige 2] klem en verloren tussen de ouders, verkeren zij in een loyaliteitsconflict en zijn zij het contact met de vader verloren. Er is de afgelopen jaren diverse hulpverlening ingezet om de verstandhouding tussen de ouders te verbeteren en te werken aan contactherstel tussen de vader en de minderjarigen. De vader heeft zijn medewerking aan deze trajecten telkens voortijdig beëindigd, omdat hij de hulpverlening wantrouwt. Daarbij benoemt de Raad dat de vader zich onvoldoende lijkt te kunnen verplaatsen in wat zijn handelen betekent voor de minderjarigen en dat de vader zorgen blijft uiten over de moeder, terwijl deze zorgen door niemand anders worden bevestigd, waardoor de Raad deze niet voor waar kan aannemen. Het voorgaande maakt dat het de ouders nog steeds niet lukt om constructief met elkaar te communiceren en samen te werken, waardoor de spanningen en conflicten zich blijven voordoen, met name als de ouders samen beslissingen moeten nemen.

De minderjarigen hebben daar veel last van en ervaren hierdoor nog steeds onvoldoende rust en veiligheid. De spanningen en conflicten zijn de laatste tijd zelfs erger geworden doordat dorpsbewoners en familieleden zich hierin mengen. Verder hebben de minderjarigen veel verdriet en frustraties ervaren als gevolg van het gebrek aan contact met de vader en de drie mislukte trajecten voor het contactherstel. In eerste instantie wilden de minderjarigen graag contact met hun vader, maar inmiddels hebben zij daar geen emotionele ruimte meer voor. De beslissing om niet meer in te zetten op contactherstel heeft de minderjarigen wat rust en duidelijkheid gegeven, omdat zij nu weten waar zij aan toe zijn en dat de vader op korte termijn geen rol meer in hun leven speelt. Dit laatste heeft ook tot gevolg dat de vader al lange tijd geen zicht meer heeft op de minderjarigen en dus geen beslissingen over hen kan nemen. De Raad ziet geen perspectief om de situatie nog te kunnen veranderen. Daarom acht de Raad het van belang dat het gezag van de vader over de minderjarigen wordt beëindigd. De spanningen zullen afnemen als de moeder voortaan met het eenhoofdig gezag over de minderjarigen is belast. Daarbij adviseert de Raad om een informatieregeling tussen de ouders af te spreken waarbij de moeder de vader eens per kwartaal informeert over de minderjarigen.

De moeder stemt in met het verzoek van de Raad, al zal dat buiten de omstandigheid dat zij voortaan alleen de beslissingen over de minderjarigen kan nemen, weinig aan de situatie veranderen. De vader blijft immers de vader van de minderjarigen en de moeder zal de minderjarigen blijven ondersteunen als zij weer contact met de vader willen. Desgevraagd benoemt de moeder dat het goed gaat met de minderjarigen. Zij zetten stappen vooruit. Voorheen hadden zij veel verdriet over de situatie, maar door de therapie lukt het hen steeds beter om het een plekje te geven en erover te praten. Ook thuis wordt er over de vader gepraat. Verder benoemt de moeder dat het contact tussen de ouders op dit moment via de GI of via de school verloopt. Het duurt nu soms lange tijd voordat er een beslissing kan worden genomen. De moeder is overigens druk bezig met het vinden van een nieuwe woning, zodat de ouders niet meer zo dicht bij elkaar wonen. Dit is echter lastig en de moeder vindt het ook belangrijk dat de minderjarigen hun basisschool kunnen afmaken. Tot slot benoemt de moeder dat zij openstaat voor een informatieregeling. De door de Raad voorgestelde frequentie van eens per drie maanden lijkt de moeder wel wat weinig. Zij wil de vader best vaker over de minderjarigen informeren als hij daarvoor openstaat.

De advocaat bepleit namens de vader afwijzing van het verzoek. Er wordt niet aan het wettelijke criterium voldaan. De vader betwist dat de minderjarigen klem of verloren raken, omdat hij tot op heden geen gezagsbeslissingen heeft geweigerd en nooit misbruik heeft gemaakt van zijn gezag. Het heeft hoogstens soms wat langer geduurd voordat er een gezagsbeslissing kon worden genomen, maar het is nooit voorgekomen dat dit niet mogelijk was. Daarbij komt dat een gezagsbeëindiging het contactverlies en de gevoelens van verdriet en boosheid van de minderjarigen niet zal oplossen. Er zit ook geen causaal verband tussen het gezag van de vader en deze gevoelens van de minderjarigen. Bovendien is er al rust ontstaan bij de minderjarigen doordat zij nu weten dat de vader geen actieve rol speelt in hun leven. Dit wordt door de Raad bevestigd. De verzochte gezagsbeëindiging zal daarom, zoals de moeder ook aangeeft, niet zoveel aan de situatie veranderen. Er kan daarom niet tot zo’n zware maatregel worden overgegaan. Dat het hoofdverblijf en het perspectief van de minderjarigen bij de moeder liggen, maakt de situatie niet anders. Hieruit blijkt namelijk niet dat de vader niet in staat is om de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding binnen de aanvaardbare termijn te dragen. Hij draagt deze verantwoordelijkheid nu vanwege de situatie niet, maar kan dat wel. De vader zal ook in de toekomst zijn gezag niet misbruiken en steeds zijn toestemming verlenen, waarbij de communicatie tussen de ouders via tussenpersonen kan blijven verlopen. De vader wil graag een lijntje richting de minderjarigen behouden. Daarom dient het verzoek te worden afgewezen.

De vader heeft in zijn schriftelijke verklaring en tijdens de zitting naar voren gebracht dat hij erg veel van de minderjarigen houdt en de afgelopen jaren steeds heeft geprobeerd om in hun belang te handelen. Toen het contact met de minderjarigen steeds moeizamer werd doordat de moeder steeds negatiever praatte over de vader en zijn nieuwe vriendin, zijn de minderjarigen in een loyaliteitsconflict beland. De man bevond zich toen in een onmogelijke positie. Enerzijds wilde hij het contact met de minderjarigen behouden, anderzijds wilde hij hen niet dwingen of belasten. Uiteindelijk heeft hij ervoor gekozen om het contact los te laten, in de hoop dat dit de minderjarigen rust zou geven en ook omdat er continu leugens werden verzonnen, waardoor hij met veel woede en frustraties kampte, en zijn nieuwe gezin niet meer kon bieden wat hij hen wilde bieden. Daarom moest hij keuzes maken. Over het stopzetten van de trajecten tot contactherstel benoemt de vader desgevraagd dat het niet mogelijk is om te werken aan contactherstel als de basis uit leugens bestaat. Verder benoemt de vader dat hij nog steeds veel zorgen heeft over de thuissituatie van de moeder. Volgens de vader zijn de minderjarigen daar niet veilig. Ook daarom wil hij graag zijn gezag over de minderjarigen behouden. Hij zal zijn toestemming voor de gezagsbeslissingen blijven verlenen. Tot slot benoemt de vader dat hij wil dat de minderjarigen weten dat hij van hen houdt en dat hij er voor hen wil zijn op een manier die voor hen veilig, rustig en goed voelt. Hij hoopt dat er in de toekomst weer ruimte kan ontstaan voor contactherstel in rust, respect en vertrouwen.

De GI steunt het verzoek van de Raad, maar twijfelt wel of het iets gaat opleveren. Er is sprake van een ernstige bedreiging in de ontwikkeling van de minderjarigen doordat zij worden belast met veel spanningen en volwassen zaken. De beëindiging van het gezag van de vader zal deze situatie voor een deel verbeteren. De moeder kan dan zelf de beslissingen over de minderjarigen nemen, waardoor daar niet meer telkens discussies en conflicten over onstaan, hetgeen leidt tot onrust en spanningen bij de minderjarigen. Tegelijkertijd blijven er spanningen voor de minderjarigen bestaan zolang de ouders zo dicht bij elkaar blijven wonen. De GI benoemt verder dat er binnenkort een intake plaatsvindt voor de inzet van ambulante hulpverlening in de thuissituatie bij de moeder, om de minderjarigen verder te ondersteunen in de huidige situatie. Ook benoemt de GI dat de ouders nu via de mail communiceren, met de GI in de CC. Er is meermaals hulpverlening ingezet om de situatie tussen de ouders te verbeteren, maar deze is telkens gestopt. Als het gezag van de vader wordt beëindigd, zal de GI de ouders helpen bij het opstellen van een informatieregeling. Het lijkt de GI goed om daarbij de door de Raad voorgestelde frequentie aan te houden, omdat elk contact tussen de ouders uitmondt in discussies en conflicten. Het is beter voor de minderjarigen als dat zo min mogelijk gebeurt.

[minderjarige 1] heeft in het gesprek met de kinderrechter verteld dat zij het fijn heeft thuis met haar moeder, [minderjarige 2] en [naam] . Over het gebrek aan contact met de vader benoemt [minderjarige 1] dat ieder kind een vader en moeder wenst, maar dat zij aan de situatie gewend is geraakt en het nu ook wel goed vindt zo. [minderjarige 1] vertelt dat er vroeger veel is gebeurd bij de vader thuis. Er waren veel ruzies tussen de vader en zijn nieuwe vriendin, waar [minderjarige 1] en [minderjarige 2] dan de schuld van kregen. [minderjarige 1] voelde zich daardoor niet gewenst en niet thuis bij de vader. Zij wil nu geen contact meer met hem. Desgevraagd vertelt [minderjarige 1] dat zij de vader niet meer zo vaak tegenkomt op het dorp. Dat is fijn. Verder heeft [minderjarige 1] verteld dat zij veel aan de speltherapie heeft gehad. Zij is nu minder agressief en wil niet meer iemand slaan als zij beledigd wordt. Het is haar ook gelukt om de situatie met de vader een plekje te geven; daar is zij nu aan gewend. Tot slot benoemt [minderjarige 1] dat zij het fijn vindt als de moeder voortaan alleen het gezag over haar uitoefent, omdat er dan makkelijker beslissingen kunnen worden genomen over bijvoorbeeld de middelbare school.

[minderjarige 2] heeft in het gespek met de kinderrechter verteld dat zij het nu wel fijn vindt dat zij haar vader al een tijd niet meer heeft gezien. Eerst was dat wel verdrietig, maar zij is er inmiddels aan gewend geraakt. Ook in de toekomst hoeft [minderjarige 2] haar vader niet meer te zien. Desgevraagd benoemt [minderjarige 2] dat zij veel heeft gehad aan de speltherapie. Zij heeft daar over de situatie met de vader kunnen praten en het lukt haar nu om beslissingen te nemen die goed voor haar zijn. Verder benoemt [minderjarige 2] dat zij het heel fijn zou vinden als de moeder voortaan alleen de beslissingen over haar kan nemen, ook omdat het nu soms erg lang duurt voordat de vader zijn handtekening ergens voor zet. Dit zou voor [minderjarige 2] een nieuwe start betekenen, samen met de moeder, [minderjarige 1] , [naam] en de dieren.

5. De beoordeling

Op grond van artikel 1: 266, eerste lid, aanhef en onder a, van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) kan de rechtbank het gezag van een ouder beëindigen indien:

a. een minderjarige zodanig opgroeit dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en de ouder niet de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 247 lid 2 BW, in staat is te dragen binnen een voor de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, of

b. de ouder het gezag misbruikt.

Verder bepaalt artikel 8 lid 1 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) dat een ieder recht heeft op respect voor, onder andere, zijn familie- en gezinsleven. Een gezagsbeëindiging vormt onmiskenbaar een inbreuk op dit recht. Een dergelijke inmenging vanuit de overheid is volgens artikel 8 lid 2 EVRM daarom alleen gerechtvaardigd als deze bij de wet is voorzien (in deze zaak: artikel 1:266 BW). Daarnaast dient ingevolge dit artikel de beëindiging van het gezag van de ouder(s) in het belang van de minderjarige noodzakelijk te zijn. Iedere kinderbeschermingsmaatregel is in principe tijdelijk en moet als doel hebben om het kind weer terug naar thuis te laten keren. De overheid moet hulpverlening of andere ondersteuning inzetten die ervoor kan zorgen dat een kind weer terug naar huis kan en met het gezin wordt herenigd. De mogelijkheid van terugplaatsing moet serieus zijn overwogen en de ouders moeten in voldoende mate in het besluitvormingsproces zijn betrokken. Voor het beëindigen van het gezag is vereist dat de rechter een afweging maakt tussen de belangen van het kind en die van zijn ouder(s). Er kan echter slechts sprake zijn van beëindiging van het ouderlijk gezag wanneer de instandhouding van het gezag van het kind schadelijk is voor de gezondheid en ontwikkeling van het kind (vgl. onder meer ECLI:NL:GHSHE:2025:1987 en ECLI:NL:GHSHE:2025:860). Dit uitgangspunt brengt tevens mee dat het nagestreefde doel niet met een lichtere maatregel kan worden bereikt. Dit wordt ook wel het subsidiariteitsbeginsel genoemd. Tot slot moet er een redelijke verhouding bestaan tussen de inmenging en het daarmee beoogde doel. Dit wordt ook wel het proportionaliteitsbeginsel genoemd.

Niet is gebleken dat de vader het gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] misbruikt. Wel vindt de rechtbank dat er sprake is van de eerste grond voor de beëindiging van het gezag van de vader. Ook is voldaan aan de vereisten die artikel 8 EVRM stelt aan een gezagsbeëindiging. Naar het oordeel van de rechtbank wordt de ontwikkeling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] namelijk geschaad als de vader zijn gezag behoudt. Daarom wijst de rechtbank het verzoek van de Raad tot beëindiging van het ouderlijk gezag van de vader toe. De rechtbank zal uitleggen waarom zij tot dit oordeel komt.

Op basis van de overgelegde stukken en hetgeen tijdens de zitting is besproken, is het de rechtbank gebleken dat de minderjarigen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] ernstig in hun ontwikkeling worden bedreigd doordat het de ouders ondanks de inzet van diverse hulpverlening niet lukt om met elkaar te communiceren en samen te werken. Hierdoor worden de minderjarigen al lange tijd belast met forse spanningen en conflicten tussen de ouders. Inmiddels lijken zelfs dorpsbewoners en familieleden zich hierin te mengen, waardoor de spanningen en conflicten nog verder toenemen. Gelet hierop is naar het oordeel van de rechtbank voldoende komen vast te staan dat de minderjarigen kampen met loyaliteitsproblematiek en dat zij in de huidige situatie klem of verloren raken tussen de ouders. Ook is het de rechtbank gebleken dat de minderjarigen veel verdriet en frustraties (hebben) ervaren van het contactverlies met de vader. De rechtbank vindt dit zeer schrijnend. De rechtbank begrijpt dat er tot drie keer toe een hulpverleningstraject is opgestart om te werken aan contactherstel tussen de vader en de minderjarigen en dat de vader hieraan telkens zijn medewerking heeft beëindigd, omdat hij er geen vertrouwen in had. Ondanks dat de vader dit wellicht uit goede bedoelingen heeft gedaan, heeft hij hiermee naar het oordeel van de rechtbank niet in het belang van de minderjarigen gehandeld, maar uitsluitend zijn eigen belangen vooropgesteld. Het is de rechtbank verder uit de overgelegde stukken en hetgeen is besproken ter zitting gebleken dat de vader zich de afgelopen jaren ambivalent heeft opgesteld richting de minderjarigen. Zo heeft de vader ook meermaals het contact met de minderjarigen stopgezet omdat hij twijfelde aan hun intrinsieke motivatie daarvoor, terwijl hij op andere momenten juist weer toenadering tot de minderjarigen zocht. Tegelijkertijd zou de vader hebben gezegd dat de minderjarigen niet meer welkom zijn in zijn leven, hij het gezag over de minderjarigen niet langer wenst uit te oefenen en hij twijfelt aan zijn biologisch vaderschap over de minderjarigen. Tijdens de zitting heeft de vader aangegeven dat dit leugens zijn danwel dat dit niet (meer) klopt. Op het ene moment geeft de vader aan dat hij geen contact met de minderjarigen meer wil, terwijl hij tijdens de zitting aangeeft dat hij altijd voor hen klaarstaat. Het tegenstrijdige gedrag van de vader blijft daarmee naar het oordeel van de rechtbank in stand dan wel zet dit zich voort. Als gevolg daarvan ervaren de minderjarigen nog steeds veel verwarring, onzekerheid en onveiligheid. Gelukkig hebben de minderjarigen veel baat bij de hulpverlening die voor hen is ingezet. Zij hebben daarbij over de situatie rondom de vader leren praten en kunnen dit steeds beter een plekje geven. Desondanks heeft de situatie rondom de vader nog steeds een grote weerslag op de minderjarigen. De minderjarigen hebben behoefte aan rust, voorspelbaarheid en emotionele veiligheid en dit wordt hen in de huidige situatie vanwege het wisselende gedrag van de vader onvoldoende geboden. Naar het oordeel van de rechtbank worden de minderjarigen dan ook nog steeds ernstig in hun ontwikkeling bedreigd.

Met het voornoemde oordeel komt de rechtbank vervolgens toe aan de vraag of de vader in staat is om de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding alsnog binnen een voor de minderjarigen aanvaardbare termijn te dragen. De rechtbank beantwoordt deze vraag ontkennend. Er is inmiddels al meerdere jaren geen contact meer geweest tussen de minderjarigen en de vader. De minderjarigen staan hier inmiddels ook niet meer voor open. Deze situatie maakt dat de vader al lange tijd geen zicht meer heeft op de minderjarigen, niet bij hen betrokken is en dus niet kan bepalen wat er in het belang van de minderjarigen moet gebeuren. Verder overweegt de rechtbank dat de vader de afgelopen jaren een houding heeft laten zien waarbij hij de hulpverlening (zowel voor contactherstel met de minderjarigen als ter verbetering van de verstandhouding en communicatie met de moeder) telkens weigert dan wel beëindigt. De vader houdt daarbij vast aan zijn eigen visie dat hij het slachtoffer is geworden van diverse leugens, terwijl enige vorm van zelfreflectie hem lijkt te ontbreken en waarbij hij de oorzaak van de situatie, waarin hij geen contact heeft met de minderjarigen en geen invulling kan geven aan zijn gezag, buiten zichzelf lijkt te leggen. Ook blijft de vader volhardend in zijn zorgen over de opvoedsituatie van de moeder, terwijl deze zorgen door niemand worden bevestigd. Vanwege al het voorgaande is het niet mogelijk gebleken om verder te werken aan de in het kader van de ondertoezichtstelling gestelde doelen en de situatie van de minderjarigen voldoende te verbeteren. Met de Raad heeft de rechtbank niet de verwachting dat hier op korte termijn verandering in komt. De impact hiervan op de minderjarigen vindt de rechtbank te groot en schadelijk voor hun ontwikkeling en de aanvaardbare termijn is inmiddels verstreken nu de minderjarigen geen ruimte meer hebben om het contact met de vader nogmaals te herstellen en op te bouwen.

In deze situatie, waarin het voor de vader niet mogelijk is gebleken om binnen een voor de minderjarigen aanvaardbare termijn tot verandering te komen, stelt de rechtbank vast dat voldaan is aan de gronden voor het beëindigen van het gezag. De rechtbank is van oordeel dat het in het belang van de minderjarigen is dat het gezag van de vader over hen wordt beëindigd. De rechtbank zal het hiertoe strekkende verzoek van de Raad daarom toewijzen, waardoor de moeder voortaan alleen belast zal zijn met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .

De rechtbank gaat er daarbij van uit dat de GI de ouders verder zal ondersteunen bij het opstellen van een informatieregeling, waarbij de moeder eens per kwartaal of wellicht vaker de vader informeert over de minderjarigen. De moeder is daartoe bereid.

De rechtbank zal de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren, omdat het voor de ontwikkeling van de minderjarigen noodzakelijk is dat de beslissing ondanks een eventueel hoger beroep meteen uitgevoerd kan worden.

In verband met het bepaalde in artikel 2, aanhef en sub a, van het Besluit Gezagsregisters zal de rechtbank de griffier verzoeken een afschrift van deze beschikking te sturen aan het gezagsregister om daarin aantekening te doen van de gewijzigde gezagssituatie.

Het voorgaande leidt tot de volgende beslissing.

6. De beslissing

De rechtbank:

beeïndigt het ouderlijk gezag van [de vader] , geboren op [geboortedag 3] 1984 te [geboorteplaats 2] , over de minderjarigen [minderjarige 1] , geboren op [geboortedag 1] 2014 te [geboorteplaats 1] , en [minderjarige 2] , geboren op [geboortedag 2] 2015 te [geboorteplaats 1] ;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

verzoekt de griffier om krachtens het bepaalde in het Besluit Gezagsregisters een aantekening te maken van deze beslissing in het centraal gezagsregister.

Deze beschikking is gegeven door mr. Zuijdweg, voorzitter tevens (kinder)rechter, mr. Verschoor-Bergsma en mr. van der Velde (kinder)rechters, en in het openbaar uitgesproken op 12 december 2025 in tegenwoordigheid van mr. de Haas, griffier.

Mededeling van de griffier:

Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:

door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,

door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.

Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het

gerechtshof ’s-Hertogenbosch.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. Zuijdweg

Griffier

  • mr. de Haas

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl Sdu Nieuws Personen- en familierecht 2026/30
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?