RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaaknummer: C/02/440252 / JE RK 25-1741
Datum uitspraak: 9 december 2025
Beschikking van de kinderrechter over een ondertoezichtstelling
in de zaak van
DE RAAD VOOR DE KINDERBESCHERMING ZEELAND-WEST-BRABANT
locatie, Breda,
hierna te noemen de Raad,
over
[minderjarige] , geboren op [geboortedag] 2015 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder] ,
hierna te noemen de moeder,
wonende in [plaats 1] ,
advocaat mr. F.J.V.H. Stoffels uit Zevenbergen,
[de vader] ,
hierna te noemen de vader,
wonende in [plaats 2] ,
advocaat mr. P.F.M. Gulickx uit Breda.
De kinderrechter merkt als informant aan:
de gecertificeerde instelling STICHTING JEUGDBESCHERMING BRABANT, locatie Etten-Leur, hierna te noemen de GI.
1. Het verloop van de procedure
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 29 september 2025;
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 24 november 2025. Daarbij waren aanwezig:
- de vader met zijn advocaat;
- de advocaat van de moeder;
- een vertegenwoordigster van de Raad;
- twee vertegenwoordigers van de GI.
De moeder is niet verschenen. De advocaat van de vrouw gaf op de zitting aan dat de zaak kan worden behandeld zonder dat de moeder daarbij aanwezig is.
Aan [minderjarige] is op 15 oktober 2025 een brief gestuurd waarin staat dat hij de mogelijkheid krijgt om zijn mening over het verzoek te geven. [minderjarige] heeft daar niet op gereageerd.
Deze zaak is gelet op de nauwe samenhang gelijktijdig behandeld met de verzoeken van de ouders in de zaak met kenmerk: C/02/422151 FA RK 24-2126. In die zaak zal bij aparte beschikking worden beslist.
2. De feiten
De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
[minderjarige] woont bij zijn vader.
3. Het verzoek
De Raad verzoekt [minderjarige] onder toezicht te stellen voor de duur van een jaar en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
4. De standpunten
De vertegenwoordigster van de Raad geeft als aanvulling op het rapport aan dat de ouders totaal verschillende visies hebben over hoe de zorgregeling eruit moet zien. De vader wil de zorgregeling houden zoals het nu is (een weekendregeling van één keer in de twee weken) en de moeder wil een gelijke verdeling van de zorg en opvoeding (een week op week af regeling). Er is geen sprake van “face to face” contact tussen de ouders. [minderjarige] wordt bij de overdracht steeds bij het winkelcentrum afgezet. Het onderzoek van de Raad heeft door diverse omstandigheden lang geduurd. Dat maakt dat bepaalde bevindingen inmiddels achterhaald zijn.
De vader en zijn advocaat zijn het niet eens met het verzoek van de Raad. [minderjarige] woont nu al een geruime tijd bij de vader. Zowel thuis als op school gaat het goed met [minderjarige] . De afgelopen maanden is de zorgregeling ook goed verlopen. [minderjarige] ervaart nu rust. De feestdagen en vakanties worden door partijen onderling afgesproken. Tussen partijen is er sprake van communicatie via e-mail. De vader bemoeit zich verder niet (meer) met de moeder. De leerkrachten op de school van [minderjarige] weten van de situatie af. Er is een vertrouwenspersoon op school waar [minderjarige] mee in gesprek kan. Er zijn zorgen over de hechtingsband tussen [minderjarige] en zijn moeder, maar dat is iets waar de moeder mee aan de slag moet. De moeder wil een co-ouderschap, maar [minderjarige] wil dat zelf niet.
De advocaat van de moeder stelt dat de moeder het eens is met het verzoek van de Raad. Er is al jarenlang sprake van een strijd tussen de ouders van [minderjarige] , dus er is sprake van een bedreiging in zijn ontwikkeling. De moeder vindt het lastig om de vader tegen te spreken, want zij is bang dat de vader [minderjarige] dan zal weghouden bij de moeder.
De vertegenwoordigers van de GI twijfelen of het op dit moment nodig is om [minderjarige] onder toezicht te stellen. De bevindingen van de Raad in het rapport zijn al van maanden geleden. De situatie is veranderd en de vraag is of de door de Raad gestelde doelen nu nog van toepassing zijn. Het gaat op dit moment goed met [minderjarige] .
5. De beoordeling
De kinderrechter constateert dat er verschillende dingen spelen. De ouders maken zich allebei zorgen over de opvoedsituatie van de andere ouder. De moeder uit zorgen over de controlebehoefte van de vader, waardoor zij het idee heeft dat [minderjarige] niet zichzelf kan zijn. De vader geeft aan structuur en overwicht bij de moeder te missen. Vanuit meerdere (jeugd)hulpverleningsinstanties is in het vrijwillig en in een gedwongen kader (er heeft een ondertoezichtstelling gelopen tussen 2016 en 2020) geprobeerd om dit patroon te doorbreken, echter zonder blijvende positieve resultaten.
Daarnaast constateert de kinderrechter dat er het afgelopen jaar sprake is geweest van positieve ontwikkelingen omtrent [minderjarige] . [hulpverlening] geeft aan dat de vader zich open en kwetsbaar heeft opgesteld tijdens de gesprekken. [minderjarige] gaat sinds augustus 2024 om de week een weekend naar de moeder (van vrijdag tot en met zondag) en deze regeling wordt ook door beide ouders nagekomen. De ouders communiceren met elkaar via e-mail en het is hen het afgelopen jaar ook gelukt om met elkaar de contacten gedurende de feestdagen en vakantiedagen af te spreken. Op school gaat het ook goed met [minderjarige] . Hij heeft daar een vertrouwenspersoon met wie hij zijn gevoelens en gedachten over de relatie met zijn ouders kan bespreken.
De ontwikkelingen van het afgelopen jaar hebben gemaakt dat de mate waarin [minderjarige] in zijn ontwikkeling wordt bedreigd is afgenomen. De door de Raad gestelde doelen zijn deels behaald en de doelen die nog over zijn, hebben wat de kinderrechter betreft onvoldoende kans van slagen. Het patroon van wantrouwen tussen de ouders is al zichtbaar sinds 2015. Het is niet de ideale situatie om in op te groeien, maar anderzijds heeft de kinderrechter inmiddels ook niet meer de verwachting dat daarin nog veel verbetering kan worden behaald. De ouders hebben met behulp van [hulpverlening] het hoogst haalbare behaald. Er is inmiddels sprake van solo parallel ouderschap. Vanuit de betrokken hulp en ook op zitting blijkt dat de vader heftig kan reageren als het over [minderjarige] gaat. De kinderrechter ziet dat als een gevoel van onmacht richting de hulpverlening en andere instanties. De verwachting is dat bij het opleggen van een ondertoezichtstelling er een nieuwe strijd zal ontstaan en (ook) dat is niet in het belang van [minderjarige] .
De kinderrechter is gelet op het voorgaande van oordeel dat niet is voldaan aan de voorwaarden voor een ondertoezichtstelling. Het verzoek van de Raad wordt afgewezen. De kinderrechter geeft tot slot de ouders in overweging om hulpverlening te (blijven) zoeken, met name over de zorgen die er zijn over de hechtingsrelatie tussen de moeder en [minderjarige] .
6. De beslissing
De kinderrechter:
wijst het verzoek van de Raad af.
Deze beslissing is gegeven door mr. Jansen, kinderrechter en in het openbaar uitgesproken op 9 december 2025 in aanwezigheid van Weterings als griffier.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.