RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Strafrecht
Zittingsplaats: Breda
Parketnummer: 02-280858-21
Vonnis van de meervoudige kamer van 18 december 2025
in de strafzaak tegen verdachte:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedag] 1998 te [geboorteplaats],
ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres:
[woonadres],
raadsman mr. B.G.M. Frencken, advocaat te ’s-Hertogenbosch.
1. Onderzoek van de zaak
De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 2 december 2025, waarbij officier van justitie mr. C. de Pagter en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt. Het onderzoek ter terechtzitting is gesloten op 4 december 2025.
2. De tenlastelegging
De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.
De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte samen met anderen in de periode van 20 april 2021 tot en met 11 januari 2022 heeft gehandeld in cocaïne (feit 1) en dat hij op 11 januari 2022 10 gram cocaïne en 6 gram heroïne aanwezig heeft gehad (feit 2).
3. De voorvragen
De dagvaarding is geldig.
De rechtbank is bevoegd.
De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.
Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.
4. De procesafspraken
Deze strafzaak kenmerkt zich doordat het Openbaar Ministerie en de verdediging zogeheten procesafspraken hebben gemaakt over wat volgens hen een passende uitkomst van de strafzaak zou zijn. Deze procesafspraken hebben zij opgenomen in een overeenkomst, welke is ondertekend door verdachte en zijn raadsman op 10 oktober 2025. Voorafgaand aan de inhoudelijke zitting hebben zij deze overeenkomst overgelegd aan de rechtbank. Het Openbaar Ministerie en de verdediging hebben de rechtbank daarmee een gezamenlijk voorstel gedaan over de wijze van afdoening van de zaak.
De procesafspraken houden in de kern, het volgende in:
Daarnaast zijn in de procesafspraken ook afspraken gemaakt over de door de officier van justitie tegen verdachte aanhangig gemaakte ontnemingsvordering en de betalingsverplichting van verdachte. De officier van justitie en de verdediging zijn in dat kader met elkaar overeengekomen dat het wederrechtelijk verkregen voordeel geschat wordt op € 30.000,- en dat tot oplegging van een betalingsverplichting tot ditzelfde bedrag zal worden gerekwireerd in die procedure. Een van de gemaakte voorwaarden hield in dat een eerste betaling van € 15.000,- uiterlijk één maand voor de inhoudelijke behandeling op zitting diende te zijn geschied. Ter terechtzitting is gebleken dat verdachte niet heeft voldaan aan deze voorwaarde. Daarop zijn door de officier van justitie en de verdediging de procesafspraken gewijzigd, in die zin dat de niet nagekomen voorwaarde is komen te vervallen en dat verdachte door middel van een betalingsregeling vanaf januari 2026 een bedrag van € 250,- per maand zal aflossen op het totale bedrag van € 30.000,-. Deze aangepaste overeenkomst is door de officier van justitie, verdachte en de raadsman getekend op 2 december 2025 en overgelegd aan de rechtbank.
De gehele overeenkomst met de (aangepaste) procesafspraken is als bijlage aan dit vonnis gehecht. De rechtbank verwijst voor een compleet overzicht van de afspraken omtrent de ontneming en de betalingsverplichting naar het ontnemingsvonnis van verdachte.
Beoordeling van de procesafspraken door de rechtbank
De rechtbank heeft zich gebogen over de vraag of het mogelijk is de zaak conform de tussen het Openbaar Ministerie en de verdediging gemaakte procesafspraken af te doen. Bij de beoordeling zijn voor de rechtbank leidend geweest de uitgangspunten zoals verwoord door de Hoge Raad in het arrest van 27 september 2022 (ECLI:NL:HR:2022:1252).
De rechtbank stelt vast dat verdachte bij de totstandkoming van de procesafspraken is bijgestaan door zijn raadsman. Verdachte is ook samen met zijn raadsman aanwezig geweest op de openbare terechtzitting van 2 december 2025, alwaar de procesafspraken zijn besproken.
De rechtbank heeft ter zitting benadrukt dat de rechtbank geen partij is bij de (totstandkoming van de) procesafspraken en dat de rechtbank daaraan niet gebonden is. De rechtbank houdt immers een eigen verantwoordelijkheid ervoor te zorgen dat de behandeling en de beoordeling van de strafzaak zal plaatsvinden overeenkomstig de geldende wettelijke bepalingen. Hierbij staat met name de beantwoording van de vragen van artikel 348 en artikel 350 van het Wetboek van Strafvordering centraal.
De officier van justitie, de raadsman en verdachte hebben ter zitting bevestigd achter de procesafspraken te staan. Verdachte heeft ter zitting verklaard dat hij de procesafspraken met zijn raadsman heeft besproken, dat de afspraken vrijwillig zijn gemaakt en dat de inhoud van die afspraken duidelijk voor hem is. Verdachte begrijpt wat de consequenties zijn als de rechtbank de procesafspraken volgt - in het bijzonder met betrekking tot zijn verdedigingsrechten - en hij accepteert de op te leggen straf zoals deze is voorgesteld.
De rechtbank is van oordeel dat verdachte vrijwillig, op basis van voldoende en duidelijke informatie en terwijl hij zich bewust was van de rechtsgevolgen, is gekomen tot de ondubbelzinnige beslissing om mee te werken aan de procesafspraken en de daarmee gepaard gaande afstand van verdedigingsrechten. De wijze waarop de overeenkomst tot stand is gekomen, doet geen afbreuk aan het aan verdachte op grond van artikel 6 van het EVRM toekomende recht op een eerlijk proces. De rechtbank ziet dan ook geen reden om de inhoud van de procesafspraken niet bij haar oordeel te betrekken.
5. De beoordeling van het bewijs
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft ter zitting gerekwireerd tot bewezenverklaring van feiten 1 en 2 zoals zij met de verdediging is overeengekomen en heeft dan ook verzocht de procesafspraken te volgen.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft verzocht de procesafspraken te volgen en heeft, conform de procesafspraken, geen bewijsverweren gevoerd.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank is met de officier van justitie en de verdediging van oordeel dat er een bewezenverklaring dient te volgen voor de feiten 1 en 2.
De rechtbank grondt haar beslissing dat verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de bewijsmiddelen in het dossier. Gelet op de procesafspraken volstaat de rechtbank met een verkort vonnis.
De bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte
1in de periode van 20 april 2021 tot en met 11 januari 2022 te [plaats] en elders in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk heeft verkocht en afgeleverd gebruikershoeveelheden van een materiaal bevattende cocaïne en heroïne, zijnde cocaïne en heroïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;
2op 11 januari 2022 te [plaats], opzettelijk aanwezig heeft gehad 10 gram van een materiaal bevattende cocaïne en 6 gram van een materiaal bevattende heroïne, zijnde cocaïne en heroïne telkens een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.
De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.
6. De strafbaarheid
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.
Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.
7. De strafoplegging
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft conform de procesafspraken gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van negen maanden, waarvan 96 dagen voorwaardelijk, met aftrek van het voorarrest en met een proeftijd van twee jaar.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft geen strafmaatverweer gevoerd en heeft de rechtbank verzocht aan te sluiten bij de procesafspraken.
Het oordeel van de rechtbank
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het handelen in cocaïne en het opzettelijk aanwezig hebben van cocaïne en heroïne. Het gebruik van harddrugs zoals cocaïne en heroïne brengt gezondheidsrisico’s met zich mee en kan tot blijvende schade leiden. Ook werkt het gebruik van verdovende middelen verslaving in de hand met veelal vermogenscriminaliteit en overlast in de samenleving tot gevolg. Terwijl verdachte bezig was met het voorzien in zijn eigen financiële behoefte, heeft hij met zijn handelen daaraan een bijdrage geleverd.
Bij het bepalen van de hoogte van de straf houdt de rechtbank rekening met straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd en met de door de Landelijke Commissie voor Straftoemeting opgestelde oriëntatiepunten voor de straftoemeting (LOVS-oriëntatiepunten). Hoewel de feiten aanzienlijke tijd geleden zijn gepleegd en de redelijke termijn is overschreden, is de rechtbank van oordeel dat in beginsel een zwaardere straf dan opgenomen in de procesafspraken aangewezen is.
De rechtbank is echter van oordeel dat de procesafspraken in onderhavige zaak nopen tot een andere afweging. Dit resulteert in een lagere straf. De rechtbank komt tot het oordeel dat dit gerechtvaardigd is, omdat verdachte heeft meegewerkt aan de procedure die heeft geleid tot een efficiëntere rechtspleging. Er is sprake van een groot en langlopend onderliggend onderzoek, met een veelvoud aan verdachten, waarbij sprake is van een forse overschrijding van de redelijke termijn. Met het meewerken aan het maken van procesafspraken zorgt verdachte ervoor dat er directe strafexecutie kan plaatsvinden en dat de toch al beperkte zittingscapaciteit van de rechtbank wordt ontzien. Ook is het onderzoek ter terechtzitting voortvarend verlopen, nu als gevolg van de procesafspraken geen inhoudelijke verweren zijn gevoerd. Bovendien wordt door naleving van de overeenkomst een hoger beroep voorkomen. Ook dit levert tijdswinst en kostbare zittingscapaciteit op. Gelet op voornoemde omstandigheden doen de procesafspraken ook recht aan de belangen van de maatschappij.
Indien er geen procesafspraken zouden zijn gemaakt, had de officier van justitie een gevangenisstraf van vijftien maanden geëist. Door de verdediging en de officier van justitie is een straf overeengekomen die niet dusdanig van aard is, dat de afwijking nationaal of internationaal uitzonderlijk is. De matiging wordt door de rechtbank als passend beschouwd.
Alles overwegend is de rechtbank van oordeel dat de in de procesafspraken overeengekomen straf onder de gegeven omstandigheden in redelijke verhouding staat tot de ernst en omvang van de feiten en tot de rol die verdachte daarin heeft vertolkt. De rechtbank zal dan ook een gevangenisstraf van 270 dagen (omgerekend negen maanden), waarvan 96 dagen voorwaardelijk, met aftrek en met een proeftijd van twee jaar opleggen.
8. Het beslag
De vier paar inbeslaggenomen schoenen zullen worden verbeurd verklaard. De voorwerpen behoren aan verdachte toe en zijn geheel of grotendeels door middel van de strafbare feiten verkregen.
De inbeslaggenomen cocaïne en heroïne zal worden onttrokken aan het verkeer. Het ongecontroleerde bezit daarvan is in strijd met de wet.
9. De wettelijke voorschriften
De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 33, 33a, 33b, 36b, 36d, 47 en 57 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.
10. De beslissing
De rechtbank:
Bewezenverklaring
Strafbaarheid
- verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:
feit 1: medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de
Opiumwet gegeven verbod;
feit 2: opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet
gegeven verbod, meermalen gepleegd;
- verklaart verdachte strafbaar;
Strafoplegging
- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 270 dagen, waarvan 96 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar;
- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;
- bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast, omdat verdachte voor het einde van de proeftijd de hierna vermelde voorwaarde niet heeft nageleefd;
- stelt als algemene voorwaarde dat veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig zal maken aan een strafbaar feit;
Voorlopige hechtenis
- heft het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis op;
Beslag
- verklaart verbeurd als bijkomende straf:
Dit vonnis is gewezen door mr. F.L. Donders, voorzitter,
en mrs. C.E.M. Marsé en C.H.M. Pastoors, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. J. van Biert, griffier,
en is uitgesproken ter openbare zitting op 18 december 2025.
Mr. Marsé is verhinderd dit vonnis mede te ondertekenen.
Bijlage I
De tenlastelegging
Aan verdachte wordt ten laste gelegd dat
1hij op meerdere tijdstippen in of omstreeks de periode van 20 april 2021 tot en met 11 januari 2022 te [plaats] en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, een of meer gebruikershoeveelheden, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne en/of heroïne, zijnde cocaïne en/of heroïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
2hij op of omstreeks 11 januari 2022 te [plaats], in elk geval in Nederland opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer (totaal) 10 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne en/of ongeveer (totaal) 6 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende heroïne, zijnde cocaïne en/of heroïne (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.