ECLI:NL:RBZWB:2025:8913

ECLI:NL:RBZWB:2025:8913, Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 05-12-2025, C/02/442411 / JE RK 25-2108

Instantie Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak 05-12-2025
Datum publicatie 07-01-2026
Zaaknummer C/02/442411 / JE RK 25-2108
Rechtsgebied Civiel recht; Personen- en familierecht
Procedure Beschikking
Zittingsplaats Middelburg

Samenvatting

Verlenging OTS en MUHP

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht

Locatie Middelburg

Zaaknummer: C/02/442411 / JE RK 25-2108

Datum uitspraak: 5 december 2025

Beschikking verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing

in de zaak van

STICHTING LEGER DES HEILS JEUGDBESCHERMING & RECLASSERING, gevestigd te Eindhoven ,

hierna te noemen: de Gecertificeerde Instelling (GI),

betreffende

[minderjarige 1] , geboren op [geboortedag] 2010 te [geboorteplaats] , [land] ,

hierna te noemen: [minderjarige 1] ,

De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:

[de moeder] ,

hierna te noemen: de moeder,

wonende op een bij de rechtbank bekend adres,

advocaat: mr. N. Wouters te Middelburg,

[de vader] ,

hierna te noemen: de vader,

verblijvende in de Penitentiaire Inrichting te [locatie] ,

advocaat: mr. C.E.J.E. Kouijzer te Middelburg.

Op grond van het bepaalde in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:

- de Raad voor de Kinderbescherming, regio Zuidwest Nederland, locatie Middelburg ,

hierna te noemen: de Raad, om de kinderrechter over het verzoek te adviseren.

1. Het verloop van de procedure

De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:

- het verzoekschrift van de GI van 27 oktober 2025 met bijlagen, ontvangen op 27 oktober 2025.

Het verzoek is mondeling behandeld op 5 december 2025, gelijktijdig met het verzoek van de GI tot verlenging van de ondertoezichtstelling van [minderjarige 2] (met zaaknummer: C/02/441266 / FA RK 25-1924). Op dit verzoek wordt bij separate beschikking beslist.

Tijdens de zitting met gesloten deuren waren aanwezig:

- de moeder, bijgestaan door haar advocaat en een tolk in de Poolse taal;

- de vader, bijgestaan door zijn waarnemend advocaat, mr. M. Kalle, en een tolk in de Poolse taal;

- twee vertegenwoordigsters van de GI;

- een vertegenwoordigster van de Raad.

De kinderrechter heeft [minderjarige 1] naar zijn mening gevraagd. [minderjarige 1] heeft hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige 1] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.

2. De feiten

De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] .

Bij beschikking van 9 december 2022 is [minderjarige 1] onder toezicht gesteld van de GI met ingang van 9 december 2022 en tot 9 december 2023. Tevens is bij deze beschikking een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] in een voorziening voor pleegzorg of een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder verleend met ingang van 9 december 2022 en tot 23 december 2022, onder aanhouding van het resterende deel van het verzoek.

Bij beschikking van 21 december 2022 is een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] in een voorziening voor pleegzorg of een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder verleend met ingang van 21 december 2022 en tot 9 juni 2023.

Bij beschikking van 3 juni 2023 is de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] in een voorziening voor pleegzorg verlengd met ingang van 9 juni 2023 en tot 9 december 2023.

Bij beschikking van 8 december 2023 is de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] verlengd met ingang van 9 december 2023 en tot 9 december 2024. Tevens is bij deze beschikking de machtiging tot uithuisplaatsing in een (netwerk)pleeggezin verlengd met ingang van 9 december 2023 en tot 9 december 2024.

Bij beschikking van 25 november 2024 is de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] verlengd met ingang van 9 december 2024 en tot 9 december 2025. Tevens is bij deze beschikking de machtiging tot uithuisplaatsing in een pleeggezin verlengd met ingang van 9 december 2024 en tot 9 december 2025.

Bij beschikking van 29 oktober 2025 is ten aanzien van [minderjarige 1] een machtiging tot uithuisplaatsing in een voorziening voor pleegzorg, een gezinsgerichte voorziening of een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder verleend, met ingang van 29 oktober 2025 en tot 9 december 2025.

Op basis van voornoemde machtiging verblijft [minderjarige 1] thans in een pleeggezin.

3. Het verzoek

De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] te verlengen voor de duur van een jaar. Ook verzoekt de GI, na aanvulling, de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] in een voorziening voor pleegzorg, een gezinsgerichte voorziening en een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder te verlengen voor de duur van een jaar. De GI verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

4. De standpunten

[minderjarige 1] heeft in het gesprek met de kinderrechter aangegeven dat hij sinds kort bij [naam] woont, de voormalige omgangsbegeleider en tolk van de ouders. Zij had aangegeven dat [minderjarige 1] bij hem kon verblijven als er nog geen vervolgplek voor hem kon worden gevonden. [minderjarige 1] vindt het erg fijn bij [naam] thuis. [minderjarige 1] heeft van de GI begrepen dat hij niet meer thuis zal kunnen wonen. Hij wil daarom graag bij [naam] blijven wonen en liever niet naar een gezinshuis worden overgeplaatst. Wel wil [minderjarige 1] heel graag weer bij de moeder thuis logeren.

De GI handhaaft het verzoek voor een brede machtiging uithuisplaatsing. [minderjarige 1] verblijft momenteel bij [naam] , omdat hij niet langer in zijn voormalige pleeggezin kon verblijven en er nog geen passende vervolgplek voor hem is gevonden. [naam] had aangeboden om [minderjarige 1] ter overbrugging bij haar te laten verblijven, om zo een spoedplaatsing van [minderjarige 1] te voorkomen. De GI heeft hiervoor de toestemming van de ouders gevraagd, heeft een veiligheids- en risicotaxatie gemaakt en heeft [naam] aangemeld bij [stichting] voor een spoedscreening. Deze is naar verwachting volgende week gereed en is waarschijnlijk positief. De GI wil de komende tijd gebruiken om verder te zoeken naar een geschikte plek voor [minderjarige 1] in de regio, zodat hij in de buurt blijft van de ouders en zijn zusjes, en hij zijn schoolgang kan voortzetten. Het perspectief van [minderjarige 1] ligt niet meer bij de ouders thuis en de GI vindt het net als de ouders heel belangrijk dat er zo min mogelijk wisselingen plaatsvinden voor [minderjarige 1] . Daarbij benoemt de GI desgevraagd dat [naam] al op voorhand had aangegeven dat zij [minderjarige 1] enkel tijdelijk wil opvangen en hem geen perspectief kan bieden, maar wellicht kan hierover nog een gesprek worden gevoerd.

De moeder stemt niet in met het verzoek. Zij vindt het zeer kwalijk dat [minderjarige 1] achter haar rug om bij [naam] is geplaatst. Los daarvan vindt de moeder deze plaatsing niet fijn, omdat [naam] eerst voor de ouders tolkte, de omgangsmomenten begeleidde en daar (negatief) verslag van deed. De moeder wil dat [minderjarige 1] terug thuis wordt geplaatst en [minderjarige 1] wil dat volgens de moeder ook. Met een tijdelijke plaatsing van [minderjarige 1] bij [naam] kan de moeder evenmin instemmen. De moeder heeft verder bezwaar tegen de verzochte brede machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] , omdat [minderjarige 1] dan zomaar overal kan worden geplaatst zonder dat de ouders daar invloed op hebben. Als de rechtbank vindt dat de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] moet worden verlengd, dan dient dit een machtiging voor een voorziening voor pleegzorg te zijn. In dat geval dient er goed te worden gekeken naar een uitgebreide contactregeling. Mocht er een nieuwe plek voor [minderjarige 1] worden gevonden, dan kan de GI daar een nieuw verzoek voor indienen, zodat [minderjarige 1] daar ook (weer) over kan worden gehoord.

De vader stemt niet in met het verzoek. Hij vindt de ondertoezichtstelling niet nodig en wil graag dat [minderjarige 1] weer bij de moeder thuis gaat wonen. De moeder is volgens de vader goed in staat om de verzorging en opvoeding van [minderjarige 1] (weer) op zich te nemen. De vader maakt zich ook zorgen over de vele overplaatsingen van [minderjarige 1] . Dat is niet goed voor hem. Verder wil de vader graag dat er een uitgebreide contactregeling met [minderjarige 1] wordt bepaald voor als hij uit de gevangenis komt.

De Raad adviseert zowel de ondertoezichtstelling als de brede machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] te verlengen. Er zijn nog veel zorgen rondom [minderjarige 1] en die maken dat het niet mogelijk is om de hulpverlening in het vrijwillig kader voort te zetten en [minderjarige 1] terug thuis te plaatsen. De Raad vindt het wel belangrijk dat er kritisch wordt gekeken naar de huidige plaatsing van [minderjarige 1] bij [naam] gelet op de dubbele rol die [naam] lijkt in te nemen.

5. De beoordeling

Rechtsmacht en toepasselijk recht

De kinderrechter constateert dat de vader, de moeder en [minderjarige 1] de Poolse nationaliteit hebben. Dit brengt mee dat deze zaak een internationaal karakter heeft, waardoor de kinderrechter (ambtshalve) dient te beoordelen of haar in deze zaak rechtsmacht toekomt. Indien dit het geval is, dient de kinderrechter het toepasselijk recht te bepalen.

Op grond van artikel 7 lid 1 van de verordening Brussel II-ter zijn ter zake van de ouderlijke verantwoordelijkheid bevoegd de gerechten van de lidstaat op het grondgebied waarvan de minderjarige zijn of haar gewone verblijfplaats heeft op het tijdstip dat de zaak bij het gerecht aanhangig wordt gemaakt.

Nu de gewone verblijfplaats van [minderjarige 1] in Nederland is gelegen, komt de Nederlandse kinderrechter rechtsmacht toe. Nu de Nederlandse kinderrechter bevoegd is om op het verzoek te beslissen, zal op grond van artikel 15 van het Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996 het Nederlands recht op het verzoek worden toegepast.

Inhoudelijke beoordeling

De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een verlenging van de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] is voldaan. Ook is de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] noodzakelijk in het belang van de verzorging en opvoeding. Daarom zal de kinderrechter het verzoek van de GI (deels) toewijzen en de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] in een voorziening voor pleegzorg verlengen voor de verzochte duur van twaalf maanden, met ingang van 9 december 2025 en tot 9 december 2026. Het meer of anders verzochte zal worden afgewezen. De kinderrechter legt hieronder uit waarom zij deze beslissing neemt.

Op basis van de overgelegde stukken en hetgeen is besproken tijdens de zitting is de kinderrechter van oordeel dat [minderjarige 1] nog steeds ernstig in zijn ontwikkeling wordt bedreigd. [minderjarige 1] heeft al veel meegemaakt in zijn jonge leven en dit heeft veel invloed (gehad) op de wijze waarop hij zich ontwikkelt. Recent is de plaatsing van [minderjarige 1] in zijn voormalige pleeggezin beëindigd. Deze stond al een lange tijd onder druk vanwege de spanningen tussen [minderjarige 1] en het pleeggezin en de negatieve gedragsverandering van [minderjarige 1] . Gezien werd dat [minderjarige 1] zowel in het pleeggezin als op school steeds vaker buiten de afgesproken kaders handelde en zich bewust leek af te zetten tegen de begeleiding en de geldende normen en waarden. Ook waren er zorgen over [minderjarige 1] over zijn negatieve zelfbeeld, verstoorde identiteitsvorming, probleemgedrag en wantrouwen richting de hulpverlening. Inmiddels verblijft [minderjarige 1] (ter overbrugging) bij [naam] , die hij al jaren kent omdat zij voorheen de omgangsmomenten met de ouders begeleidde en de tolk was van de ouders. Sindsdien lijkt het beter te gaan met [minderjarige 1] . Hij lijkt wat tot rust te zijn gekomen en gaat weer naar school. Dit vindt de kinderrechter een positieve ontwikkeling, al is deze nog wel erg pril en maakt deze niet dat de bovengenoemde zorgen al zijn weggenomen. Er zijn verder ook nog steeds zorgen over het contact tussen [minderjarige 1] en zijn beide ouders, omdat dit niet altijd op een voor [minderjarige 1] onbelaste wijze plaatsvindt. De ouders handelen niet altijd in het belang van [minderjarige 1] . Zo wordt tijdens de contactmomenten gezien dat de ouders [minderjarige 1] nog steeds belasten met volwassenzaken en dat zij hem dingen beloven die zij niet waar kunnen maken. Ook heeft de moeder moeite om haar aandacht tijdens de contactmomenten over de drie minderjarigen te verdelen en kan zij [minderjarige 1] lastig begrenzen, waardoor [minderjarige 1] zelfbepalend gedrag kan vertonen en een volwassenrol op zich neemt. Tussen de vader en [minderjarige 1] heeft er al een lange tijd geen (fysiek) contact meer plaatsgevonden, omdat de vader in detentie verblijft. Er zijn dan ook nog steeds zorgen over de emotionele en fysieke beschikbaarheid van de ouders voor [minderjarige 1] en over de mate waarin de ouders kunnen voorzien in de specifieke opvoedbehoeften die [minderjarige 1] heeft vanwege de belaste situatie waarin hij zich bevindt en vanwege zijn complexe gezinsverleden.

Gezien de hiervoor beschreven zorgen komt de kinderrechter tot de conclusie dat de doelen van de ondertoezichtstelling nog niet zijn behaald. De kinderrechter is van oordeel dat de ouders op dit moment onvoldoende in staat zijn om onder eigen verantwoordelijkheid de ontwikkelingsbedreiging van [minderjarige 1] weg te nemen en de hulpverlening te accepteren. Daarbij neemt de kinderrechter in overweging dat beide ouders de veiligheidsafspraken de afgelopen tijd niet altijd zijn nagekomen. Zij hebben tegen de afspraken in meermaals contact met elkaar gehad, hetgeen onder meer heeft geleid tot een fysieke escalatie, waarbij de veiligheid van de op dat moment aanwezige minderjarige [minderjarige 2] in het geding was. Ook is het patroon van beide ouders waarbij er sprake is van een gebrek aan eerlijkheid en transparantie richting de GI en de hulpverlening nog onvoldoende doorbroken. Dit maakt het noodzakelijk dat de betrokkenheid van de GI de komende tijd wordt voortgezet, zodat de GI strakke regie kan blijven voeren, de benodigde hulpverlening en ondersteuning blijft inzetten en de belangen van [minderjarige 1] voorop blijft stellen.

De hiervoor beschreven situatie maakt ook dat [minderjarige 1] op dit moment niet terug thuis kan worden geplaatst. Vanwege de vele zorgen is de kinderrechter van oordeel dat de beide ouders op dit moment nog onvoldoende in staat zijn om een veilige, voorspelbare en stabiele opvoedsituatie te creëren voor [minderjarige 1] . De kinderrechter gunt het [minderjarige 1] dat er spoedig meer duidelijkheid ontstaat over zijn plaatsing bij [naam] of dat er een passende en perspectief biedende vervolgplek voor [minderjarige 1] wordt gevonden binnen de regio, zodat hij in de buurt van de ouders en zijn zusjes blijft wonen en hij zijn schoolgang kan voortzetten. De kinderrechter is verder van oordeel dat nog meer wisselingen in de verblijfplaats van [minderjarige 1] zo veel mogelijk moeten worden voorkomen. Daarom zal zij nu de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] in een voorziening voor pleegzorg verlengen voor de verzochte duur en het meer of anders verzochte afwijzen. Als de GI een vervolgplek voor [minderjarige 1] heeft gevonden, dient de GI daar opnieuw een verzoek voor in te dienen bij de rechtbank, zodat alle betrokkenen daarover kunnen worden gehoord en de actuele situatie opnieuw kan worden beoordeeld.

De kinderrechter vindt het tot slot gelet op de wensen van [minderjarige 1] en de beide ouders belangrijk dat er de komende tijd (verder) wordt gewerkt aan uitbreiding van de contacten tussen [minderjarige 1] en de ouders, maar ook tussen de minderjarigen onderling. Zeker nu het perspectief van [minderjarige 1] niet meer thuis lijkt te liggen, is het heel belangrijk dat deze contacten behouden blijven en worden gewaarborgd.

Uitvoerbaar bij voorraad

De kinderrechter zal de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren omdat het voor de ontwikkeling van [minderjarige 1] noodzakelijk is dat de beslissing ondanks een eventueel hoger beroep meteen uitgevoerd kan worden.

Het voorgaande leidt tot de volgende beslissing.

6. De beslissing

De kinderrechter:

verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] voor de duur van een jaar, met ingang van 9 december 2025 en tot 9 december 2026;

verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] in een voorziening voor pleegzorg voor de duur van een jaar, met ingang van 9 december 2025 en tot 9 december 2026;

verklaart deze beschikking in zoverre uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 5 december 2025 door mr. Verschoor-Bergsma, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. de Haas als griffier, en op schrift gesteld op 12 december 2025.

Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:

degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;

andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. de Haas als

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?