RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Middelburg
Zaaknummer: C/02/441991 / JE RK 25-2038
Datum uitspraak: 8 december 2025
Beschikking van de kinderrechter over een machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
STICHTING JEUGDBESCHERMING WEST ZEELAND,
gevestigd te Middelburg,
hierna te noemen: de GI,
over
[minderjarige] ,
geboren op [geboortedag] 2010 in [plaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder] ,
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [plaats] ,
advocaat: mr. M.V. de Nooijer te Middelburg,
[de vader] ,
hierna te noemen: de vader,
wonende in [plaats] .
1. Het verloop van de procedure
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 17 november 2025;
het bericht van de GI met als bijlage het gezinsplan, ontvangen op 19 november 2025;
het bericht van mr. De Nooijer, ontvangen op 4 december 2025.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 8 december 2025. Daarbij waren aanwezig:
- een tweetal vertegenwoordigsters van de GI.
De moeder en haar advocaat zijn, met bericht van afmelding, niet verschenen. Ook de vader is niet verschenen. De kinderrechter stelt vast dat zij wel juist zijn opgeroepen.
De kinderrechter heeft [minderjarige] naar zijn mening gevraagd, maar hij heeft daar geen gebruik van gemaakt.
2. De feiten
De ouders zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
Bij beschikking van 7 april 2025 is [minderjarige] voorlopig onder toezicht gesteld van de GI met ingang van 7 april 2025 en tot 21 april 2025, zonder horen van de belanghebbenden en onder aanhouding van het resterende deel van het verzoek.
Bij beschikking van 15 april 2025 is de voorlopige ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengd met ingang van 21 april 2025 en tot 7 juli 2025.
Bij beschikking van 30 mei 2025 heeft de kinderrechter het verzoek van de GI,
strekkende tot verlening van een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg voor de duur van drie maanden, afgewezen.
Bij beschikking van 30 juni 2025 is [minderjarige] onder toezicht van de GI gesteld met ingang van 30 juni 2025 en tot 30 juni 2026.
[minderjarige] staat ingeschreven bij de moeder, maar verblijft momenteel bij de vader.
3. Het verzoek
De GI verzoekt een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] te verlenen bij de andere ouder met gezag, te weten de vader, voor de duur van zes maanden en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
4. De standpunten
De GI handhaaft het verzoek. In aanvulling op het verzoekschrift heeft de GI toegelicht dat [minderjarige] duidelijk heeft aangegeven dat hij voor nu bij de vader wil blijven wonen, waar hij inmiddels sinds 30 oktober 2025 verblijft. Hij wil pas terug naar de moeder als de thuissituatie van de moeder is veranderd. [minderjarige] vindt dat de nieuwe partner van de moeder teveel bepaalt en vindt hem onredelijk. De GI ziet dit anders en vermoedt dat de moeder iemand nodig heeft die de opvoedersrol oppakt, omdat dit haar onvoldoende lukt. Ook vindt [minderjarige] dat zijn moeder teveel alcohol drinkt. Sinds oktober 2025 is MST-CAN in beide opvoedsituaties betrokken, waarbij het de verwachting is dat het traject zes tot negen maanden zal duren. Door de hulpverlener van MST-CAN is aangegeven dat zij samen met de moeder zullen en kunnen gaan werken aan hetgeen [minderjarige] heeft benoemd. De GI bevestigt dat er ook zorgen zijn over de opvoedsituatie bij de vader en het gebrek van zicht daarop, maar licht toe dat is gezien dat de vader er echt voor [minderjarige] is, dat hij [minderjarige] geeft wat hij nodig heeft, dat hij [minderjarige] motiveert om naar school te gaan en dat de vader openstaat voor de hulpverlening. Bij beide ouders zijn er vermoedens van alcohol- en middelengebruik. De vader ontkent dit en geeft aan dat [minderjarige] niet in het huis van de vader blowt. De GI is aan het onderzoeken of het mogelijk is om de vader te testen op mogelijk middelengebruik. Desgevraagd legt de GI uit dat het de bedoeling is dat [minderjarige] op termijn terug naar de moeder gaat. De moeder werkt er onder andere met MST-CAN aan om zelf de opvoedersrol op te kunnen pakken en ook heeft MST-CAN aandacht voor het alcoholgebruik van de moeder. Tot slot communiceren de ouders enkel via WhatsApp en dat gaat goed. Ook zijn er sinds april 2025 geen incidenten meer tussen de ouders geweest.
Bij bericht van 4 december 2025 heeft de advocaat namens de moeder laten weten dat de moeder instemt met de uithuisplaatsing van [minderjarige] bij de vader voor de duur van zes maanden. Op die manier wordt de huidige situatie geformaliseerd. Verder is aangegeven dat het traject bij MST-CAN goed verloopt en dat de moeder gemotiveerd is om aan de doelen te werken. De moeder en [minderjarige] zien elkaar op vrijdag na school en om het weekend blijft [minderjarige] een nachtje bij de moeder slapen.
5. De beoordeling
Wettelijk kader
Ingevolge artikel 1:265b lid 1 BW kan de kinderrechter de GI, die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling, op haar verzoek machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid.
Inhoudelijke beoordeling
De kinderrechter is van oordeel dat is voldaan aan de wettelijke vereisten van artikel 1:265b BW en zal het verzoek tot het verlenen van een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] bij de andere ouder met gezag, te weten de vader, voor de verzochte duur toewijzen, te weten tot 8 juni 2026. Zij legt deze beslissing hierna uit.
Het is de kinderrechter gebleken dat [minderjarige] op 30 oktober 2025 na een ruzie met de moeder en haar partner naar de vader is gegaan. [minderjarige] heeft bij de GI en MST-CAN duidelijk aangegeven dat hij nu niet terug naar de moeder wil. [minderjarige] wil dat er in de thuissituatie van de moeder eerst dingen gaan veranderen. Dit maakt dat [minderjarige] sindsdien, met instemming van beide ouders, bij de vader woont. Uit de informatie van de GI is het de kinderrechter gebleken dat de vader zijn ouderrol goed oppakt. Gezien is dat de vader er echt voor [minderjarige] is, dat hij [minderjarige] kan begrenzen en hem kan motiveren om naar school te gaan en dat hij ervoor zorgt dat de afspraken worden nagekomen. Ook staat de vader open voor de hulpverlening. Dat vindt de kinderrechter positief en in het belang van [minderjarige] . Desondanks heeft zij ook zorgen over de opvoedsituatie van de vader. Zo heeft de GI nog onvoldoende zicht op het mogelijke middelengebruik van de vader. De kinderrechter vindt het belangrijk dat de GI daar de komende periode zicht op gaat krijgen. Verder is het de kinderrechter gebleken dat MST-CAN sinds oktober 2025 in beide opvoedsituaties is betrokken en dat het de bedoeling is dat [minderjarige] op termijn terug naar de moeder gaat. De moeder is op dit moment met MST-CAN aan het werken om zelf de opvoedersrol weer op te kunnen pakken en ook is er aandacht voor het alcoholgebruik van de moeder, hetgeen [minderjarige] ook als punten bij MST-CAN heeft aangegeven. Omdat de vader zijn ouderrol goed lijkt op te pakken, [minderjarige] duidelijk heeft aangegeven dat hij voorlopig bij de vader wil blijven wonen en het ingezette traject van MST-CAN naar verwachting zes tot negen maanden zal duren, vindt de kinderrechter het in belang van de verzorging en opvoeding van [minderjarige] dat hij de komende zes maanden bij de vader blijft wonen. Beide ouders staan hier ook achter. Dit maakt dat de kinderrechter de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] bij de andere ouder met gezag, te weten de vader, zal toewijzen voor de duur zoals verzocht.
Uitvoerbaar bij voorraad
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat. De kinderrechter doet dit, omdat het voor de ontwikkeling van [minderjarige] noodzakelijk is dat de beslissing ondanks een eventueel hoger beroep meteen uitgevoerd kan worden.
6. De beslissing
De kinderrechter:
verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] bij de andere ouder met gezag, te weten de vader, met ingang van 8 december 2025 en tot 8 juni 2026;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 8 december 2025 door mr. van de Merbel, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Vork als griffier, en op schrift gesteld op 17 december 2025.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.