2. De verzoeken
De vrouw verzoekt, samengevat:
- toevertrouwing van de kinderen aan haar;
- vaststelling van een zorgregeling tussen de man en de kinderen;
- vaststelling van een door de man te betalen bijdrage in de kosten van de kinderen van € 260,= per maand per kind.
De man verzoekt, samengevat:
- toevertrouwing van de kinderen aan hem;
- vaststelling van een zorgregeling tussen de vrouw en de kinderen;
- vaststelling van een door hem te betalen bijdrage in de kosten van de kinderen van € 79,= per maand per kind.
3. De beoordeling
Toevertrouwing van de kinderen en zorgregeling
De vrouw geeft aan dat zij altijd de hoofdverzorger is geweest van de kinderen. De man werkte fulltime en zij werkte vanuit huis. Dit is nog steeds het geval en de kinderen zijn ook aan die situatie gewend. De vrouw heeft inmiddels een eigen woning waarin zij met de kinderen kan verblijven. Zij vindt het niet in het belang van de kinderen om aan de man te worden toevertrouwd, omdat hij genoodzaakt is de zorg voor de kinderen vanwege zijn werk uit handen te geven aan zijn moeder.
Voor het geval de kinderen aan de vrouw worden toevertrouwd, verzoekt zij een zorgregeling vast te stellen waarbij [minderjarige 1] en [minderjarige 2] eenmaal per veertien dagen van vrijdagavond 17.30 uur tot zondagavond 20.30 uur bij de man zijn. Ook staat zij ervoor open als de kinderen op donderdagmiddag vanaf 17.00 uur naar de man gaan tot zondagavond en dat de kinderen in de week dat zij in het weekend bij haar zijn op een doordeweekse dag bij de man blijven eten tot 20.30 uur.
Voor [minderjarige 3] acht de vrouw het op dit moment niet in zijn belang om verplicht te worden de weekenden bij zijn vader door te brengen. De situatie tussen de man en [minderjarige 3] is gespannen en [minderjarige 3] ervaart weerstand in het contact met zijn vader. Een herstelgesprek heeft tot op heden geen oplossing geboden.
De man heeft ter zitting aangegeven te twijfelen of de vrouw daadwerkelijk eigen woonruimte heeft. Hij vermoedt dat de vrouw bij haar ouders inwoont en dit is niet in het belang van de kinderen. De man heeft met zijn werkgever geregeld dat hij voor zijn werk als vrachtwagenchauffeur geen overnachtingen hoeft te maken en dat hij dagelijks werkt van 05.00 uur tot 17.00 uur/17.30 uur. De moeder van de man zal ervoor zorgen dat de kinderen in de ochtend klaar zijn om naar school te gaan en hen opvangen wanneer zij uit school komen. De man zal verder voor de kinderen zorgen.
Voor het geval de kinderen aan hem worden toevertrouwd, verzoekt de man een zorgregeling vast te stellen waarbij de kinderen eenmaal per veertien dagen van vrijdag uit school tot zondagavond 20.30 uur bij de vrouw zijn en de vrouw de kinderen op zondagavond terugbrengt naar de man. Op de zitting heeft de man verder aangegeven dat ook hij open staat voor een ruimere zorgregeling.
De Raad heeft op de zitting aangegeven zich zorgen te maken over de kinderen. Op de zitting is gebleken dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hun moeder al enige tijd niet meer hebben gezien. Ook is er op dit moment geen contact tussen [minderjarige 3] en zijn vader. De Raad merkt op dat de enkele omstandigheid dat ouders in een echtscheidingsprocedure verwikkeld zijn, al maakt dat dit belastend is voor de kinderen en dat zij hierdoor worden beïnvloed. Er wordt gezien dat beide ouders over en weer stellen dat de andere ouder het niet goed doet. Dit krijgen de kinderen ook mee. Voor de Raad is het belangrijk dat de zorg voor de kinderen zoveel mogelijk wordt gedragen door een van de ouders en dat voor deze zorg zo min mogelijk gebruik wordt gemaakt van het netwerk. De Raad vindt het verder belangrijk dat partijen worden doorverwezen naar hulpverlening.
De rechtbank overweegt als volgt. Onbetwist is komen vast te staan dat de vrouw meer beschikbaar is om voor de kinderen te zorgen. De vrouw werkt vanuit huis tijdens de schooltijden van de kinderen. De man daarentegen werkt fulltime en zal bij de zorg voor de kinderen een groot beroep moeten doen op zijn moeder. Met de Raad is de rechtbank van oordeel dat het voor de kinderen de voorkeur heeft om zoveel als mogelijk door een van de ouders zelf te worden verzorgd. Door de scheiding van hun ouders is er al de nodige onrust in het leven van de kinderen en het is in hun belang om zoveel mogelijk stabiliteit en rust te ervaren. In haar beoordeling betrekt de rechtbank ook dat de vrouw inmiddels beschikt over eigen woonruimte dichtbij de echtelijke woning met daarin voldoende slaapgelegenheid voor de kinderen. De rechtbank ziet in hetgeen de man heeft aangevoerd geen reden om te twijfelen aan de juistheid van het ingediende huurcontract van de vrouw en de gegeven toelichting hierop, en gaat er vanuit dat de vrouw alleen met de kinderen zal wonen in de woning in [woonplaats] . Het bovenstaande leidt ertoe dat de rechtbank het verzoek van de vrouw toewijst. Het verzoek van de man wordt afgewezen.
Voor wat betreft de zorgregeling overweegt de rechtbank dat partijen het op de zitting er over eens zijn gebleken dat degene aan wie de kinderen niet worden toevertrouwd een ruime zorgregeling moet hebben met de kinderen. Voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zal dan ook een voorlopige zorgregeling worden vastgesteld, waarbij zij om de week van donderdagmiddag 17.00 uur tot zondagavond 20.30 uur bij de man zijn. In de andere week zullen zij op donderdagmiddag 17.00 uur tot 20.30 uur bij hem zijn. Verder stelt de rechtbank vast dat de vakanties en feestdagen in onderling overleg bij helfte zullen worden verdeeld. Bovenstaande zorgregeling acht de rechtbank het meest in het belang van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .
Voor [minderjarige 3] zal de rechtbank nu geen zorgregeling vaststellen. Uit de stukken en de toelichting van partijen op de zitting blijkt dat er zorgen zijn over [minderjarige 3] . Hij wijst al enige tijd het contact met zijn vader af en ook gaat hij nauwelijks naar school. De rechtbank is van oordeel dat het belangrijk is om op korte termijn het contact tussen de man en [minderjarige 3] te herstellen, maar daarbij is voorzichtigheid geboden. Van de vrouw wordt verwacht dat zij [minderjarige 3] zal stimuleren in het contactherstel en van de man wordt verwacht dat hij hierin het tempo van [minderjarige 3] zal volgen. De hulpverlening in het hierna te bespreken Uniform Hulpaanbod kan hierbij een rol spelen. Beide verzoeken van partijen omtrent [minderjarige 3] zullen worden afgewezen.
Doorverwijzing Uniform Hulpaanbod
Op de zitting is met partijen gesproken over de noodzaak van hulpverlening. Gebleken is dat de verstandhouding en communicatie tussen partijen is verstoord. Zij hebben ieder hun twijfels over de bedoelingen van de andere ouder en het lukt hen niet om samen tot afspraken te komen. Partijen hebben aangegeven dat zij ervoor open staan om doorverwezen te worden via het Uniform Hulpaanbod naar passende hulpverlening.
Gelet op de inhoud van de stukken vindt ook de rechtbank het voor partijen en de kinderen passend om hen door te verwijzing voor (jeugd)hulpverlening naar het loket van de samenwerkende gemeenten in de regio West-Brabant-Oost (ook wel: het Uniform Hulpaanbod). De verwijzing heeft op 20 november 2025 plaatsgevonden met het verzenden van het verwijzingsformulier naar het loket. Het loket zorg voor het doorsturen van de stukken van de rechtbank naar de woonplaatsgemeente van de kinderen (hierna: de toegang) en is het aanspreekpunt van de rechtbank. De toegang zoekt voor partijen en de kinderen naar de meest passende zorgaanbieder.
Met de inzet van passende (jeugd)hulpverlening zullen partijen, zo is met hen afgesproken, in ieder geval werken aan het behalen van de volgende resultaten:
- de ouders hebben inzicht in de (psychologische) gevolgen van de scheiding voor de kinderen;
- de kinderen hebben een stem in het scheidingsproces, voelen zich gehoord en
gesteund;
- de ouders zorgen voor afspraken en beslissingen die in het belang zijn van de kinderen
(lichte interventie);
- de kinderen en de ouders hebben onbelast contact met elkaar.
De resultaten heeft de rechtbank vastgelegd in een resultatenlijst. Deze lijst is bij deze beschikking gevoegd.
Na afloop van de (jeugd)hulpverlening maakt de zorgaanbieder een rapport op over het verloop en het resultaat van de hulpverlening. Ook de toegang maakt een rapport op. In dit rapport wordt het rapport van de zorgaanbieder als bijlage toegevoegd. De rechtbank verzoekt het loket om het volledige rapport uiterlijk op 19 mei 2026 of zoveel eerder als mogelijk is, in te brengen in de hoofdzaak met zaaknummer C/02/438648 / FA RK 25-4126.
Als de hulpverlening heeft geleid tot een positief resultaat, stelt de rechtbank ouders (en hun advocaten) in de gelegenheid binnen twee weken na ontvangst van het rapport aan te geven of een zitting in de hoofdzaak nodig is. Ook maken de advocaten in hun reactie kenbaar wat het resultaat van de hulpverlening betekent voor de in die procedure gedane verzoeken met betrekking tot de kinderen.
Als de hulpverlening niet is gestart of niet heeft geleid tot een positief resultaat verzoekt de rechtbank het loket het volledige rapport ook direct toe te sturen aan de Raad. De Raad toetst en beoordeelt dan of een onderzoek of interventie zal worden verricht. De Raad informeert de rechtbank in de hoofdzaak binnen twee weken na ontvangst van het rapport of er aanleiding is een onderzoek of interventie te starten.
Wanneer de Raad geen aanleiding ziet voor een onderzoek of interventie, maar op grond van het rapport direct een advies kan geven, stelt de rechtbank ouders (en hun advocaten) in de gelegenheid om aan te geven wat zij van dit advies vinden en hoe de procedure verder moet gaan.
Wanneer de Raad een onderzoek wel noodzakelijk vindt, dan verzoekt de rechtbank de Raad dit onderzoek te verrichten en daarover bij de rechtbank een rapport en advies in te dienen voor de beantwoording van de volgende vragen:
- welke hoofdverblijfplaats komt het meest tegemoet aan de belangen van de kinderen?
- welke zorgregeling komt het meest tegemoet aan de belangen van de kinderen?
- hoe dient de regeling qua aard, duur en frequentie vorm gegeven te worden?
- zijn er tijdens het onderzoek nog andere feiten/omstandigheden naar voren gekomen die van belang zijn?
Na een onderzoek of interventie van de Raad stelt de rechtbank ouders (en hun advocaten) in de gelegenheid op het rapport van de Raad te reageren.
Verder heeft de rechtbank partijen geïnformeerd over de privacyaspecten van de doorverwijzing. Partijen hebben met het delen van de privacygegevens en de voorwaarden waaronder de verwijzing plaatsvindt ingestemd.
Kinderalimentatie
De vrouw verzoekt om vaststelling van een door de man te betalen bijdrage in de kosten van de kinderen van € 260,= per maand per kind. De man voert gemotiveerd verweer en verzoekt een door hem te betalen bijdrage in de kosten van de kinderen vast te stellen van € 79,= per maand per kind.
Bij het bepalen van de behoefte aan kinderalimentatie en de financiële draagkracht om die te voldoen, hanteert de rechtbank de uitgangspunten, zoals deze zijn opgenomen in de aanbevelingen van de Expertgroep Alimentatie.
Ingangsdatum
De rechtbank ziet aanleiding om de ingangsdatum voor de te betalen kinderalimentatie te bepalen op de datum van deze beschikking.
Behoefte van de kinderen
Bij de berekening van kinderalimentatie wordt eerst gekeken naar wat de kosten van een kind zijn. Dit wordt ook wel de ‘behoefte’ van het kind genoemd. Het uitgangspunt bij het becijferen van deze behoefte is het netto gezinsinkomen van partijen. Om dit netto gezinsinkomen te berekenen sluit de rechtbank aan bij de inkomens van partijen in het laatste volledige jaar dat zij nog samen waren.
Op de zitting zijn partijen het er over eens gebleken dat in het kader van deze procedure, zonder rechten in de bodemprocedure prijs te geven, kan worden uitgegaan van een behoefte van de kinderen in 2025 van € 1.087,= per maand. Dit is het gemiddelde van de door partijen becijferde behoeftes in 2025 van € 1.064,= per maand respectievelijk € 1.110,= per maand.
Vervolgens moet worden berekend wat het aandeel van partijen is in de behoefte van de kinderen. Dit wordt ook de ‘draagkracht’ van de ouders genoemd. De rechtbank sluit daarvoor aan bij ieders huidig netto inkomen. De draagkracht van partijen wordt daarna vastgesteld aan de hand van de formule of de tabel, zoals opgenomen in eerder genoemde aanbevelingen.
Draagkracht van de man
Vast staat dat de man vanaf 1 december 2024 werkzaam is bij [werkgever] B.V. als vrachtwagenchauffeur. Voor de onderbouwing van zijn inkomen heeft de man zijn loonstroken over de maanden juli en augustus 2025 ingediend.
De vrouw stelt dat de man onvoldoende inzage heeft gegeven in zijn inkomen. Uit de ingediende stukken volgt dat hij ook voor overwerk wordt uitbetaald. Om een goed beeld te krijgen van dit overwerk is het nodig om de loonstroken over een volledig jaar in te zien. De man heeft nagelaten deze stukken in te dienen, zodat het redelijk is om uit te gaan van een bruto jaarinkomen van € 60.000,=.
De (advocaat van de) man heeft aangegeven niet over meer loonstroken te beschikken en verwijst naar het op de ingediende loonstroken genoemde jaarloon BT van € 59.000,=. Dit is een reëel beeld van het inkomen van de man.
In het kader van deze procedure sluit de rechtbank zoveel mogelijk aan bij de feitelijke situatie en de actuele gegevens. De man heeft twee loonstroken ingediend. Op deze loonstroken staat een ‘jaarloon BT’ vermeld van € 59.000,=. De rechtbank ziet aanleiding om bij dit inkomen aan te sluiten. In de bodemzaak kan het debat verder worden gevoerd over het overwerk van de man, waarbij het op zijn weg ligt om volledig inzicht te geven in zijn inkomenssituatie.
Op basis van bovenstaande financiële gegevens bedraagt het netto inkomen van de man € 3.602,= per maand. Dit volgt ook uit bijgevoegde berekening. Op basis van de formule bedraagt de draagkracht van de man € 848,= per maand.
Draagkracht van de vrouw
Op de zitting zijn partijen het er over eens geworden dat in het kader van deze procedure voor het berekenen van de draagkracht van de vrouw wordt aangesloten bij een winst uit onderneming van € 9.700,= bruto per jaar.
Verder houdt de rechtbank rekening met een kindgebonden budget inclusief alleenstaande ouderkop. De vrouw heeft inmiddels eigen woonruimte en kan aanspraak maken op deze toeslag. Uit de gehanteerde berekeningssystematiek volgt een bedrag aan kindgebonden budget inclusief alleenstaande ouderkop van € 11.625,= per jaar.
Op basis van bovenstaande gegevens bedraagt het netto inkomen van de vrouw
€ 1.740,= per maand. Dit volgt ook uit bijgevoegde berekening. Op basis van de tabel bedraagt de draagkracht van de vrouw € 50,= per maand.
Draagkrachtvergelijking
Partijen hebben samen niet genoeg draagkracht (€ 898,=) om in de volledige behoefte van de kinderen te voorzien. Een draagkrachtvergelijking blijft dan ook achterwege.
Zorgkorting
Ten slotte ontvangt de ouder die kinderalimentatie moet betalen een korting op de door deze te betalen bijdrage. Deze ouder neemt al een deel van de kosten van een kind voor zijn rekening op het moment dat het kind bij hem/haar verblijft. Dit wordt ook wel de ‘zorgkorting’ genoemd.
[minderjarige 2] en [minderjarige 1]
Gelet op de vastgestelde voorlopige zorgregeling houdt de rechtbank voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] rekening met een zorgkorting van 25% van de behoefte, te weten afgerond € 90,= per maand per kind.
Nu de draagkracht van partijen onvoldoende is om volledig in de behoefte van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] te voorzien, wordt, na toepassing van de zorgkorting, het tekort aan beide partijen voor de helft toegerekend. Voor de man betekent dit dat de helft van het tekort in mindering komt op zijn zorgkorting, zodat de door hem te betalen bijdrage als volgt wordt berekend:
€ 566,= [bedrag volledige draagkracht man] – (€ 180,= [bedrag zorgkorting] - € 62,= [bedrag van de helft van het tekort]) = € 224,= per maand per kind.
[minderjarige 3]
Voor [minderjarige 3] zal rekening worden gehouden met een zorgkorting van 5% van de behoefte, te weten € 18,= per maand. Weliswaar stelt de rechtbank geen zorgregeling voor [minderjarige 3] vast, maar partijen hebben onderling en jegens [minderjarige 3] het recht en de verplichting tot omgang.
Omdat het tekort aan gezamenlijke draagkracht van partijen om in de behoefte van [minderjarige 3] te voorzien tweemaal zo groot is als de zorgkorting waarop de man recht heeft, moet de man tot het volledige bedrag van zijn draagkracht in de kosten van [minderjarige 3] voorzien. Dit betekent dat de man als bijdrage moet voldoen een bedrag van € 283,= per maand.
4. De beslissing
De rechtbank
bepaalt dat aan de vrouw worden toevertrouwd de minderjarigen
1. [minderjarige 3] , geboren op [geboortedag 1] 2011 in [geboorteplaats 1] ;
2. [minderjarige 1] , geboren op [geboortedag 2] 2015 in [geboorteplaats 2] ;
3. [minderjarige 2] , geboren op [geboortedag 3] 2016 in [geboorteplaats 2] ;
bepaalt dat de man en [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in het kader van een voorlopige zorgregeling gerechtigd zijn tot het hebben van contact met elkaar:
- in de ene week van donderdagmiddag 17.00 uur tot zondagavond 20.30 uur;
- in de andere week van donderdagmiddag 17.00 uur tot 20.30 uur;
- gedurende de helft van de vakanties en feestdagen, in onderling overleg nader te
bepalen;
verwijst partijen en de kinderen voor een (jeugd)hulpverleningstraject voor de hierboven genoemde resultaten naar het loket van de samenwerkende gemeenten in de regio West-Brabant-Oost . Het loket zal partijen en de kinderen vervolgens via de toegang van de woonplaatsgemeente van de kinderen verwijzen naar de zorgaanbieder;
verzoekt het loket om uiterlijk op pro forma 19 mei 2026, of zoveel eerder als mogelijk is, in de hoofdzaak met zaaknummer C/02/438648 / FA RK 25-4126 het rapport over het verloop en de resultaten van de (jeugd)hulpverlening bij de griffie van de rechtbank in te dienen onder gelijktijdige toezending aan (de advocaten van) partijen;
verzoekt het loket, wanneer het traject niet is gestart of niet heeft geleid tot een positief resultaat, het rapport ook direct toe te sturen aan de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad);
verzoekt de Raad binnen veertien dagen na binnenkomst van het rapport de rechtbank te informeren in de hoofdzaak of hij aanleiding ziet een onderzoek of interventie te starten;
verzoekt de Raad, indien hij aanleiding ziet een onderzoek of interventie te starten, een onderzoek in te stellen voor de beantwoording van de in rechtsoverweging 3.14. genoemde vragen en daarover te rapporteren en te adviseren;
verzoekt de Raad zijn rapport en advies binnen vier maanden nadat de Raad de rechtbank heeft laten weten dat een onderzoek of interventie zal worden verricht in de hoofdzaak bij de rechtbank in te dienen;
stelt de door de man te betalen bijdrage in de kosten van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] met ingang van de datum van de beschikking vast op € 224,= (tweehonderdvierentwintig euro) per maand per kind, aan de vrouw voor de toekomst bij vooruitbetaling te voldoen;
stelt de door de man te betalen bijdrage in de kosten van [minderjarige 3] met ingang van de datum van deze beschikking vast op een bedrag van € 283,= (tweehonderd drieëntachtig euro) per maand, aan de vrouw voor de toekomst bij vooruitbetaling te voldoen;
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. Pulskens, en, in tegenwoordigheid van
mr. Hurkmans, griffier, in het openbaar uitgesproken op 27 november 2025.