RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaaknummer: C/02/440921 / JE RK 25-1869
Datum uitspraak: 27 november 2025
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling
in de zaak van
de gecertificeerde instelling JEUGDBESCHERMING BRABANT, locatie Etten-Leur, gevestigd te Etten-Leur,
hierna te noemen de GI,
over
[minderjarige 1] , geboren op [geboortedag 1] 2023 in [geboorteplaats 1] ,
hierna te noemen [minderjarige 1] ,
[minderjarige 2] , geboren op [geboortedag 2] 2024 in [geboorteplaats 2] ,
hierna te noemen [minderjarige 2] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder] ,
hierna te noemen de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat mr. N.S. van Es te Amsterdam,
[de vader] ,
hierna te noemen de vader,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
bijgestaan door mr. K.E. Centen-Mölgaard.
1. Het verloop van de procedure
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 17 oktober 2025.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 27 november 2025. Daarbij waren aanwezig:
- de moeder en haar advocaat;
- de vader;
- een vertegenwoordigster van de GI.
Tevens was aanwezig [tolk] , tolk in de Portugese taal, [registratienummer] .
De advocaat van de vader heeft per email bericht dat zij haar cliënt nog wel bij staat, maar dat zij niet ter zitting zal verschijnen.
2. De feiten
De ouders zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .
[minderjarige 1] en [minderjarige 2] wonen bij hun moeder.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 4 december 2024 [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder toezicht gesteld tot 4 december 2025.
3. Het verzoek
De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] te verlengen voor de duur van een jaar en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
4. Het standpunt van de GI
Ter onderbouwing van het verzoek is door de GI schriftelijk en mondeling aanvullend - samengevat - aangevoerd dat door de crèche en het kinderdagverblijf wordt gezien dat [minderjarige 1] zich goed ontwikkelt. Hij is enthousiast en leergierig. Ook maakt hij geleidelijk stapjes in zijn Nederlandse taalontwikkeling. Sinds enkele weken gaat hij naar de voorschool. [minderjarige 2] was op het moment dat zij met haar moeder op de huidige woonplek kwam ongeveer 6 maanden oud. [minderjarige 2] was een gemakkelijke, vrolijke en goedlachse baby. [minderjarige 2] loopt inmiddels, zij is nieuwsgierig en ondernemend. De moeder stelt vast dat naarmate [minderjarige 2] ouder wordt ook haar gedrag pittiger wordt. Zij wordt sneller boos en zij accepteert niet altijd direct grenzen. Dit lag anders bij [minderjarige 1] die in deze fase volgens de moeder volgzamer en kalmer van aard was. Ook heeft [minderjarige 2] periodes dat zij minder goed slaapt. Zij moet dan door de moeder worden getroost om ervoor te zorgen dat zij weer gaat slapen.
De moeder toont zich van meet af aan gemotiveerd om er het beste van te maken, vooral voor de kinderen. Ze is liefdevol, geduldig en aandachtig naar de kinderen en soms gaat dit ook ten koste van haarzelf. Verder probeert de moeder waar dit kan te werken aan haar persoonlijke ontwikkeling, bijvoorbeeld door het volgen van Nederlandse les en door te investeren in sociale contacten. De moeder heeft geen hulpvragen met betrekking tot de opvoeding van haar kinderen. Door de begeleiding van de moeder wordt gezien dat zij inzicht heeft in de behoeften van haar kinderen, zowel op het praktische als emotionele vlak.
De moeder ervaart nog steeds stress en spanning rondom de ex-partner als vader van de kinderen. Zij acht hem niet verantwoordelijk genoeg om de kinderen onder zijn hoede te kunnen hebben zonder dat daarbij begeleiding/toezicht aanwezig is. Ook zorgt de omstandigheid dat de vader geen (beperkte) rol kan spelen in de verzorging en opvoeding van de kinderen bij haar soms voor frustraties. Ook zijn er nog steeds zorgen over de opvoedsituatie van de kinderen. Dit omdat de ouders tegengestelde verhalen blijven vertellen over wat er tussen hen is gebeurd. Zo stelt de moeder dat zij jarenlang is mishandeld en vernederd door de vader. Dit wordt door de vader ontkend; hij spreekt over zorgen over de psychische gesteldheid en het gedrag van de moeder. De GI stelt vast dat de ouders overduidelijk in een strijd zijn verwikkeld en lijnrecht tegenover elkaar zijn komen te staan. Evenzeer acht de GI het zorgelijk dat de beide kinderen daarin klem zijn geraakt. Het is zeer waarschijnlijk dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] daar al langere tijd door worden belast. Hulpverlening in een verplicht kader acht de GI onverminderd noodzakelijk om daarin ondersteuning te kunnen (blijven) bieden en om een zakelijke vorm van samenwerking tussen de ouders te realiseren. In de zomer van 2025 heeft er een intake plaatsgevonden voor een hulpverleningstraject bij [psychologenpraktijk] . Het doel van deze hulpverlening is middels systemische ondersteuning bij beide ouders te komen tot een vorm van oudercommunicatie en het maken van afspraken omwille van de kinderen. De hulp-verlening door [psychologenpraktijk] zal in januari 2026 kunnen starten.
In mei en juli 2025 heeft de GI twee contactmomenten tussen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] en de vader begeleid om de tijd zonder contact te minimaliseren. [zorgcoach] was voornemens in augustus 2025 een begeleid contacttraject te starten om van daaruit na de kennismakingsfase met de kinderen een frequentie te bepalen. Dit traject heeft echter vertraging opgelopen wegens een uitblijven van een akkoord vanuit de gemeente. Een tussentijds verzoek van de vader aan de GI om in augustus 2025 een contactmoment te begeleiden wegens zijn vakantie in september is door de GI afgewezen. Inmiddels is duidelijk geworden dat [zorgcoach] vanaf volgende week kan starten met begeleiding van de contacten tussen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] en de vader. De GI zorgt ten behoeve van de begeleide contacten tussen vader en de kinderen voor een zorgvuldige overdracht naar [zorgcoach] . De GI onderhoudt tevens periodiek contact met de Reclassering, waarvoor de vader zijn toestemming heeft verleend. Ook zal er een kennismakingsgesprek plaats vinden met de nieuwe reclasseerder.
Op grond van voormelde feiten en omstandigheden acht de GI een verlenging van de ondertoezichtstelling in het belang van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] noodzakelijk. Er is weliswaar een start gemaakt met de hulpverlening, waar beide ouders voor openstaan. Echter blijven er zorgen bestaan over de onduidelijkheid die vooralsnog blijft bestaan omtrent de opvoedingssituaties bij beide ouders. Met name bij de moeder eist op het psychische vlak de onzekerheid over waar zij en de kinderen zullen wonen zijn tol. Wel heeft zij zelf inmiddels daarvoor concrete plannen gemaakt. De GI houdt er in dat verband ook rekening mee dat in geval van een verhuizing van de moeder de hulpverlening in het kader van de ondertoezichtstelling naar een gecertificeerde instelling in een andere regio overgedragen dient te worden. Daarnaast geldt dat er geen samenwerking is tussen de ouders en nog onderzocht dient te worden welke vorm van samenwerking passend zal zijn in de toekomst. Gezien de erg jonge leeftijd van de kinderen is het zeer van belang dat er een vorm van oudercommunicatie is. Ook blijft het huidige minimale contact tussen de kinderen en de vader een belangrijk aandachtspunt. Onderzocht zal moeten worden welke vorm van contact en structuur het meest aansluit bij de belangen van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . Meer concreet zal er gewerkt moeten gaan worden aan het komen tot een duurzame en passende contactregeling tussen de kinderen en de vader, waarbij de veiligheid van deze kinderen gewaarborgd blijft. Er zal daarvoor hulpverlening worden opgestart via [zorgcoach] in de vorm van begeleide contacten. Daarnaast zullen er systeemgesprekken met beide ouders gaan plaatsvinden door [psychologenpraktijk] dient intussen zicht te worden gehouden op de ontwikkeling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . Een vrijwillig kader acht de GI daarvoor op dit moment niet passend. De regie en samenwerking zijn daarvoor nog onvoldoende stabiel om zonder juridische kaders de noodzakelijke afspraken en hulpverlening te kunnen waarborgen. Daarbij wordt met name ook rekening gehouden met de spanningen en het wantrouwen tussen de ouders en het aan de vader opgelegd contactverbod, wat een onbelaste vorm van samenwerking tussen de ouders in de weg staat, wat bij elkaar de situatie extra complex maakt. Bovendien zorgt de ondertoezichtstelling in dat opzicht voor de noodzakelijke structuur en sturing om de belangen van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] centraal te kunnen (blijven) stellen. De GI handhaaft daarom haar verzoek. Wel zou zij kunnen instemmen met een beslissing, waarbij de ondertoezichtstelling wordt verlengd voor een periode van 6 maanden en de beslissing op het resterend verzoek wordt aangehouden, opdat er omtrent het verdere verloop van de hulpverlening en de resultaten daarvan een tussentijds toetsmoment zal kunnen plaats vinden.
5. De standpunten van de belanghebbenden
De vader heeft opgemerkt dat hij momenteel zijn leven op de rails heeft. Ook beschikt hij over een eigen woning. Verder is er sprake van een nog lopend contactverbod. In de strafrechtelijke procedure is nog geen zittingsdatum vastgesteld. Zijn zienswijze is intussen niet veranderd. Die luidt dat hij noch voor de moeder noch voor de kinderen nu en in het verleden een gevaar is (geweest). Er is/wordt in dat verband van hem als persoon een onjuist beeld neergezet. Ook blijkt dat de moeder, door herhaaldelijk aan te geven dat zij achter contact tussen hem en de kinderen staat, hem niet als gevaar maar juist als een belangrijke ouder in het leven van de kinderen ziet. Hij licht toe met betrekking tot zijn standpunt dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] erg positief hebben gereageerd op de begeleide contacten. Ook heeft hij van de jeugdbeschermer begrepen dat er tijdens de contacten geen (gevaars)risico’s werden gezien. Zelf heeft hij kunnen vaststellen tijdens de contacten dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hun vader ook echt nodig hebben. Beide kinderen hebben er belang bij dat er verder aan contactherstel gewerkt blijft worden om de hechting te waarborgen. Ook blijft hij bereid om in het kader daarvan hulpverlening te accepteren en in het belang van de kinderen contact te (blijven) onderhouden met de moeder. Hij kan daarom (alsnog) instemmen met een verlenging van de ondertoezichtstelling, ook in het geval dat de periode daarvan wordt beperkt tot een periode van 6 maanden en de beslissing op het resterend verzoek wordt aangehouden.
Door en namens de moeder is naar voren gebracht dat de moeder blij is met de hulpverlening in het kader van de ondertoezichtstelling en met de stappen die tot dusver zijn gemaakt. Verder constateert de moeder dat de begeleide contacten tussen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] en de vader positief verlopen. De moeder stelt vast dat de kinderen
- [minderjarige 1] meer specifiek - laten zien zeer te hechten aan het contact met hun vader. Daarom vindt zij het erg belangrijk dat gewerkt gaat worden aan een stapsgewijze opbouw van de begeleide contacten naar uiteindelijk een hele dag in het weekeinde. De moeder is ook blij met de hulpverlening die zal starten ten aanzien van de contactregeling en de ouder-communicatie. Wel bevestigt de moeder, zoals al door de GI aangegeven, dat de onzekerheid rondom de toekomstige woonsituatie van haar en de kinderen van haar veel energie en geduld vraagt. Ook heeft de moeder op een aantal punten nog moeite met de zienswijze van de vader. Met deze toelichting kan de moeder instemmen met het verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling, met dien verstande, dat een tussentijds toets- moment wenselijk wordt geacht en daarom wordt verzocht de duur daarvan de beperken tot een periode van 6 maanden, onder aanhouding van de beslissing op het resterende deel van het verzoek.
6. De beoordeling
Internationale bevoegdheid en toepasselijk recht
Vast staat op grond van de stukken dat de vader de Nederlandse nationaliteit, de moeder de Braziliaanse nationaliteit en de minderjarigen in ieder geval de Nederlandse nationaliteit hebben. Dit brengt mee dat deze zaak een internationaal karakter heeft, waardoor de kinderrechter (ambtshalve) dient te beoordelen of zij in deze zaak internationaal bevoegd is. Indien dit het geval is, dient de kinderrechter het toepasselijk recht te bepalen.
Op grond van het bepaalde in artikel 7 lid 1 van de Brussel II-ter Verordening (nr. 2019/1111) zijn ter zake van de ouderlijke verantwoordelijkheid bevoegd de gerechten van de lidstaat op het grondgebied waarvan de minderjarige zijn gewone verblijfplaats heeft op het tijdstip dat de zaak bij het gerecht aanhangig wordt gemaakt. Omdat de minderjarigen hun gewone verblijfplaats in Nederland hebben, is de Nederlandse rechter internationaal bevoegd om kennis te nemen van het verzoek tot ondertoezichtstelling.
Nu de Nederlandse rechter bevoegd is op het verzoek te beslissen, zal op grond van het bepaalde in artikel 15 van het Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996 Nederlands recht op het verzoek toegepast worden.
Inhoudelijke beoordeling
De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een verlenging van de ondertoezichtstelling is voldaan. De kinderrechter legt hieronder uit waarom.
[minderjarige 1] en [minderjarige 2] zijn nog erg jonge kinderen, die een onveilige en instabiele opvoedsituatie hebben gekend, waarin sprake was van spanningen en stress als gevolg van huiselijk geweld in de vorm van ten minste psychisch geweld en waarbij de ouders in hun beider visies over de situatie en de zorgen die er speelden tegenover elkaar kwamen te staan. Daarnaast hebben beide kinderen meerdere situaties gekend, waarin zij met plotselinge contact-breuken tussen hen onderling en tussen hen en de ouders werden geconfronteerd. Ook heeft deze situatie geleid tot een aan de vader opgelegd contactverbod. In het kader van de ondertoezichtstelling is door de GI vervolgens gewerkt aan de doelstellingen, waaronder contactherstel onder begeleiding tussen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] en de vader en aan een situatie waarin er geen sprake is van huiselijk geweld tussen de ouders en de kinderen zich leeftijdsadequaat kunnen ontwikkelen op alle levensgebieden. Dit houdt concreet in dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] geen getuige zijn van conflicten tussen de ouders, zij niet worden belast met problemen op ouderniveau, de ouders voor hen als betrouwbare hechtingsfiguren fungeren en als zodanig emotioneel en fysiek beschikbaar zijn en tot een goede afstemming aangaande de verzorging en opvoeding weten te komen en in hun belang beslissingen kunnen nemen.
De inhoud van de stukken en het verhandelde ter zitting strekken naar het oordeel van de kinderrechter tot de overtuiging dat er in de afgelopen periode stappen zijn gemaakt. Zo is er inmiddels sprake van begeleide contacten tussen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] en de vader, zij het met een minimale frequentie en omvang. Gebleken is dat alle betrokkenen open staan voor het werken aan een stapsgewijze uitbreiding van deze contacten. Het verdere verloop daarvan zal de komende periode met de in te zetten hulpverlening via [zorgcoach] gemonitord moeten blijven worden om te kunnen vaststellen welke vorm van contact het beste aansluit bij de behoeftes van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] , rekening houdend met hun leeftijd en ontwikkeling en bezien uit oogpunt van hun veiligheid. Daarnaast zal gewerkt gaan worden aan de oudercommunicatie met de nog in te zetten hulpverlening door [psychologenpraktijk] , die naar verwachting per januari 2026 zal kunnen starten. Rekening houdend met alle hiervóór beschreven aandachtspunten, waaraan nog gewerkt zal gaan worden, de gedeeltelijk nog niet beschikbare hulpverlening en de onzekerheid over de toekomstige woonsituatie van de moeder en de kinderen ziet de kinderrechter geen aanleiding voor een beperking van de ondertoezichtstelling in duur tot een periode van 6 maanden, onder aanhouding van de beslissing op het resterende deel van het verzoek. Er kan naar het oordeel van de kinderrechter onvoldoende op worden vertrouwd dat deze periode voldoende is om de hulpverlening naar een vrijwillig kader over te laten gaan. Temeer gelet op de concrete positieve stappen die er al zijn gemaakt dient te worden voorkomen dat er bij de ouders irreële verwachtingen worden gewekt met alle gevolgen van dien voor de verdere voorgang van het hulpverleningstraject.
Met inachtneming van het voorgaande verlengt de kinderrechter de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] voor de duur van een jaar.
De beslissing tot verlenging van de ondertoezichtstelling wordt van rechtswege aangetekend in het gezagsregister.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
7. De beslissing
De kinderrechter:
verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] met ingang van
4 december 2025 tot 4 december 2026;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is mondeling gegeven door mr. Maandag, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 27 november 2025, in aanwezigheid van Baremans als griffier en schriftelijk uitgewerkt op 8 december 2025.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.
Tekst