RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Middelburg
Zaaknummer: C/02/441266 / JE RK 25-1924
Datum uitspraak: 5 december 2025
Beschikking verlenging ondertoezichtstelling
in de zaak van
STICHTING LEGER DES HEILS JEUGDBESCHERMING & RECLASSERING, gevestigd te Eindhoven ,
hierna te noemen: de Gecertificeerde Instelling (GI),
betreffende
[minderjarige 1] , geboren op [geboortedag] 2023 te [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige 1] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder] ,
hierna te noemen: de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. N. Wouters te Middelburg,
[de vader] ,
hierna te noemen: de vader,
verblijvende in de Penitentiaire Inrichting te [locatie] ,
advocaat: mr. C.E.J.E. Kouijzer te Middelburg.
Op grond van het bepaalde in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:
- de Raad voor de Kinderbescherming, regio Zuidwest Nederland, locatie Middelburg ,
hierna te noemen: de Raad, om de kinderrechter over het verzoek te adviseren.
1. Het verloop van de procedure
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift van de GI van 27 oktober 2025 met bijlagen, ontvangen op 27 oktober 2025.
Het verzoek is mondeling behandeld op 5 december 2025, gelijktijdig met het verzoek van de GI tot verlenging van de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 2] (met zaaknummer: C/02/442411 / JE RK 25-2108). Op dit verzoek wordt bij separate beschikking beslist.
Tijdens de zitting met gesloten deuren waren aanwezig:
- de moeder, bijgestaan door haar advocaat en een tolk in de Poolse taal;
- de vader, bijgestaan door zijn waarnemend advocaat, mr. M. Kalle, en een tolk in de Poolse taal;
- twee vertegenwoordigsters van de GI;
- een vertegenwoordigster van de Raad.
2. De feiten
De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] .
[minderjarige 1] woont bij de moeder.
Bij beschikking van 26 september 2023 is (de toen nog ongeboren) [minderjarige 1] onder toezicht gesteld van de GI met ingang van 26 september 2023 en tot 26 september 2024. Deze maatregel is daarna steeds verlengd, voor het laatst bij beschikking van 25 november 2024, met ingang van 9 december 2024 en tot 9 december 2025.
3. Het verzoek
De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] te verlengen voor de duur van een jaar en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
4. De standpunten
De GI handhaaft het verzoek. De ondertoezichtstelling blijft noodzakelijk om de veiligheid en de ontwikkeling van [minderjarige 1] te waarborgen. De komende tijd wil de GI een plan opstellen voor als de vader weer vrijkomt. Hier waren voorheen veel zorgen over. De ouders zochten elkaar tegen de afspraken in op en hierdoor is onder meer een fysieke escalatie in het bijzijn van [minderjarige 1] ontstaan. Ook woont de moeder sinds afgelopen zomer weer op zichzelf met [minderjarige 1] . Dit wil de GI de komende tijd blijven monitoren, omdat het patroon van een gebrek aan eerlijkheid en transparantie nog niet geheel is doorbroken. Naast het contact met de vader is de moeder ook niet eerlijk geweest over haar financiën.
De moeder stemt niet in met het verzoek. Het gaat erg goed met [minderjarige 1] en zij ontwikkelt zich adequaat bij de moeder thuis. Van een ontwikkelingsbedreiging bij [minderjarige 1] is dan ook geen sprake. Bovendien accepteert de moeder de hulpverlening, komt zij haar afspraken na en is er al een veiligheidsplan opgesteld voor als de vader weer vrijkomt. Een ondertoezichtstelling is daarom niet langer nodig.
De vader stemt niet in met het verzoek. Er is geen sprake van een ernstige ontwikkelingsbedreiging bij [minderjarige 1] en er is dus geen reden om de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] voort te zetten.
De Raad adviseert het verzoek toe te wijzen. De zorgen zien niet zo zeer op de ontwikkeling van [minderjarige 1] , maar meer op de opvoedomgeving en de patronen van de ouders waarbij zij onvoldoende open en transparant zijn. Ondanks dat het nu goed lijkt te gaan bij de moeder thuis, acht de Raad de situatie nog te pril om deze in het vrijwillig kader voort te zetten, zeker nu de vader op korte termijn vrijkomt. Als de GI hier een plan voor heeft opgesteld en de ouders daar hun medewerking aan verlenen, kan er worden gekeken of het mogelijk is om de hulpverlening af te schalen en over te dragen naar het vrijwillig kader.
5. De beoordeling
Rechtsmacht en toepasselijk recht
De kinderrechter constateert dat de vader, de moeder en [minderjarige 1] de Poolse nationaliteit hebben. Dit brengt mee dat deze zaak een internationaal karakter heeft, waardoor de kinderrechter (ambtshalve) dient te beoordelen of haar in deze zaak rechtsmacht toekomt. Indien dit het geval is, dient de kinderrechter het toepasselijk recht te bepalen.
Op grond van artikel 7 lid 1 van de verordening Brussel II-ter zijn ter zake van de ouderlijke verantwoordelijkheid bevoegd de gerechten van de lidstaat op het grondgebied waarvan de minderjarige zijn of haar haar gewone verblijfplaats heeft op het tijdstip dat de zaak bij het gerecht aanhangig wordt gemaakt.
Nu de gewone verblijfplaats van [minderjarige 1] in Nederland is gelegen, komt de Nederlandse kinderrechter rechtsmacht toe. Nu de Nederlandse kinderrechter bevoegd is om op het verzoek te beslissen, zal op grond van artikel 15 van het Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996 het Nederlands recht op het verzoek worden toegepast.
Inhoudelijke beoordeling
De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een verlenging van de ondertoezichtstelling is voldaan. Daarom zal de kinderrechter het verzoek van de GI toewijzen en de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] verlengen voor de verzochte duur, met ingang van 9 december 2025 en tot 9 december 2026. De kinderrechter legt hieronder uit waarom hij deze beslissing neemt.
Op basis van de overgelegde stukken en hetgeen is besproken tijdens de zitting is de kinderrechter van oordeel dat [minderjarige 1] nog steeds ernstig in haar ontwikkeling wordt bedreigd. De zorgen over [minderjarige 1] zien vooral op haar opvoedomgeving. [minderjarige 1] heeft vanaf haar geboorte met de moeder in een moederkindhuis verbleven. Aldaar was er sprake van een positieve ontwikkeling. De moeder was met duidelijke aansturing goed in staat om in de behoeften van [minderjarige 1] te voorzien en werkte voldoende mee aan de adviezen. Sinds juli 2025 is de moeder samen met [minderjarige 1] een eigen woning betrokken en is de begeleiding vanuit het moederkindhuis in ambulante vorm voortgezet. Sindsdien is de positieve ontwikkeling gestagneerd. Zo is de moeder onvoldoende open en transparant geweest richting de GI en de hulpverlening en heeft zij tegen de veiligheidsafspraken in meermaals contact gehad met de vader. Dit heeft onder meer geleid tot een fysieke escalatie tussen de ouders, waarbij de veiligheid van de op dat moment aanwezige [minderjarige 1] in het geding was. Inmiddels verblijft de vader al enige tijd in detentie, maar er zijn veel zorgen over hoe dit zich zal voortzetten als hij binnenkort, naar verwachting in maart 2026, weer vrijkomt. De moeder lijkt niet tegen de vader te zijn opgewassen. Verder zijn er zorgen over de sociaal-emotionele ontwikkeling van [minderjarige 1] . Mede vanwege de detentie van de vader en de moeizame verstandhouding van de ouders is er al lange tijd geen fysiek contact tussen [minderjarige 1] en de vader geweest en heeft [minderjarige 1] nog geen gezonde, stabiele gehechtheidsrelatie met de vader kunnen opbouwen.
Gezien de hiervoor beschreven zorgen komt de kinderrechter tot de conclusie dat de doelen van de ondertoezichtstelling nog niet zijn behaald. De kinderrechter is van oordeel dat de ouders op dit moment onvoldoende in staat zijn om onder eigen verantwoordelijkheid de ontwikkelingsbedreiging van [minderjarige 1] weg te nemen en de hulpverlening te accepteren. Juist vanwege de zeer ingrijpende gebeurtenissen binnen het gezin de afgelopen jaren, de moeizame verstandhouding van de ouders én de omstandigheid dat de vader binnenkort weer vrijkomt, vindt de kinderrechter de situatie op dit moment nog te kwetsbaar om in het vrijwillig kader voort te zetten. Er moet voorlopig nog zicht blijven op de ontwikkeling van [minderjarige 1] . Dit maakt het noodzakelijk dat de betrokkenheid van de GI de komende tijd wordt voortgezet, zodat de GI strakke regie kan blijven voeren, de benodigde hulpverlening en ondersteuning blijft inzetten en de belangen van [minderjarige 1] voorop blijft stellen.
Uitvoerbaar bij voorraad
De kinderrechter zal de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren omdat het voor de ontwikkeling van [minderjarige 1] noodzakelijk is dat de beslissing ondanks een eventueel hoger beroep meteen uitgevoerd kan worden.
Het voorgaande leidt tot de volgende beslissing.
6. De beslissing
De kinderrechter:
verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] voor de duur van een jaar, met ingang van 9 december 2025 en tot 9 december 2026;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 5 december 2025 door mr. Verschoor-Bergsma, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. de Haas als griffier, en op schrift gesteld op 12 december 2025.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.