2. De verzoeken
De man verzoekt, samengevat:
- vaststelling van een zorgregeling;
- het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning door hem in de oneven weken en door de vrouw in de even weken, waarbij het wisselmoment wekelijks plaatsvindt op zaterdag om 13.00 uur;
- te verstaan dat het kindgebonden budget van partijen wordt gestort op de gezamenlijke bankrekening.
De vrouw verzoekt, samengevat:
- vaststelling van een zorgregeling;
- vaststelling van een door de man te betalen bijdrage in de kosten van de kinderen.
3. De beoordeling
Het uitsluitend gebruik van de woning en de zorgregeling
Partijen zijn het er over eens dat er een voorlopige zorgregeling moet worden vastgesteld en dat de ouder die volgens die regeling bij de kinderen is op dat moment het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning heeft. Dit wordt een ‘birdnesting’-regeling’ genoemd. Partijen zijn het er niet over eens welke zorgregeling als ‘birdnesting’-regeling’ moet worden vastgesteld.
De man verzoekt om een ‘week-op-week-af’-regeling. Volgens hem geeft dat de kinderen rust en duidelijkheid, omdat er op die manier zo min mogelijk wisselingen zijn. Bovendien is deze regeling ook voor de gezondheid van de vrouw beter, omdat zij minder heen en weer hoeft te reizen.
De vrouw stelt dat het niet in het belang van de kinderen is om een hele week van een van de ouders gescheiden te zijn. Dit geldt met name voor [minderjarige 2] , omdat hij nog erg jong is en zijn hechtingsrelatie met beide ouders zich nog verder moet vormen. Daarnaast is het voor de vrouw fysiek niet haalbaar om de zorg voor de kinderen gedurende een hele week te dragen vanwege haar gezondheid. Zij verzoekt een zorgregeling vast te stellen waarbij partijen ieder de helft van de doordeweekse dagen met de kinderen doorbrengen en om de beurten het weekend. Dit betekent meer concreet:
- op maandag en dinsdag heeft de vrouw de zorg, waarna de man op woensdagochtend naar de woning komt;
- op woensdag en donderdag heeft de man de zorg, waarna hij het ene weekend tot maandagochtend blijft en in het andere weekend de vrouw op vrijdag de zorg weer overneemt tot woensdagochtend.
De rechtbank overweegt als volgt. Uit de stukken en de toelichting op de zitting blijkt dat beide partijen het belang van de kinderen voorop stellen, maar zij hebben allebei een ander inzicht over wat dit zou moeten betekenen voor de invulling van de zorgregeling. De vrouw maakt zich zorgen om de hechtingsrelatie tussen partijen en [minderjarige 2] op het moment dat een ‘week-op-week-af’-regeling wordt vastgesteld. Vanuit de betrokken hulpverlening worden deze zorgen echter niet gedeeld. In het als productie 8 ingediende
e-mailbericht van [jeugdprofessional] (jeugdprofessional Centrum voor Jeugd en Gezin) is benoemd dat er op dit moment geen zorgen zijn over de hechtingsontwikkeling van [minderjarige 2] . Voor een gezonde hechting is vooral de emotionele beschikbaarheid van de ouder tijdens de contactmomenten van doorslaggevend belang. De zorg van de man ziet op de vele wisselmomenten in de regeling, zoals de vrouw deze voorstelt. De rechtbank overweegt dat de kinderen vooral gebaat zijn bij duidelijkheid. De wisselmomenten zullen voor de kinderen minder onrustig zijn, omdat zij in hun vertrouwde omgeving, de woning, blijven. De rechtbank is van oordeel dat beide verzochte zorgregelingen in het belang van de kinderen kunnen zijn.
In haar beoordeling betrekt de rechtbank vervolgens de gezondheid van de vrouw. Onbetwist is gesteld dat de vrouw kampt met de nodige gezondheidsklachten (endometriose, adenomyose en PDS) en dat het voor haar te zwaar is om gedurende een aaneengesloten week alleen de volledige zorg voor de kinderen te dragen. Uit het e-mailbericht van [jeugdprofessional] blijkt ook dat wordt gezocht naar mogelijkheden voor ondersteuning van de vrouw, maar op dit moment is hierover nog geen duidelijkheid. Om te voorkomen dat de vrouw overbelast raakt en dit zijn weerslag kan hebben op de kinderen zal de rechtbank het verzoek van de vrouw volgen. De rechtbank benadrukt dat het om een tijdelijke zorgregeling gaat en dat partijen in de hoofdzaak verder met elkaar in overleg zullen gaan om te proberen tot afspraken te komen over de invulling van de zorgregeling voor de langere termijn.
Doorverwijzing Uniform Hulpaanbod
Verder is op de zitting met partijen gesproken over de betrokkenheid van het Centrum voor Jeugd en Gezin. Tijdens een multidisciplinair overleg is met elkaar besproken dat de focus op dit moment ligt op ‘solo parallel ouderschap’ met als doel om op termijn toe te werken naar meer samenwerking. Hierbij zullen partijen ondersteund worden door [psychologenpraktijk] . Op de zitting hebben partijen aangegeven dat vanuit de gemeente de optie is gegeven om partijen in dit verband door te verwijzen via het Uniform Hulpaanbod. Partijen staan achter deze doorverwijzing.
Gelet op de inhoud van de stukken vindt ook de rechtbank het voor partijen en de kinderen passend om hen door te verwijzen voor (jeugd)hulpverlening naar het loket van de samenwerkende gemeenten in de regio West-Brabant-West (ook wel: het Uniform Hulpaanbod). De verwijzing heeft op 20 november 2025 plaatsgevonden met het verzenden van het verwijzingsformulier naar het loket. Het loket zorg voor het doorsturen van de stukken van de rechtbank naar de woonplaatsgemeente van de kinderen (hierna: de toegang) en is het aanspreekpunt van de rechtbank. De toegang zoekt voor partijen en de kinderen naar de meest passende zorgaanbieder. De rechtbank merkt hierbij nadrukkelijk op dat partijen inmiddels zijn aangemeld bij [psychologenpraktijk] en verzoekt de toegang om met deze aanmelding rekening te houden.
Met de inzet van passende (jeugd)hulpverlening zullen partijen, zo is met hen afgesproken, in ieder geval werken aan het behalen van de volgende resultaten:
- de ouders hebben inzicht in de (psychologische) gevolgen van de scheiding voor de kinderen;
- de kinderen hebben een stem in het scheidingsproces, voelen zich gehoord en
gesteund;
- de ouders zorgen voor afspraken en beslissingen die in het belang zijn van de kinderen
(lichte interventie).
De resultaten heeft de rechtbank vastgelegd in een resultatenlijst. Deze lijst is bij deze beschikking gevoegd.
Na afloop van de (jeugd)hulpverlening maakt de zorgaanbieder een rapport op over het verloop en het resultaat van de hulpverlening. Ook de toegang maakt een rapport op. In dit rapport wordt het rapport van de zorgaanbieder als bijlage toegevoegd. De rechtbank verzoekt het loket om het volledige rapport uiterlijk op 19 mei 2026 of zoveel eerder als mogelijk is, in te brengen in de hoofdzaak met zaaknummer C/02/440580 / FA RK 25-5164.
Als de hulpverlening heeft geleid tot een positief resultaat, stelt de rechtbank ouders (en hun advocaten) in de gelegenheid binnen twee weken na ontvangst van het rapport aan te geven of een zitting in de hoofdzaak nodig is. Ook maken de advocaten in hun reactie kenbaar wat het resultaat van de hulpverlening betekent voor de in die procedure gedane verzoeken met betrekking tot de kinderen.
Als de hulpverlening niet is gestart of niet heeft geleid tot een positief resultaat verzoekt de rechtbank het loket het volledige rapport ook direct toe te sturen aan de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad). De Raad toetst en beoordeelt dan of een onderzoek of interventie zal worden verricht. De Raad informeert de rechtbank in de hoofdzaak binnen twee weken na ontvangst van het rapport of er aanleiding is een onderzoek of interventie te starten.
Wanneer de Raad geen aanleiding ziet voor een onderzoek of interventie, maar op grond van het rapport direct een advies kan geven, stelt de rechtbank ouders (en hun advocaten) in de gelegenheid om aan te geven wat zij van dit advies vinden en hoe de procedure verder moet gaan.
Wanneer de Raad een onderzoek wel noodzakelijk vindt, dan verzoekt de rechtbank de Raad dit onderzoek te verrichten en daarover bij de rechtbank een rapport en advies in te dienen voor de beantwoording van de volgende vragen:
- welke zorgregeling komt het meest tegemoet aan de belangen van de kinderen?
- hoe dient de regeling qua aard, duur en frequentie vorm gegeven te worden?
- zijn er tijdens het onderzoek nog andere feiten/omstandigheden naar voren gekomen die van belang zijn?
Na een onderzoek of interventie van de Raad stelt de rechtbank ouders (en hun advocaten) in de gelegenheid op het rapport van de Raad te reageren.
Verder heeft de rechtbank partijen geïnformeerd over de privacyaspecten van de doorverwijzing. Partijen hebben met het delen van de privacygegevens en de voorwaarden waaronder de verwijzing plaatsvindt ingestemd.
Kinderalimentatie
De vrouw verzoekt om vaststelling van een door de man te betalen bijdrage in de kosten van de kinderen van € 304,= per maand met ingang vanaf het moment dat de door de rechtbank vastgestelde zorgregeling ingaat. De man voert gemotiveerd verweer.
Op de zitting heeft de rechtbank met partijen stil gestaan bij het gedane verzoek van de vrouw. Vervolgens hebben partijen met elkaar afgesproken dat de man een bijdrage in de kosten van de kinderen zal voldoen van € 183,= per maand in totaal, meer specifiek een bedrag van € 18,= per maand in de kosten van [minderjarige 1] en € 165,= per maand in de kosten van [minderjarige 2] .
Deze afspraak zal gelden tot aan het moment dat beide partijen ieder op een eigen adres staan ingeschreven en zij op dat moment ieder voor zich aanspraak kunnen maken op kindgebonden budget voor één kind. Partijen hebben met elkaar afgesproken dat de man vanaf dat moment een bijdrage in de kosten van de kinderen zal voldoen van € 304,= per maand in totaal, zoals volgt uit de door de vrouw als productie 1 ingediende berekening. Dit betekent een bedrag van € 78,= per maand in de kosten van [minderjarige 1] en € 225,= per maand in de kosten van [minderjarige 2] .
De rechtbank zal conform de gemaakte afspraken van partijen beslissen en beschouwt het verzoek van de vrouw als gewijzigd. Verder bepaalt de rechtbank dat als ingangsdatum voor de te betalen kinderalimentatie zal gelden de datum van deze beschikking, omdat op die datum ook de vastgestelde voorlopige zorgregeling zal gaan gelden.
Verstaansverplichting
De man verzoekt te verstaan dat het kindgebonden budget van partijen wordt gestort op de gezamenlijke rekening van partijen. De vrouw voert hiertegen verweer.
De rechtbank overweegt als volgt. Op de zitting is aan partijen voorgehouden dat de gevraagde verstaansverplichting enkel kan worden opgenomen wanneer partijen het daar over eens zijn. De rechtbank constateert dat dit niet het geval is. Nu het verzoek verder geen grondslag heeft in de limitatieve opsomming van artikel 822 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering wijst de rechtbank het verzoek af.
4. De beslissing
De rechtbank
bepaalt als voorlopige zorgregeling met betrekking tot de minderjarigen:
1. [minderjarige 1] , geboren in [geboorteplaats] op [geboortedag 1] 2010, en
2. [minderjarige 2] , geboren in [woonplaats] op [geboortedag 2] 2022,
een ‘birdnesting’ regeling, waarbij
- op maandag en dinsdag de vrouw de zorg over hen heeft, waarna de man op woensdagochtend naar de woning komt;
- op woensdag en donderdag de man de zorg over hen heeft, waarna hij het ene weekend tot maandagochtend blijft en in het andere weekend de vrouw op vrijdag de zorg weer overneemt tot woensdagochtend;
verstaat dat de partij die in de woning de zorg voor de kinderen heeft op dat moment het uitsluitend gebruik van de woning heeft en de andere partij op dat moment de woning niet zal betreden;
verwijst partijen en de kinderen voor een (jeugd)hulpverleningstraject voor de hierboven genoemde resultaten naar het loket van de samenwerkende gemeenten in de [regio] . Het loket zal partijen en de kinderen vervolgens via de toegang van de woonplaatsgemeente van de kinderen verwijzen naar de zorgaanbieder;
verzoekt het loket om uiterlijk op pro forma 19 mei 2026, of zoveel eerder als mogelijk is, in de hoofdzaak met zaaknummer C/02/440580 / FA RK 25-5164 het rapport over het verloop en de resultaten van de (jeugd)hulpverlening bij de griffie van de rechtbank in te dienen onder gelijktijdige toezending aan (de advocaten van) partijen;
verzoekt het loket, wanneer het traject niet is gestart of niet heeft geleid tot een positief resultaat, het rapport ook direct toe te sturen aan de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad);
verzoekt de Raad binnen veertien dagen na binnenkomst van het rapport de rechtbank te informeren in de hoofdzaak of hij aanleiding ziet een onderzoek of interventie te starten;
verzoekt de Raad, indien hij aanleiding ziet een onderzoek of interventie te starten, een onderzoek in te stellen voor de beantwoording van de in rechtsoverweging 3.13 genoemde vragen en daarover te rapporteren en te adviseren;
verzoekt de Raad zijn rapport en advies binnen vier maanden nadat de Raad de rechtbank heeft laten weten dat een onderzoek of interventie zal worden verricht in de hoofdzaak bij de rechtbank in te dienen;
bepaalt dat de door de man te betalen voorlopige bijdrage in de kosten van de kinderen met ingang van de datum van deze beschikking wordt vastgesteld op:
- € 18,= ( achttien euro) per maand voor [minderjarige 1] , en
- € 165,= ( honderdvijfenzestig euro) per maand voor [minderjarige 2] ,
aan de vrouw voor de toekomst bij vooruitbetaling te voldoen, tot aan het moment dat beide partijen ieder op een eigen adres staan ingeschreven en zij op dat moment ieder voor zich aanspraak kunnen maken op kindgebonden budget voor één kind;
bepaalt dat de door de man te betalen voorlopige bijdrage in de kosten van de kinderen met ingang vanaf het moment dat beide partijen ieder op een eigen adres staan ingeschreven en zij op dat moment ieder voor zich aanspraak kunnen maken op kindgebonden budget voor één kind, wordt vastgesteld op:
- € 78,= ( achtenzeventig euro) per maand voor [minderjarige 1] , en
- € 225, ( tweehonderdvijfentwintig euro) per maand voor [minderjarige 2] ,
aan de vrouw voor de toekomst bij vooruitbetaling te voldoen;
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. Pulskens, en, in tegenwoordigheid van
mr. Hurkmans, griffier, in het openbaar uitgesproken op 26 november 2025.