RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Strafrecht
Zittingsplaats: Breda
parketnummer: 02-100431-25
vonnis van de meervoudige kamer van 15 december 2025
in de strafzaak tegen
[verdachte]
geboren op [geboortedag] 1993 te [geboorteplaats]
wonende te [woonadres]
raadsvrouw mr. S. van Minderhout, advocaat te Breda
1. Onderzoek van de zaak
De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 1 december 2025, waarbij de officier van justitie, mr. H.G. Klootwijk, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.
2. De tenlastelegging
De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.
De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte
1. samen met anderen cocaïne aanwezig heeft gehad, heeft ingevoerd of heeft verhandeld;2. samen met anderen 33,44 gram cocaïne voorhanden heeft gehad;3. samen met anderen een ringdeurbel en 1 of meer tablets heeft weggenomen bij de Mediamarkt. Subsidiair is dit tenlastegelegd als de heling van die ringdeurbel en tablets.
3. De voorvragen
De dagvaarding is geldig.
De rechtbank is bevoegd.
De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.
Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.
4. De procesafspraken
Deze strafzaak kenmerkt zich doordat het Openbaar Ministerie en de verdediging procesafspraken hebben gemaakt over wat volgens hen een passende uitkomst van de strafzaak zou zijn. Deze procesafspraken zijn opgenomen in een overeenkomst die is op 13 oktober 2025 is gesloten en is ondertekend door de officier van justitie en door verdachte en haar raadsvrouw. Voorafgaand aan de inhoudelijke zitting hebben zij deze overeenkomst overgelegd aan de rechtbank. Het Openbaar Ministerie en de verdediging hebben de rechtbank daarmee een gezamenlijk voorstel gedaan over de wijze van afdoening van de zaak.
Het afdoeningsvoorstel houdt, in de kern, het volgende in:
De gehele overeenkomst is als bijlage aan dit vonnis gehecht.
Beoordeling van de procesafspraken door de rechtbank
De rechtbank heeft zich gebogen over de vraag of het mogelijk is de zaak conform de tussen het Openbaar Ministerie en de verdediging gemaakte procesafspraken af te doen. Bij de beoordeling zijn voor de rechtbank leidend geweest de uitgangspunten zoals verwoord door de Hoge Raad in het arrest van 27 september 2022 (vgl. ECLI:NL:HR:2022:1252).
De rechtbank stelt vast dat verdachte bij de totstandkoming van de procesafspraken is bijgestaan door haar raadsvrouw. Verdachte is ook samen met haar raadsvrouw aanwezig geweest op de openbare terechtzitting van 1 december 2025, alwaar de inhoud van het afdoeningsvoorstel is besproken.
De rechtbank heeft ter zitting benadrukt dat de rechtbank geen partij is bij de (totstandkoming van de) procesafspraken en dat de rechtbank daaraan niet gebonden is. De rechtbank houdt immers een eigen verantwoordelijkheid ervoor te zorgen dat de behandeling en de beoordeling van de strafzaak plaatsvinden overeenkomstig de geldende wettelijke bepalingen. Hierbij staat met name de beantwoording van de vragen conform artikel 348 en artikel 350 van het Wetboek van Strafvordering centraal.
De officier van justitie, de raadsvrouw en verdachte hebben ter zitting bevestigd achter het voorstel te staan. Verdachte heeft ter zitting verklaard dat hij het voorstel met haar raadsvrouw heeft besproken en dat de inhoud van die afspraken duidelijk voor haar is. Verdachte begrijpt wat de consequenties zijn als de rechtbank het voorstel volgt – in het bijzonder met betrekking tot haar verdedigingsrechten – en zij accepteert de op te leggen straf zoals deze is voorgesteld.
De rechtbank is van oordeel dat verdachte vrijwillig, op basis van voldoende en duidelijke informatie en terwijl zij zich bewust was van de rechtsgevolgen, is gekomen tot de ondubbelzinnige beslissing mee te werken aan het afdoeningsvoorstel en de daarmee gepaard gaande afstand van verdedigingsrechten. De wijze waarop de overeenkomst tot stand is gekomen doet geen afbreuk aan het aan verdachte op grond van artikel 6 EVRM toekomende recht op een eerlijk proces. De rechtbank ziet dan ook geen reden om de inhoud van de procesafspraken niet bij haar oordeel te betrekken.
5. De beoordeling van het bewijs
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie acht de tenlastegelegde feiten wettig en overtuigend bewezen, zoals neergelegd in de procesafspraken.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft verzocht om de procesafspraken te volgen en heeft, conform de procesafspraken, geen bewijsverweren gevoerd.
Het oordeel van de rechtbank
De bewijsmiddelen
Indien hoger beroep wordt ingesteld zullen de bewijsmiddelen worden uitgewerkt en opgenomen in een bijlage die aan het vonnis zal worden gehecht
De bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte
1in de periode van 1 maart 2024 tot en met 12 maart 2025 in Nederland tezamen en in vereniging met een ander, meermalen telkens opzettelijk heeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne telkens een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;
2op 12 maart 2025 te Vlissingen tezamen en in vereniging met een ander opzettelijk aanwezig heeft gehad 33,44 gram cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;
3 primairin de periode van 22 november 2024 tot en met 1 december 2024 te Middelburg, tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening een ringdeurbel en 1 of meer tablets heeft weggenomen, welke goederen aan een ander dan verdachte en haar mededader toebehoorden, te weten het winkelbedrijf Mediamarkt.
De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.
6. De strafbaarheid
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.
Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die haar strafbaarheid uitsluit.
7. De strafoplegging
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie vordert – conform het afdoeningsvoorstel – aan verdachte op te leggen een werkstraf van 160 uur en een gevangenisstraf van één jaar voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft ingestemd met de door de officier van justitie gevorderde straf.
Het oordeel van de rechtbank
Verdachte heeft zich samen met haar partner bezig gehouden met de handel in cocaïne. Voor die handel had zij ook 33,44 gram cocaïne in haar woning aanwezig. Ook heeft verdachte samen met haar partner diefstallen gepleegd bij de Mediamarkt.
Het is algemeen bekend dat cocaïne een harddrug is die voor gebruikers sterk verslavend is en ernstige schade toe kan brengen aan de gezondheid van de gebruikers. De handel in en consumptie van harddrugs veroorzaakt daarnaast veel overlast of genereert andere vormen van criminaliteit, waarbij ook het gebruik van geweld niet wordt geschuwd. Om deze gevolgen heeft zij zich niet bekommerd en kennelijk slechts gehandeld uit winstbejag.
Gelet op de aard en ernst van deze feiten kan naar het oordeel van de rechtbank in beginsel niet anders worden gereageerd dan met een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Hierbij heeft de rechtbank acht geslagen op de rechterlijke oriëntatiepunten voor straftoemeting.
Ten aanzien van de persoonlijke omstandigheden heeft de rechtbank rekening gehouden met het strafblad van verdachte, waaruit blijkt dat verdachte niet eerder voor soortgelijke feiten is veroordeeld. Daarnaast heeft de rechtbank rekening gehouden met de overige persoonlijke omstandigheden van de verdachte, voor zover daarvan ter terechtzitting is gebleken.
De rechtbank heeft voorts acht geslagen op de procesafspraken in deze zaak. Die leiden tot een andere afweging die resulteert in een lagere straf. De rechtbank acht in dit geval een matiging van de straf gerechtvaardigd, omdat verdachte heeft meegewerkt aan een procedure die uiteindelijk tot efficiëntere rechtspleging heeft geleid. Er zijn allereerst geen onderzoekswensen ingediend. De behandeling van de strafzaak tijdens het onderzoek ter zitting is verder voortvarend verlopen, nu als gevolg van de procesafspraken geen inhoudelijke verweren zijn gevoerd. Bovendien wordt door naleving van de overeenkomst een hoger beroep voorkomen. Dit levert tijdswinst op en bespaart kostbare zittingscapaciteit. Naast deze proceseconomische belangen zorgt deze procedure er ook voor dat zaken eerder onherroepelijk zijn en opgelegde straffen sneller kunnen worden geëxecuteerd. De procesafspraken doen daarmee ook recht aan de belangen van de maatschappij.
De rechtbank is, alles afwegende, van oordeel dat de straf die in de procesafspraken is overeengekomen, onder de gegeven omstandigheden in redelijke verhouding staat tot de ernst en omvang van de feiten, alsook de rol die verdachte daarin heeft vertolkt. De rechtbank legt dan ook aan verdachte op een onvoorwaardelijke werkstraf van 160 uur, met aftrek van de tijd die in voorarrest is doorgebracht, en daarnaast een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 1 jaar met een proeftijd van twee jaar.
8. De wettelijke voorschriften
De beslissing berust op de artikelen 9, 22c, 22d, 47, 57 en 311 van het Wetboek van Strafrecht, de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.
9. De beslissing
De rechtbank:
Bewezenverklaring
- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.5 is omschreven;
- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;
Strafbaarheid
- verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:
feit 1: Medeplegen van het opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, onder B, van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd;
feit 2: Medeplegen van het opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, onder C, van de Opiumwet gegeven verbod;
feit 3 primair: Diefstal door twee of meer verenigde personen, meermalen gepleegd;
- verklaart verdachte strafbaar;
Strafoplegging
- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 1 jaar voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar;
- bepaalt dat deze straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast, omdat verdachte voor het einde van de proeftijd de hierna vermelde voorwaarden niet heeft nageleefd;
- stelt als algemene voorwaarde dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
- veroordeelt verdachte tot een taakstraf van 160 uren;
- beveelt dat indien verdachte de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast van 80 dagen;
- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de taakstraf naar rato van 2 uur per dag.
Dit vonnis is gewezen door mr. G.M.J. Kok, voorzitter, mr. L.W. Louwerse en mr. M.H.M. Collombon, rechters, in tegenwoordigheid van F.J.M. Nouws, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 15 december 2025.
Mr. L.W. Louwerse en mr. M.H.M. Collombon zijn niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.
Bijlage I
De tenlastelegging
1zij in of omstreeks de periode van 1 maart 2024 tot en met 12 maart 2025 teVlissingen , in elk geval in Nederland, en in België,tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,meermalen, althans eenmaal,(telkens) opzettelijkheeft bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/ofverstrekt en/of vervoerd en/of buiten het grondgebied van Nederland heeftgebracht,in elk geval (telkens) opzettelijk aanwezig heeft gehad,een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne (telkens)een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan welaangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;( art 10 lid 4 Opiumwet, art 2 ahf/ond B Opiumwet, art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboekvan Strafrecht )
2zij op of omstreeks 12 maart 2025 te Vlissingentezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,opzettelijkaanwezig heeft gehadongeveer 33,44 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaalbevattende cocaïne, zijnde cocaïneeen middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan welaangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;( art 10 lid 3 Opiumwet, art 2 ahf/ond C Opiumwet, art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboekvan Strafrecht )
3zij meermalen, althans eenmaal, in of omstreeks de periode van 22 november 2024tot en met 1 december 2024 te Middelburg, tezamen en in vereniging met een anderof anderen, althans alleen,met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening een ringdeurbel en/of 1 of meertablets heeft weggenomen, welke goederen aan een ander dan verdachte en/of haarmededader(s) toebehoorden, te weten het winkelbedrijf Mediamarkt;( art 311 lid 1 ahf/sub 4 Wetboek van Strafrecht )
Subsidiair:zij in of omstreeks de periode van 22 november 2024 tot en met 1 december 2024 teVlissingen , in elk geval in Nederland,een ringdeurbel en/of 1 of meer tablets, althans goederen heeft verworven,voorhanden heeft gehad, en/of heeft overgedragen,terwijl zij ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van die goederenwist dat het een door misdrijf verkregen goed betrof;( art 416 lid 1 ahf/ond a Wetboek van Strafrecht )