RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Familie- en Jeugdrecht
Zaaknummer: C/02/442400 / JE RK 25-2106
Datum uitspraak: 9 december 2025
Nadere beschikking over een voorlopige ondertoezichtstelling
in de zaak van
RAAD VOOR DE KINDERBESCHERMING REGIO ZUIDWEST NEDERLAND,
locatie Middelburg ,
hierna te noemen: de Raad.
over
het [ongeboren kind],
hierna te noemen: de nog ongeboren baby.
De kinderrechter merkt als belanghebbende aan:
[de moeder] ,
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [woonplaats] .
WILLIAM SCHRIKKER STICHTING JEUGDBESCHERMING & JEUGDRECLASSERING,
gevestigd te Amsterdam ,
hierna te noemen: de GI.
1. Het verdere verloop van de procedure
De kinderrechter neemt het volgende mee in de beoordeling:
- de beschikking van 27 november 2025 en alle daarin genoemde stukken.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 9 december 2025. Daarbij waren aanwezig:
de moeder;
een vertegenwoordigster van de Raad;
- een vertegenwoordigster van de GI.
Aan [begeleidster] , de begeleidster van de moeder, is bijzondere toestemming door de kinderrechter verleend om de zitting bij te wonen.
2. De feiten
De moeder is zwanger van de thans nog ongeboren baby en is uitgerekend op 27 december 2025.
Bij spoedbeschikking van 27 november 2025 is de nog ongeboren baby, zonder voorafgaand verhoor van de belanghebbenden, voorlopig onder toezicht gesteld van William Schrikker Stichting Jeugdbescherming & Jeugdreclassering met ingang van 27 november 2025 en tot 11 december 2025, onder aanhouding van het resterende deel van het verzoek.
3. Het verzoek
De Raad verzoekt, uitvoerbaar bij voorraad, de ongeboren baby voorlopig onder toezicht te stellen voor de duur van drie maanden, zonder voorafgaand verhoor van de belanghebbenden. De Raad heeft de kinderrechter in dit verband tevens verzocht om het nog ongeboren kind op grond van artikel 1:2 van het Burgerlijk Wetboek (BW) als reeds geboren aan te merken, omdat het belang van het kind dit vordert.
Aan de orde is de vraag of er nieuwe feiten en omstandigheden zijn die aanleiding geven voor herroeping van de beschikking van 27 november 2025 met ingang van heden, alsmede het resterende deel van het verzoek, te weten de voorlopige ondertoezichtstelling van de ongeboren baby met ingang van 11 december 2025 en tot 27 februari 2026.
4. De standpunten
De Raad handhaaft het verzoek. In aanvulling op het verzoekschrift heeft de Raad tijdens de zitting benoemd dat bij verslavingsproblematiek ook terugvallen kunnen horen. Het is niet ondenkbaar dat de moeder een terugval kan krijgen als zij stress ervaart, bijvoorbeeld omdat de moeder tijdelijk haar andere kinderen niet kan zien. De situatie is erg kwetsbaar en daarom is het belangrijk dat er zicht op de moeder en de nog ongeboren baby blijft. Dit kan in het moederkind-huis worden geboden, waartoe de moeder gemotiveerd is.
De GI heeft naar voren gebracht dat er een moederkind-huis in de buurt van [locatie 3] is waar moeder terecht kan. De moeder vindt dat moeilijk, omdat er vanwege de afstand dan geen fysieke bezoeken met haar andere kinderen kunnen zijn. Desondanks is zij wel gemotiveerd en wil de moeder laten zien dat zij is veranderd. De GI vindt het belangrijk dat de moeder ook contact met de andere kinderen kan blijven houden, bijvoorbeeld in de vorm van videobellen en mogelijk kunnen de andere kinderen op bezoek komen.
De moeder voert geen verweer tegen het verzoek. Het gaat goed met haar, de zwangerschap en de nog ongeboren baby. Zij begrijpt de zorgen, maar is vastbesloten om te bewijzen dat zij is veranderd en geen alcoholverslaving meer heeft. Sinds juli 2025 is de moeder op eigen initiatief en zonder hulp van instanties gestopt met het nuttigen van alcohol en sindsdien heeft de moeder ook geen terugval gehad. De moeder is bewust van haar alcoholverslaving en heeft het op dit moment onder controle. Zij is dingen anders gaan zien en staat er nu achter. Dit was bij eerdere pogingen om van haar alcoholverslaving af te komen anders. De moeder krijgt nog wel begeleiding vanuit [hulpverlening] , bestaande uit wekelijkse gesprekken. Desgevraagd bevestigt de moeder dat zij eerder niet altijd open en eerlijk over haar alcoholverslaving is geweest, maar dat de situatie nu anders is. Ook krijgt de moeder begeleiding vanuit Tragel. Dit mede in verband met de begeleide bezoeken met de andere kinderen van de moeder. Recent zijn twee andere kinderen van de moeder naar een pleeggezin overgeplaatst. De moeder maakt zich zorgen om hen. Verder gaat de moeder op 12 december 2025 naar een moederkind-huis in de buurt van [locatie 3] , waartoe de moeder gemotiveerd is. Het liefst wil de moeder dat alle kinderen thuis bij haar wonen.
5. De verdere beoordeling
Rechtsmacht en toepasselijk recht
Nu de moeder volgens het Basisregistratie Personen een onbekende nationaliteit heeft, kent deze zaak internationaal privaatrechtelijke aspecten. De kinderrechter heeft deze ambtshalve beoordeeld en komt tot de conclusie dat de Nederlandse kinderrechter bevoegd is op het verzoek te beslissen en dat op het verzoek het Nederlandse recht wordt toegepast.
De moeder en het thans ongeboren kind verblijven in Nederland.
Wettelijk kader
Op grond van artikel 1:257 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) kan de kinderrechter de minderjarige voorlopig onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling, indien een ernstig vermoeden bestaat dat de grond als bedoeld in artikel 1:255 lid 1 BW is vervuld en de maatregel noodzakelijk is om een acute en ernstige bedreiging voor de minderjarige weg te nemen.
Ingevolge het bepaalde in artikel 1:255 lid 1 BW kan de kinderrechter een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling wanneer die minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en:
de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en;
de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247 lid 2 BW, in staat zijn te dragen.
Het spoedverzoek
Bij beschikking van 27 november 2025 heeft de kinderrechter de nog ongeboren baby voorlopig onder toezicht gesteld voor de duur van twee weken tot 11 december 2025, zonder voorafgaand verhoor van de belanghebbende(n). De belanghebbende(n) zijn tijdens de zitting van 9 december 2025 in de gelegenheid gesteld hun standpunten naar voren te brengen. Naar aanleiding daarvan oordeelt de kinderrechter dat niet is gebleken dat sprake is van nieuwe feiten en/of omstandigheden die aanleiding geven voor een ander oordeel. Die beslissing zal dan ook niet worden herroepen.
Het resterende deel van het (spoed)verzoek
De kinderrechter merkt als eerst op dat de thans nog ongeboren baby bij beschikking van 27 november 2025 op grond van artikel 1:2 BW al is aangemerkt als reeds geboren, nu het belang van de thans nog ongeboren baby zulks vordert.
De kinderrechter zal het resterende deel van het – onweersproken – (spoed)verzoek tot voorlopige ondertoezichtstelling van de nog ongeboren baby toewijzen, te weten met ingang van 11 december 2025 en tot 27 februari 2026. Zij legt dit hierna uit.
Tijdens de zitting heeft de moeder aangegeven dat het goed met haar en de nog ongeboren baby gaat. Dat vindt de kinderrechter positief om te horen. Desondanks is de kinderrechter van oordeel dat de situatie van de moeder en de nog ongeboren baby erg kwetsbaar is. De moeder kampt met verslavingsproblematiek en krijgt daarvoor begeleiding vanuit [hulpverlening] . De moeder heeft aangegeven dat zij sinds juli 2025 geen alcohol meer heeft genuttigd en sindsdien ook geen terugval heeft gehad. Zij is gemotiveerd om, bij het moederkind-huis, te laten zien dat zij en haar alcoholgebruik zijn veranderd. Ook dat vindt de kinderrechter positief om te horen en geeft de moeder daarvoor een compliment. Uit de informatie van de Raad is het de kinderrechter echter wel gebleken dat de moeder eerder niet altijd eerlijk is geweest over haar alcoholgebruik en wisselend met de hulpverlening heeft samengewerkt. De moeder heeft dit op de zitting ook erkend. Dit maakt dat de situatie kwetsbaar blijft en dat het gezien de verslavingsproblematiek van de moeder niet ondenkbaar is dat er een terugval kan plaatsvinden. Stress kan hiervoor een trigger zijn. De moeder heeft tijdens de zitting aangegeven dat zij zich zorgen maakt om haar andere kinderen. Twee van haar kinderen zijn recent in een pleeggezin opgenomen omdat hun vader naar het buitenland is geëmigreerd. Door het verblijf bij het moederkind-huis kan de moeder haar andere kinderen (fysiek) niet zien. Dit is moeilijk voor haar. Daar komt bij dat de moeder geen partner heeft en onvoldoende op haar familie kan terugvallen. Naar het oordeel van de kinderrechter is de moeder op dit moment onvoldoende in staat om zelf de vermoedelijke bedreiging ten aanzien van de ontwikkeling van de nog ongeboren baby weg te nemen. De kinderrechter vindt het daarom noodzakelijk dat de GI betrokken blijft, zodat er zicht op de moeder en de nog ongeboren baby blijft en de moeder vanuit een gedwongen kader hulp en ondersteuning blijft krijgen, juist op de momenten dat zij stress ervaart.
Uitvoerbaar bij voorraad
Tegen de beslissing tot de voorlopige ondertoezichtstelling van de nog ongeboren baby staat geen gewoon rechtsmiddel open. Ingevolge artikel 807 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering kan alleen cassatie in het belang der wet worden ingesteld. Hoger beroep is dus niet mogelijk. Dit betekent dat deze beslissing directe werking heeft. De kinderrechter zal het verzoek tot uitvoerbaar bij voorraadverklaring van deze beslissing daarom afwijzen.
6. De beslissing
De kinderrechter:
stelt de ongeboren baby voorlopig onder toezicht van William Schrikker Stichting Jeugdbescherming & Jeugdreclassering met ingang van 11 december 2025 en tot 27 februari 2026;
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 9 december 2025 door mr. Borm, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Vork als griffier, en op schrift gesteld op 15 december 2025.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking staat geen hoger beroep open.