3. De beoordeling
Internationale bevoegdheid en toepasselijk recht
Vanwege de Poolse nationaliteit van partijen en de inschrijving van de man op een adres in [land] heeft de zaak internationaal privaatrechtelijke aspecten.
Omdat de gewone verblijfplaats van [minderjarige] in Nederland is, is de Nederlandse rechter bevoegd om te beslissen op het verzoek van de man (artikel 7 lid 1 BrusselIIter Verordening). De rechtbank zal hierbij Nederlands recht toepassen (artikel 15 lid 1 Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996).
Het voortraject
Bij beschikking betreffende voorlopige voorzieningen van 3 oktober 2023 is samengevat, bepaald:
- dat de vrouw bij uitsluiting gerechtigd is tot het gebruik van de echtelijke woning;
- dat [minderjarige] wordt toevertrouwd aan de vrouw;
- dat de man en [minderjarige] gerechtigd zijn tot het hebben van contact met elkaar in het kader van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken, in de oneven weken van woensdag uit school tot 19:00 uur en in de even weken van dinsdag uit school tot 19:00 uur, alsmede van zaterdag 10:00 uur tot zondag 19:00 uur;
- dat de man ten behoeve van [minderjarige] aan de vrouw moet voldoen een bedrag van € 200,= per maand;
- dat partijen worden doorverwezen naar het loket van de samenwerkende gemeenten in de [regio] voor een hulpverleningstraject via het Uniform Hulp Aanbod (UHA);
- in het geval het UHA niet slaagt: dat de Raad een onderzoek zal moeten starten en de rechtbank dient te adviseren over de zorgregeling.
Bij voormeld vonnis in kort geding van 18 december 2023 is de vrouw bevolen medewerking te verlenen aan een voorlopige zorgregeling inhoudende dat de man en [minderjarige] gerechtigd zijn tot het hebben van contact met elkaar iedere dinsdag na school tot woensdagochtend voor school.
Het primaire verzoek van de man
De man voert als grond voor zijn primaire verzoek aan dat sinds genoemde beschikking de omstandigheden zodanig zijn gewijzigd dat de daarbij gegeven voorzieningen met betrekking tot de toevertrouwing van [minderjarige] en de zorgregeling niet in stand kunnen blijven. De vrouw heeft in september 2025 een harstilstand gekregen en lag enkele weken in het ziekenhuis. De situatie was zodanig dat de artsen toen hebben voorgesteld om de vrouw af te koppelen van alle monitoren waar zij op dat moment comateus aan lag. De vrouw is, tegen de verwachting van de artsen in, toch uit haar coma ontwaakt. De man heeft sinds de vrouw in het ziekenhuis ligt de zorg over [minderjarige] op zich genomen. Ten tijde van indiening van het verzoek van de man verblijft zij al bijna vier weken fulltime bij de man. Op de zitting heeft de man verder aangevoerd dat hij ook zorgen heeft over de veiligheid van [minderjarige] bij de vrouw. Door de artsen in het ziekenhuis is namelijk aangegeven dat de hartstilstand van de vrouw te maken heeft gehad met middelengebruik door haar.
De vrouw voert gemotiveerd verweer. Het is juist dat zij een harstilstand heeft gehad maar zij betwist dat dit te maken heeft gehad met middelengebruik door haar. Verder betwist ze de stelling van de man dat [minderjarige] daardoor weken bij hem heeft verblijven. Zij heeft slechts enkele dagen bij de man verbleven. Daarna heeft [minderjarige] in de woning van de vrouw verbleven met de ouders van de vrouw. Inmiddels neemt de vrouw de zorg voor [minderjarige] weer op zich, met behulp van haar vader, die tot kerst bij haar zal verblijven. De vrouw is bezig met een revalidatietraject en dat gaat goed. Volgens de vrouw is geen sprake van een situatie als bedoeld in artikel 824 lid 2 Rv. De omstandigheden zijn niet in zodanige mate gewijzigd dat, alle betrokken belangen in aanmerking genomen, de voorziening niet in stand zou kunnen blijven.
De rechtbank stelt voorop dat tegen een op grond van artikel 822 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) gegeven beschikking geen hogere voorziening, behalve cassatie in het belang der wet, openstaat. Op grond van het bepaalde in artikel 824 lid 2 Rv kan een op basis van artikel 822 Rv gegeven beschikking slechts worden gewijzigd of ingetrokken, indien de omstandigheden na de dagtekening van de beschikking in zodanige mate zijn gewijzigd of indien bij het geven van de beschikking in zodanige mate van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan dat, alle betrokken belangen in aanmerking genomen, de voorziening niet in stand kan blijven. Volgens genoemd artikel rechtvaardigt niet iedere wijziging van omstandigheden of onjuistheid, dan wel onvolledigheid een wijziging van de beschikking voorlopige voorzieningen, maar kan daarvan slechts sprake zijn in evidente, zeer sprekende gevallen.
Uit de stukken en hetgeen is besproken op zitting volgt dat partijen een verschillende lezing hebben over hoe lang [minderjarige] na de hartstilstand van de vrouw bij de man heeft verbleven.
Echter, ook is gebleken dat de vrouw de zorg voor [minderjarige] inmiddels weer volledig op zich heeft genomen, in ieder geval sinds haar ontslag uit het ziekenhuis twee weken voorafgaand aan de zitting. De gestelde wijziging van omstandigheden dat de man de fulltime zorg heeft voor [minderjarige] is gelet op het voorgaande niet meer aan de orde. Daarnaast heeft de man pas voor het eerst op de zitting zijn zorgen geuit over het middelengebruik van de vrouw en dat het voor [minderjarige] onveilig zou zijn om bij haar te verblijven. De rechtbank constateert onder andere uit de rapportage van het Uniform Hulp Aanbod dat de veiligheid van [minderjarige] bij de vrouw nooit eerder aan de orde is gesteld en dat ook niet is gebleken dat sprake is van een onveilige situatie bij de vrouw. Door de man is onvoldoende onderbouwd dat mogelijk middelengebruik door de vrouw ertoe zou moeten leiden dat de getroffen voorziening met betrekking tot de toevertrouwing van [minderjarige] aan de vrouw, alle betrokken belangen in aanmerking genomen, niet in stand kan blijven. Het voorgaande leidt ertoe dat de rechtbank niet toekomt aan een wijziging van zowel de toevertrouwing als de zorgregeling zoals door de man primair verzocht.
Het subsidiaire verzoek van de man
Voordat de rechtbank toekomt aan de beoordeling van het subsidiaire verzoek van de man moet zij zich eerst buigen over de vraag hoe de vastgestelde zorgregeling in de beschikking van 3 oktober 2023 betreffende voorlopige voorzieningen zich verhoudt tot de voorlopige regeling als bepaald in het vonnis in kort geding van 18 december 2023. Vervolgens moet de vraag worden beantwoord of er ruimte is om gelet daarop de geldende zorgregeling in deze procedure te wijzigen. Zoals hiervoor in rechtsoverwegingen 3.3 en 3.4 is benoemd zijn in de beschikking van 3 oktober 2023 enkele voorzieningen getroffen, waaronder vaststelling van een voorlopige zorgregeling, en is bij vonnis in kort geding van 18 december 2023 de vrouw bevolen de zorgregeling na te komen. De voorzieningenrechter heeft deze zorgregeling daarnaast gewijzigd in een beperktere zorgregeling. Die laatste voorlopige zorgregeling geldt tot op heden en wordt feitelijk uitgevoerd door partijen.
De huidige procedure ziet echter op een wijziging van voorlopige voorzieningen op grond van artikel 824 Rv. Ondanks dat de man dit wel heeft verzocht, is in deze procedure geen ruimte voor een wijziging van een vonnis in kort geding. De rechtbank overweegt dat hoewel in het vonnis in kort geding van 18 december 2023 een voorlopige aangepaste zorgregeling tussen de man en [minderjarige] is bepaald, die procedure in essentie zag op nakoming, dan wel op opschorting van de voorlopige zorgregeling zoals volgt uit de beschikking van 3 oktober 2023. Dat de voorzieningenrechter aanleiding heeft gezien de na te komen zorgregeling te wijzigen maakt de juridische grond van de beslissing in kort geding, namelijk nakoming van een zorgregeling door de vrouw, niet anders. De rechtbank ziet gelet daarop ruimte om de huidige verzoeken van de man ten aanzien van de wijziging van de voorlopige voorzieningen op grond van artikel 824 Rv te beoordelen. Zoals hierna zal blijken wordt op basis van dat wetsartikel toegekomen aan wijziging van de voorlopige voorzieningen zoals volgt uit de beschikking van 3 oktober 2023. Dat betekent ook dat de voorlopige regeling zoals opgenomen in 5.1. van het vonnis van 18 december 2023 komt te vervallen, omdat die beslissing dus zag op nakoming van de eerder vastgestelde voorlopige zorgregeling.
De man legt het volgende aan zijn subsidiaire verzoek ten grondslag. Er is sprake van gewijzigde omstandigheden waardoor voormelde beschikking moet worden gewijzigd. In de bodemzaak is namelijk nog steeds geen zitting bepaald en voorlopig is er dus geen zicht op bepaling van een definitieve zorgregeling. Op de zitting heeft de man verder aangevoerd dat uit de UHA-rapportage is gebleken dat hij goed voor [minderjarige] kan zorgen. Verder is de man verhuisd van [woonplaats 1] ( [land] ) naar [woonplaats 2] , zodat de praktische bezwaren, die er eerder in het voortraject volgens hem waren, zijn weggenomen.
Wat betreft de verdeling van vakanties voert de man aan dat hij er niet op kan vertrouwen dat de vrouw [minderjarige] tijdens deze vakanties enkele dagen bij hem laat doorbrengen.
De vrouw heeft op de zitting verweer gevoerd. Zij heeft aangegeven dat uit de UHA-rapportage volgt dat partijen verder in overleg moeten. Er kan gelet daarop nog niet worden toegekomen aan een aanpassing van de zorgregeling. Over de verzoeken van de man om contact te hebben met [minderjarige] in de kerst- en voorjaarsvakantie geeft de vrouw het volgende aan. In de kerstvakantie heeft zij gepland om de volledige twee weken met [minderjarige] in Polen te zullen verblijven om familie te bezoeken. Verder kan de vrouw er niet mee instemmen dat [minderjarige] in de voorjaarsvakantie bij de man verblijft.
De Raad heeft op de zitting aangegeven dat het in het belang van [minderjarige] is dat zij meer tijd bij de man verblijft. Nu in het UHA-traject niet alle doelen zijn behaald, zal de Raad een screening doen en de rechtbank conform het bepaalde in de beschikking van 3 oktober 2023 adviseren. De Raad kan helaas niet aangeven wanneer dit zal zijn.
De rechtbank is van oordeel, onder verwijzing naar rechtsoverweging 3.7, dat sprake is van gewijzigde omstandigheden die maken dat, alle betrokken belangen in aanmerking genomen, de eerder getroffen voorziening wat betreft de zorgregeling niet in stand kan blijven en overweegt daartoe als volgt. Bij beschikking van 3 oktober 2023 is een voorlopige zorgregeling vastgesteld tussen de man en [minderjarige] , waarbij het de bedoeling was, zo blijkt uit de overwegingen uit die beschikking, dat die zorgregeling met behulp van de hulpverlening op korte termijn zou worden uitgebreid. Dat is tot op heden niet gebeurd. Er geldt sinds
18 december 2023 zelfs een beperktere zorgregeling. Verder is er, zoals de man heeft aangevoerd en de vrouw niet heeft weersproken, nog geen zicht op een definitieve beslissing in de bodemprocedure. Dit betekent dat zonder een aanpassing van de zorgregeling in het kader van deze procedure, de mogelijkheid bestaat dat de geldende beperkte zorgregeling nog geruime tijd zal doorlopen. Dat acht de rechtbank niet in het belang van [minderjarige] . De rechtbank volgt hierin het standpunt van de Raad dat [minderjarige] meer tijd bij de man zou moeten doorbrengen. Uit het verslag van het UHA volgt onder andere dat er op dit moment een veilige, stabiele opvoedsituatie is bij de man voor [minderjarige] , de relatie tussen [minderjarige] en de man is verbeterd en inmiddels sprake is van een veilige hechting. De grootste zorgen zien op de spanningen en slechte communicatie tussen partijen, waar [minderjarige] mee wordt belast, en niet op de opvoedsituaties bij partijen. Het voorgaande moet naar het oordeel van de rechtbank ertoe leiden dat de zorgregeling wordt aangepast, in die zin dat deze wordt uitgebreid. De door de man verzochte zorgregeling (iedere dinsdag tot woensdag en één weekend per veertien dagen) acht de rechtbank in het belang van [minderjarige] , met dien verstande dat het weekend bij de man plaatsvindt in de even weken en zal duren van vrijdag uit school tot maandag naar school. In het vonnis in kort geding is namelijk uitdrukkelijk opgenomen dat als partijen elkaar tijdens de wisselmomenten tegenkomen er sprake is van veel spanning en strijd. Dit dient voorkomen te worden en bij deze regeling vinden alle wisselmomenten plaats op school. Deze regeling gaat in met ingang van 12 december 2025.
De rechtbank ziet gelet op het voorgaande ook aanleiding een verdeling van de kerst- en voorjaarsvakantie vast te stellen. Het is namelijk in het belang van [minderjarige] dat zij gedurende de vakanties langere tijd kan doorbrengen met de man en op zitting is gebleken dat de vrouw zonder een beslissing van de rechtbank hier niet aan zal meewerken. De rechtbank zal bepalen dat [minderjarige] bij de vrouw verblijft van vrijdag 19 december 2025 uit school tot maandag 29 december 2025 om 11:00 uur en van maandag 29 december 11:00 uur tot maandag 5 januari 2026 naar school bij de man verblijft.
De man zal [minderjarige] op maandag 29 december om 11:00 uur bij de vrouw ophalen.
Wat betreft de voorjaarsvakantie zal het verzoek van de man worden toegewezen, met dien verstande dat [minderjarige] aansluitend op het weekend van de man van vrijdag 13 februari 2026 uit school tot woensdag 18 februari 2026 11:00 uur bij hem verblijft, de man [minderjarige] op deze woensdag 18 februari om 11:00 uur naar de vrouw brengt waarna [minderjarige] dan tot maandag 23 februari 2026 naar school bij de vrouw verblijft. De rechtbank wijst partijen er uitdrukkelijk op dat de wisselmomenten in de vakanties die niet via school plaatsvinden rustig moeten verlopen en niet mogen escaleren en leiden tot verwijten naar elkaar of ruzie. Dit in het belang van [minderjarige] .
Tot slot merkt de rechtbank op dat, zoals ook op de zitting is gebleken, de spanning tussen partijen blijft oplopen en zij het werkelijk over alles oneens zijn. Zij maken verwijten over en weer en diskwalificeren elkaar in hun rol als ouder. De rechtbank vraagt de Raad daarom om zo spoedig mogelijk de screening na het niet geslaagde UHA-traject af te ronden, zodat er duidelijkheid kan komen over de verder in te zetten hulpverlening in een vrijwillig dan wel gedwongen kader.
4. De beslissing
De rechtbank:
wijzigt voormelde beschikking van 3 oktober 2023 als volgt:
bepaalt dat de man en de [minderjarige] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2015, met ingang van 12 december 2025, in het kader van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken gerechtigd zijn tot het hebben van contact met elkaar:
- eenmaal per veertien dagen in de even weken van vrijdag uit school tot maandag naar school;
- elke dinsdag uit school tot woensdag naar school;
bepaalt, in het kader van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken, dat genoemde minderjarige [minderjarige] bij partijen verblijft tijdens de aankomende kerst- en voorjaarsvakantie volgens de volgende verdeling:
- kerstvakantie 2025: van vrijdag 19 december 2025 uit school tot maandag 29 december 2025 om 11:00 uur bij de vrouw (de man haalt [minderjarige] op maandag 29 december 11:00 uur op bij de vrouw) en van maandag 29 december 2025 om 11:00 uur tot maandag 5 januari 2026 naar school bij de man;
- voorjaarsvakantie 2026: van vrijdag 13 februari 2026 uit school tot woensdag 18 februari 2026 om 11:00 uur bij de man (de man brengt [minderjarige] op woensdag 18 februari 2026 om 11:00 uur naar de vrouw) en van woensdag 18 februari 2026 om 11:00 uur tot maandag 23 februari 2026 naar school bij de vrouw;
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. Benjaddi, rechter, en in tegenwoordigheid van mr. Reijerse, griffier, in het openbaar uitgesproken op 8 december 2025.