RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Strafrecht
Zittingsplaats: Breda
Parketnummer: 02-280858-21 (ontneming)
vonnis van de rechtbank d.d. 18 december 2025
in de ontnemingszaak tegen
[betrokkene] ,
geboren op [geboortedag] 1998 te [geboorteplaats],
ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres:
[adres],
raadsman mr. B.G.M. Frencken, advocaat te ’s-Hertogenbosch.
1. De procedure
De officier van justitie heeft de ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel gevorderd. De ontnemingsvordering is inhoudelijk behandeld op de zitting van 2 december 2025, waarbij officier van justitie mr. C. de Pagter en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt. Het onderzoek ter terechtzitting is gesloten op 4 december 2025.
De behandeling van de ontnemingsvordering heeft gelijktijdig plaatsgevonden met de behandeling van de strafzaak tegen verdachte onder parketnummer 02-280858-21.
Betrokkene is op 18 december 2025 door de meervoudige kamer van deze rechtbank veroordeeld voor het medeplegen van de handel in cocaïne en het bezit van verdovende middelen. Aan betrokkene is een gevangenisstraf van 270 dagen opgelegd, waarvan 96 dagen voorwaardelijk, met aftrek van voorarrest en met een proeftijd van twee jaar. De rechtbank verwijst voor een overzicht van de bewezenverklaring naar het vonnis in de strafzaak van betrokkene.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen door betrokkene en zijn raadsman naar voren is gebracht.
2. Het standpunt van de officier van justitie
De schriftelijke ontnemingsvordering van de officier van justitie van 13 november 2025 strekt tot een schatting van het bedrag aan wederrechtelijk verkregen voordeel van € 66.566,93 en tot het opleggen van een verplichting tot betaling aan de Staat van datzelfde bedrag.
De officier van justitie heeft op de terechtzitting van 2 december 2025 de vordering gewijzigd in die zin dat overeenkomstig de gemaakte procesafspraken het bedrag aan wederrechtelijk verkregen voordeel wordt verminderd tot € 30.000,-.
3. Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft verzocht de ontnemingszaak af te doen zoals in de procesafspraken is overeengekomen.
4. De procesafspraken
Deze ontnemingszaak kenmerkt zich doordat het Openbaar Ministerie en de verdediging zogeheten procesafspraken hebben gemaakt over wat volgens hen een passende uitkomst van de zaak zou zijn. Deze procesafspraken hebben zij opgenomen in een overeenkomst, welke is ondertekend door verdachte en zijn raadsman op 10 oktober 2025. Voorafgaand aan de inhoudelijke zitting hebben zij deze overeenkomst overgelegd aan de rechtbank. Het Openbaar Ministerie en de verdediging hebben de rechtbank daarmee een gezamenlijk voorstel gedaan over de wijze van afdoening van de zaak.
De procesafspraken houden, voor zover hier van belang, het volgende in:
Ter terechtzitting is gebleken dat verdachte niet heeft voldaan aan de voorwaarde van betaling van € 15.000,- uiterlijk één maand voor de inhoudelijke behandeling op zitting. Daarop zijn door de officier van justitie en de verdediging de procesafspraken gewijzigd in die zin dat de niet nagekomen voorwaarde is komen te vervallen en dat verdachte door middel van een betalingsregeling vanaf januari 2026 een bedrag van € 250,- per maand zal aflossen. Deze aangepaste procesafspraken zijn door de officier van justitie, verdachte en de raadsman getekend op 2 december 2025.
De gewijzigde procesafspraken zijn als bijlage aan dit vonnis gehecht.
Beoordeling van de procesafspraken door de rechtbank
De rechtbank heeft zich gebogen over de vraag of het mogelijk is de ontnemingszaak conform de tussen het Openbaar Ministerie en de verdediging gemaakte procesafspraken af te doen. Bij de beoordeling zijn voor de rechtbank leidend geweest de uitgangspunten zoals verwoord door de Hoge Raad in het arrest van 27 september 2022 (ECLI:NL:HR:2022:1252).
De rechtbank stelt vast dat betrokkene bij de totstandkoming van de procesafspraken is bijgestaan door zijn raadsman. Betrokkene is ook samen met zijn raadsman aanwezig geweest op de openbare terechtzitting van 2 december 2025, alwaar de procesafspraken zijn besproken.
De rechtbank heeft ter zitting benadrukt dat de rechtbank geen partij is bij de (totstandkoming van de) procesafspraken en dat de rechtbank daaraan niet gebonden is. De rechtbank houdt immers een eigen verantwoordelijkheid ervoor te zorgen dat de behandeling en de beoordeling van de ontnemingszaak zal plaatsvinden overeenkomstig de geldende wettelijke bepalingen.
De officier van justitie, de raadsman en betrokkene hebben ter zitting bevestigd achter de procesafspraken te staan. Verdachte heeft ter zitting verklaard dat hij de procesafspraken met zijn raadsman heeft besproken en dat de inhoud van die afspraken duidelijk voor hem is. Verdachte begrijpt wat de consequenties zijn als de rechtbank de procesafspraken volgt - in het bijzonder met betrekking tot zijn verdedigingsrechten - en hij accepteert de op te leggen straf en afdoening van de ontnemingszaak zoals deze is voorgesteld.
De rechtbank is van oordeel dat betrokkene vrijwillig, op basis van voldoende en duidelijke informatie en terwijl hij zich bewust was van de rechtsgevolgen, is gekomen tot de ondubbelzinnige beslissing om mee te werken aan de procesafspraken en de daarmee gepaard gaande afstand van verdedigingsrechten. De wijze waarop de procesafspraken tot stand zijn gekomen doet geen afbreuk aan het aan betrokkene op grond van artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) toekomende recht op een eerlijk proces. De rechtbank ziet dan ook geen reden om de inhoud van de procesafspraken niet bij haar oordeel te betrekken.
5. Het oordeel van de rechtbank
De grondslag van de ontneming
De grondslag voor de ontnemingsvordering betreft artikel 36e, eerste en tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht. Op grond van dit artikel kan aan degene die is veroordeeld voor een strafbaar feit de verplichting worden opgelegd tot betaling van een geldbedrag aan de Staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel, indien aannemelijk is dat dat feit er op enige manier voor heeft gezorgd dat de veroordeelde wederrechtelijk voordeel heeft verkregen.
Bij de beoordeling van de ontneming zijn voor de rechtbank de voorwaarden van artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht leidend. Daarnaast heeft de rechtbank acht geslagen op de inhoud van de procesafspraken, omdat daaruit volgt dat op bepaalde punten door de daarbij betrokken partijen overeenstemming is bereikt.
De beoordeling
De rechtbank heeft acht geslagen op de berekening van het wederrechtelijk voordeel door de politie van 23 maart 2022. Hierin is voldoende inzichtelijk gemaakt op welke manier het te ontnemen bedrag tot stand is gekomen. Daarnaast heeft de rechtbank acht geslagen op de toelichting op de ontnemingsberekening zoals opgenomen in de procesafspraken en die door alle daarbij betrokken procespartijen is onderschreven. Naar het oordeel van de rechtbank is de berekening gegrond op de bewezenverklaarde feiten en de daaraan ten grondslag gelegde bewijsmiddelen. Tevens is daarin op juiste wijze het aandeel van betrokkene verdisconteerd.
In de ontnemingsrapportage is een wederrechtelijk verkregen voordeel berekend van € 66.566,93. Hierbij is geen rekening gehouden met het feit dat er sprake is van medeplegen. Tussen de officier van justitie en de verdediging is daarom overeengekomen dat het te ontnemen bedrag zal worden teruggebracht naar € 30.000,-. De matiging wordt door de rechtbank als passend beschouwd. Dit betekent dat de rechtbank het wederrechtelijk verkregen voordeel zal schatten op een totaalbedrag van € 30.000,-.
6. De wettelijke voorschriften
De beslissing berust op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.
7. De beslissing
De rechtbank:
- stelt het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op € 30.000,-.
- legt betrokkene de verplichting op tot betaling aan de staat van een geldbedrag ter grootte van € 30.000,-, ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel;
- bepaalt de duur van de gijzeling, die bij niet betaling van het ontnemingsbedrag kan worden gevorderd, op 600 dagen.
Dit vonnis is gewezen door mr. F.L. Donders, voorzitter,
en mrs. C.E.M. Marsé en C.H.M. Pastoors, rechters,
in tegenwoordigheid van de griffier mr. J. van Biert,
en is uitgesproken ter openbare zitting op 18 december 2025.
De oudste rechter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.