RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaaknummer: C/02/441181 / JE RK 25-1907
Datum uitspraak: 27 november 2025
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de gecertificeerde instelling JEUGDBESCHERMING BRABANT, locatie Etten-Leur , gevestigd te Etten-Leur ,
hierna te noemen de GI,
over
[minderjarige 1] , geboren op [geboortedag] 2012 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [minderjarige 1] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder] ,
hierna te noemen de moeder,
wonende in [woonplaats 1] ,
advocaat mr. P.J.M. Groenhuis-Kools te Breda,
[de vader] ,
hierna te noemen de vader,
wonende in [woonplaats 2] ,
De kinderrechter merkt aan als informanten:
[de grootouders mz] ,
hierna te noemen de grootouders moederszijde,
wonende in [woonplaats 1] .
Daarbij neemt de kinderrechter in aanmerking dat, hoewel [minderjarige 1] feitelijk al langere tijd bij de grootouders moederszijde verblijft, zij formeel-juridisch per 6 december 2024, derhalve korter dan één jaar, bij deze grootouders ingevolge een daartoe door de rechtbank verleende machtiging is geplaatst.
1. Het verloop van de procedure
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
de verzoekschriften met bijlagen, ontvangen op 24 oktober 2025;
de op 20 november 2025 ontvangen brief van [minderjarige 1] aan de kinderrechter;
de op 26 november 2025 ontvangen brief van de vader.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 27 november 2025.
Daarbij waren aanwezig:
- de moeder met haar advocaat;
twee vertegenwoordigers van de GI;
de opa moederszijde.
De vader is, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet ter zitting verschenen. De kinderrechter heeft van hem een emailbericht ontvangen, waarin hij de reden van het niet verschijnen heeft toegelicht en hij zijn standpunt heeft verwoord.
De kinderrechter heeft [minderjarige 1] naar haar mening gevraagd. [minderjarige 1] heeft hierover een brief geschreven, die zij aan de kinderrechter heeft gestuurd. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter de inhoud van de brief van [minderjarige 1] samengevat weergegeven. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.
2. De feiten
De ouders zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] .
[minderjarige 1] verblijft bij de grootouders moederszijde.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 6 december 2024
[minderjarige 1] onder toezicht gesteld tot 6 december 2025. Tevens is bij die beschikking een machtiging verleend tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] bij een netwerkpleeggezin, te weten de grootouders moederszijde, met ingang van 6 december 2024 tot 6 september 2025.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 28 augustus 2025 de
machtiging verlengd om [minderjarige 1] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een netwerkpleeggezin, te weten bij de grootouders moederszijde, met ingang van 6 september 2025 tot 6 december 2025.
3. Het verzoek
De GI heeft verzocht de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] te verlengen voor de duur van een jaar. Ook heeft de GI verzocht de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] bij de grootouders in het kader van een netwerkplaatsing te verlengen voor de duur van één jaar.
De GI heeft verzocht de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
4. Het standpunt van de GI
De GI heeft ter onderbouwing van de afzonderlijke verzoeken schriftelijk en
mondeling aanvullend - samengevat - aangevoerd dat de moeder in juni 2024 voor een tweede maal is weggegaan en zij de drie kinderen ( [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] ) heeft achtergelaten. Sindsdien fungeren de grootouders moederszijde als netwerkpleeggezin voor [minderjarige 1] . De grootouders moederszijde hebben gedurende het overgrote deel van het leven van [minderjarige 1] voor haar gezorgd.
In 2023 heeft een schietincident plaatsgevonden tussen de nieuwe partner van de
moeder en opa moederszijde. De partner van de moeder is daarvoor strafrechtelijk veroordeeld, hij heeft tot juni 2024 in detentie doorgebracht. Na de detentie is de moeder met haar partner gaan samenwonen in de regio Eindhoven. Wel staat zij feitelijk nog ingeschreven op een camping in [woonplaats 1] . In augustus 2024 heeft bij de woning van de grootouders vaderszijde een geweldsincident plaats gevonden tussen de moeder, haar nieuwe partner en de vader, waarbij er een vechtpartij is ontstaan. De vader zou daarbij op het hoofd zijn geslagen en ook zijn geschopt, waarop hij vervolgens per ambulance naar het ziekenhuis is vervoerd en hij daar enige tijd een aware knop bij zich heeft gedragen.
Bij de start van de ondertoezichtstelling heeft de GI de situatie in kaart gebracht,
uitgaande van de te behalen doelstellingen, te weten:
- de kinderen groeien op in een veilige en stabiele omgeving en zij zijn geen getuige
meer van huiselijk geweld, spanningen en onrust tussen hun ouders;
- er is duidelijkheid over het toekomstperspectief van alle kinderen;
- de kinderen hebben een positief onbelast en structureel contact met hun ouder(s),
broertje/zusje en familie(s);
- de kinderen ervaren vanuit hun ouder(s)/opvoeder(s) de ruimte en
onvoorwaardelijke emotionele toestemming om een onbelast contact met beide
ouders te onderhouden;
- de ouders weten met elkaar om te gaan als ex-partners, zij uiten zich respectvol over elkaar, zij accepteren ieders rol in het leven van de kinderen en zij zorgen ervoor dat de kinderen zich kunnen bewegen in de relatie tussen de ouders;
- de ouders zijn praktisch en emotioneel beschikbaar voor de kinderen, zodat de
kinderen te allen tijde kunnen vertrouwen en terugvallen op hun ouders;
- [minderjarige 2] volgt onderwijs;
- [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zijn in staat om hun gevoelens en emoties te uiten, zodat zij
traumatische, ingrijpende gebeurtenissen uit het verleden kunnen verwerken;
- het is duidelijk welke hulpverlening voor ieder kind individueel nodig wordt geacht en deze hulpverlening wordt ingezet wanneer dit passend wordt geacht.
In maart 2025 is een aanmelding gedaan bij [zorgaanbieder] .
Deze zorgaanbieder kan een totaalpakket bieden voor wat betreft therapie voor de kinderen, het contactherstel tussen de kinderen onderling, tussen de moeder en [minderjarige 2] / [minderjarige 3] en tussen de vader en [minderjarige 1] en tevens het ouderschapstraject, inclusief een communicatietraject. [zorgaanbieder] bouwt de hulpverlening op met als startpunt de kinderen. In dit geval
meer specifiek voor wat betreft [minderjarige 1] (12) en [minderjarige 2] (7). Dat omdat [minderjarige 3] (2) gezien haar zeer jonge leeftijd pas later in het traject zal kunnen aansluiten. Voorop staat dat inzicht moet worden verkregen in wat de kinderen nodig hebben en welke omstandigheden daarbij helpend zouden kunnen zijn. De therapeutische hulpverlening voor [minderjarige 1] is in april 2025 gestart in de vorm van paardentherapie.
Aan de moeder is een ‘beslissing over contact tijdens de uithuisplaatsing’ (hierna:
BCU) gestuurd, gedateerd 27 maart 2025. Dit met als achtergrond dat er eerst therapie opgestart moet worden om meer zicht op [minderjarige 1] te krijgen en niet duidelijk is of/in hoeverre het geweldsincident tussen opa en de nieuwe partner van de moeder bij [minderjarige 1] trauma’s heeft veroorzaakt. Ook wil de GI daarmee rust creëren voor [minderjarige 1] en haar de kans geven eerst zaken uit het verleden te verwerken en voorkomen dat er te snel stappen ineens worden gemaakt. De BCU wordt regelmatig met [minderjarige 1] besproken waarbij [minderjarige 1] wordt gestimuleerd om aan te geven wat zij daarvan vindt.
Door de grootouders moederszijde is begin juli 2025 samen met de moeder aan [minderjarige 1] verteld dat de vader, hierna ook [de vader] genoemd, niet haar biologische vader is. [minderjarige 1] gaf vervolgens aan dat dit voor haar geen verrassing was. Wel liet zij blijken dat dit bij haar nog een plekje zal moeten krijgen. Het is belangrijk dat er aandacht is voor de band tussen [minderjarige 1] en [de vader] , aangezien hij een rol in het leven van [minderjarige 1] heeft vervuld en hij als ouder in het leven van [minderjarige 2] en [minderjarige 3] een blijvende rol vervult. Graag zou de GI zien dat het mogelijk wordt dat er tussen [minderjarige 1] en [de vader] met enige regelmaat op onbelaste wijze contact kan plaats vinden. De GI stelt vast dat er op dat vlak hulp en ondersteuning nodig is, met name omdat [minderjarige 1] momenteel laat blijken dat zij geen behoefte heeft aan contact. Zorgvuldigheid is in dat opzicht geboden, alsook dat er serieus wordt geluisterd naar [minderjarige 1] , opdat zij zich daadwerkelijk gehoord voelt en dat er zicht komt op wat er tussen haar en [de vader] speelt.
[minderjarige 1] had vorig schooljaar via de basisschool ondersteuning van een vertrouwenspersoon. Verder laat zij blijken de paardentherapie fijn te vinden en daar veel van te leren. Ook van de grootouders moederszijde krijgt de GI terug dat het momenteel goed gaat met [minderjarige 1] . De jeugdbeschermer bemerkt dat [minderjarige 1] in de gesprekken opener en minder onzeker is dan voorheen. Dit wordt als een belangrijke verbetering gezien, omdat [minderjarige 1] een kind is dat niet gemakkelijk uit zichzelf uiting geeft aan wat er bij haar leeft. Dit schooljaar is [minderjarige 1] begonnen op de middelbare school. Deze overstap is positief verlopen, wat veelzeggend is, aangezien zij voorheen niet altijd naar school ging wanneer er problemen waren of zij zich zorgen maakte, waaronder over haar grootouders.
[minderjarige 1] heeft desgevraagd aangegeven bij de jeugdbeschermer dat zij bij haar grootouders wil blijven wonen. Zij heeft veel meegemaakt en in haar leven zijn opa en oma steeds een vaste factor geweest. Er is een netwerkonderzoek uitgevoerd. Uit dat onderzoek is begin oktober 2025 een positief advies gevolgd. De grootouders moederszijde worden begeleid door [pleegzorg] . Daarin is ook pleegzorgbegeleiding begrepen. Wel zijn de grootouders op zoek naar een andere woning, omdat de camping, waarvan de opa beheerder is, over een aantal jaren zal worden gesloten.
Tussen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] is per juli 2025 gestart met contactherstel. Gezien werd
dat zij tijdens het eerste contact prima bij elkaar aansloten na een periode van meer
dan een jaar elkaar niet te hebben gezien. Sindsdien vindt het contact één maal per 3 tot 4 weken plaats onder begeleiding. De therapeuten van [minderjarige 2] en [minderjarige 1] monitoren hoe de contacten voor beide kinderen verlopen. De contacten kunnen nog niet onbegeleid plaats vinden, omdat [minderjarige 2] op onbewaakte ogenblikken vragen probeert te stellen aan [minderjarige 1] , onder meer over zijn moeder en [minderjarige 1] niet de juiste persoon is om deze vragen voorgelegd te krijgen. Aan de ouders is in juli 2025 door [zorgaanbieder] uitgelegd hoe de opbouw van onder andere het contacthersteltraject plaats gaat vinden en is er informatie gegeven over het proces. Op dit moment is vooral het contactherstel tussen de kinderen en de moeder voorliggend. Daarnaast is het voor [minderjarige 1] belangrijk dat zij duidelijkheid krijgt over de positie van c.q. relatie met haar (niet-biologische) vader en zijn ouders, dat er contact tussen hen mogelijk wordt en dit in de toekomst ook het contact met [minderjarige 2] en [minderjarige 3] niet in de weg zal staan.
Tussen de ouders is er, afgezien van af en toe emailcontact, nauwelijks sprake van
communicatie. Daarbij verloopt dit emailverkeer tot dusver niet constructief en ook regelmatig in de verwijtende sfeer. Voor [zorgaanbieder] ligt momenteel de nadruk op het contactherstel en de behoeften van de kinderen. Er is nog geen start gemaakt met het ouderschaps- en communicatietraject. [zorgaanbieder] is nu vooral bezig met zicht krijgen op de kinderen en op de vader en de moeder. Hoewel de GI het communicatie- en ouderschapstraject noodzakelijk acht ziet zij daarin ook risico’s in het geval dat de ouders meer met elkaar in contact komen en [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] vervolgens weer meer spanning en negativiteit meekrijgen. [minderjarige 1] ’s huidige (positieve) ontwikkeling en die van de andere kinderen kan daardoor mogelijk onder druk komen te staan. In dat verband wordt benoemd dat er nog veel zaken tussen de ouders spelen, waaronder financiële kwesties, de huidige inschrijving van de moeder op de camping waar ook de grootouders moederszijde wonen en de aangifte rondom het geweldsincident in augustus 2024. Op dit moment is [minderjarige 1] goed op de plaats waar zij is, terwijl er in de afzonderlijke woon- en leefsituaties van de ouders sinds het begin van de ondertoezichtstelling nog onvoldoende concrete stappen zijn gemaakt. Dit maakt dat het te vroeg is om iets over het toekomstperspectief te kunnen zeggen.
Gelet op al wat er binnen het familiesysteem nog moet worden aangepakt acht de GI het nog te vroeg om de zaak terug te verwijzen naar het vrijwillig kader. Benoemd wordt in dat verband dat de communicatie tussen de ouders onderling, maar ook tussen de grootouders en de ouders nog steeds spanningsvol verloopt; ook hebben de ouders hun vorm van ouderschap nog niet gevonden. De spanningen zijn voelbaar voor [minderjarige 1] en de andere kinderen, zodanig dat zij daar last van hebben. Er dient gewerkt te gaan worden aan een situatie, waarbij voor iedereen - en vooral voor [minderjarige 1] en de andere kinderen - duidelijk is wie welke rol heeft en wat het toekomstperspectief is. Ook dient gestart te worden met een communicatie- en ouderschapstraject, bedoeld om de ouders (en de grootouders) meer inzicht te laten krijgen in wat hun gedrag bij de kinderen te weeg brengt. Zodra dit duidelijker wordt zullen zij met die kennis hun eigen wensen en emoties ondergeschikt kunnen maken aan het belang van de kinderen. Tevens dient (verder) te worden gewerkt aan onderling contactherstel, waarbij rekening wordt gehouden met het tempo dat [minderjarige 1] en de andere kinderen aan kunnen en ervoor wordt gewaakt dat niet over hun grenzen heen wordt gegaan. Een verlenging van de ondertoezichtstelling en van de machtiging tot uithuisplaatsing ten aanzien van [minderjarige 1] , als verzocht acht de GI daarom in haar belang noodzakelijk.
5. Het standpunt van [minderjarige 1]
heeft in haar brief aan de kinderrechter samengevat opgemerkt dat zij zich op dit moment blij voelt, omdat zij bij haar oma en opa moederszijde woont, dat zij daar gelukkig is en het nu ook heel goed gaat op school. Zij vindt het belangrijk dat de kinderrechter weet dat zij bij haar oma en opa wil blijven en dat zij niet naar een andere plek wil verhuizen. Dit omdat zij zich bij haar oma en opa veilig voelt en zij haar vrienden van school niet kwijt wil. Bovendien woont zij er al heel haar leven en is zij opgegroeid en opgevoed door haar opa en oma.
6. De standpunten van de belanghebbenden
De vader heeft schriftelijk bericht dat hij ervoor kiest om veiligheidsredenen en wegens praktische omstandigheden, mede verband houdend met de zorg die hij draagt voor [minderjarige 2] en [minderjarige 3] , niet ter zitting te verschijnen. Zijn standpunt luidt dat een verlenging van de ondertoezichtstelling in het belang van [minderjarige 1] noodzakelijk is. Dit omdat de situatie nog onvoldoende stabiel is en hij en de moeder nog niet in staat zijn zonder professionele ondersteuning tot duurzame en veilige afspraken te komen. Ook acht hij in het belang van [minderjarige 1] essentieel dat de hulpverlening betrokken blijft.
De moeder heeft mondeling naar voren gebracht dat zij blij is dat [minderjarige 1] bij haar ouders kan wonen, waar zij rust en veiligheid ervaart. Tussen haar en [minderjarige 1] is er vrijwel dagelijks (video)belcontact, dat positief verloopt. Zij ziet op dit moment geen mogelijk-heden om het contact tussen [minderjarige 1] en [de vader] op enigerlei wijze te herstellen. Zij deelt de opvatting van de jeugdbeschermer dat daaraan zorgvuldig gewerkt dient te worden, dat serieus dient te worden geluisterd naar wat er bij [minderjarige 1] leeft en wordt onderzocht wat er mogelijk tussen haar [de vader] speelt. Daarnaast is zij van mening dat er tot dusver in het contactherstel tussen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] en [minderjarige 3] onvoldoende concrete stappen worden gemaakt. Ten slotte is door de moeder opgemerkt dat zij, alleen als dat echt moet, bereid is mee te werken aan verbetering van de oudercommunicatie en daarbij hulpverlening zal accepteren.
De advocaat van de moeder heeft aangevoerd dat zij zich namens de moeder op het standpunt stelt dat aan de wettelijke vereisten voor een verlenging van de ondertoezicht-stelling en van de machtiging tot uithuisplaatsing lijkt te zijn voldaan. Daarvan uitgaande verzet de moeder zich niet tegen het verzoek. Wel heeft zij daaraan toegevoegd dat [minderjarige 1] momenteel grote weerstand laat zien ten aanzien van (het werken aan) contactherstel tussen haar en [de vader] . Ook wil [minderjarige 1] , nu zij ermee bekend is gemaakt dat hij niet haar biologische vader is, dat haar geboorte-akte overeenkomstig wordt aangepast. Rekening houdend met al deze factoren wenst zij de GI in overweging te geven om - al dan niet op termijn - te zorgen voor een bijzondere curator voor [minderjarige 1] , die opkomt voor haar belangen en die ervoor zorgt/waakt dat haar stem wordt gehoord. De advocaat van de moeder heeft ten slotte opgemerkt dat zij, rekening houdend met [minderjarige 1] ’s achtergrond en haar huidige ontwikkeling, minder problemen ziet ten aanzien van het werken aan contactherstel tussen haar en de overige betrokkenen.
7. Het standpunt van de informant
De opa moederszijde heeft - samengevat - aangegeven dat al wat [minderjarige 1] in haar brief aan de kinderrechter heeft opgemerkt voor hem herkenbaar is. Hij kan daarom ook achter het verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling en van de machtiging tot uithuisplaatsing staan.
8. De beoordeling
De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een verlenging van de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] is voldaan. Ook is de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] noodzakelijk in het belang van de verzorging en opvoeding, onderzoek van haar geestelijke toestand en onderzoek van haar lichamelijke toestand. De kinderrechter legt hieronder uit waarom.
[minderjarige 1] wordt nog steeds ernstig in haar ontwikkeling bedreigd. Uit de overgelegde stukken en de mondelinge behandeling ter zitting blijkt dat [minderjarige 1] veel ingrijpende gebeurtenissen heeft meegemaakt en dat er nog steeds sprake is van een ingewikkeld familiesysteem. De spanningen en het gebrek aan communicatie tussen de ouders onderling en de grootouders en ouders zijn voelbaar voor [minderjarige 1] en zij heeft daar ook last van. [minderjarige 1] krijgt daarvoor hulpverlening, in de vorm van paardentherapie waar zij veel baat bij heeft. Ook heeft zij een positief contact met haar moeder en is er sprake van begeleide contacten tussen haar en [minderjarige 2] . Er dient echter gewerkt te blijven worden aan duidelijkheid voor [minderjarige 1] over wie uit zorg- en opvoedkundig opzicht welke rol in haar leven heeft en waar haar toekomstperspectief ligt. Daarnaast dient (verder) te worden gewerkt aan het contactherstel van [minderjarige 1] met haar moeder, met [minderjarige 2] en voor zover (al) mogelijk met [minderjarige 3] , waarbij rekening wordt gehouden met wat zij aan kan en wat er mogelijk is. Dit ligt ingewikkelder waar het de mogelijkheden betreft om te komen tot contactherstel tussen [minderjarige 1] en [de vader] . Van belang is dat de GI ook daarvoor aandacht blijft houden en hulpverlening inzet, bedoeld om inzichtelijk te krijgen wat maakt dat [minderjarige 1] dit contactherstel afwijst en wat daaraan onderliggend is. Ook zijn er meerdere zaken binnen het familiesysteem, die nog moeten worden aangepakt waardoor hulpverlening in een vrijwillig kader niet mogelijk is. Tevens dient er gestart te worden met een ouderschaps- en communicatietraject dat om zorgvuldigheid en bedachtzaamheid vraagt, rekening houdend met mogelijke risico’s die daaraan volgens de GI kleven.
Daarnaast is het noodzakelijk dat de verzochte machtiging tot uithuisplaatsing
wordt verlengd, zodat [minderjarige 1] kan blijven bij de grootouders (mz). [minderjarige 1] heeft bij de grootouders een voor haar vertrouwde en veilige plek, waar zij gelukkig is en zij haar school en vrienden heeft.
De kinderrechter verlengt daarom de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] voor de duur van een jaar.
De beslissing wordt van rechtswege aangetekend in het gezagsregister.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
9. De beslissing
De kinderrechter:
verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] met ingang van 6 december 2025 tot 6 december 2026;
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] in een netwerkpleeggezin, te weten bij de grootouders moederszijde met ingang van 6 december 2025 tot 6 december 2026;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is mondeling gegeven door mr Maandag, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 27 november 2025, in aanwezigheid van Baremans als griffier en schriftelijk uitgewerkt op 10 december 2025.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.