ECLI:NL:RBZWB:2025:9068

ECLI:NL:RBZWB:2025:9068, Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 17-12-2025, 11718600 CV EXPL 25-1822 (E)

Instantie Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak 17-12-2025
Datum publicatie 19-01-2026
Zaaknummer 11718600 CV EXPL 25-1822 (E)
Rechtsgebied Civiel recht; Verbintenissenrecht
Procedure Bodemzaak
Zittingsplaats Breda

Samenvatting

Vordering tot ontbinding van de huurovereenkomst afgewezen. Overeenkomst is niet tot stand gekomen op grond van dwaling, bedrog en/of misbruik van omstandigheden. Ook geen sprake van een tekortkoming in de nakoming van de huurovereenkomst en niet naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar om huurovereenkomst in stand te houden.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Civiel recht

Kantonrechter

Zittingsplaats Breda

Zaaknummer: 11718600 \ CV EXPL 25-1822

Vonnis van 17 december 2025

in de zaak van

STICHTING WONENBREBURG,

te Tilburg,

eisende partij,

hierna te noemen: WonenBreburg,

gemachtigde: mr. M.M. de Cock,

tegen

1. [huurder 1] ,

te [plaats] ,

gemachtigde: mr. W.G.M. Vos,2. [huurder 2],

te [plaats] ,

procederend in persoon,

gedaagde partijen,

hierna samen te noemen: [huurders] .

1. De zaak in het kort

In deze zaak gaat het om de vraag of de huurovereenkomst tussen WonenBreburg en [huurder 1] moet worden ontbonden en of de woning ontruimd moet worden. Volgens WonenBreburg is de huurovereenkomst tot stand gekomen onder invloed van dwaling, bedrog of misbruik van omstandigheden. Voor zover hier geen sprake is, dan wil WonenBreburg dat de huurovereenkomst ontbonden wordt op grond van een tekortkoming in de nakoming van de overeenkomst door [huurder 1] . Tot slot is het volgens WonenBreburg in stand houden van de huurovereenkomst in strijd met de maatstaven van redelijkheid en billijkheid. Ook wordt er ontruiming ten aanzien van [huurder 2] gevorderd, omdat hij bij [huurder 1] zou (gaan) inwonen.

De kantonrechter zal de vorderingen van WonenBreburg afwijzen en zal hieronder uitleggen waarom dat zo is.

2. De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 9 juli 2025

- de mondelinge behandeling van 11 november 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.

3. De feiten

WonenBreburg is een toegelaten instelling als bedoeld in artikel 19 van de Woningwet en is als zodanig verplicht te zorgen voor een rechtvaardige verdeling van sociale huurwoningen.

Voor het aanbieden en toewijzen van haar sociale huurwoningen bedient WonenBreburg zich van het woonruimtebemiddelingssysteem ‘Klik voor Wonen’, dat een samenwerkingsverband betreft tussen verschillende woningcorporaties in de regio.

Voor het kunnen reageren op aangeboden sociale huurwoningen is een inschrijving bij ‘Klik voor Wonen’ nodig.

[huurder 2] staat sinds 17 september 2021 ingeschreven als woningzoekende bij “Klik voor Wonen”.

[huurders] hebben sinds 7 september 2024 een affectieve relatie en hebben zich gezamenlijk ingeschreven bij “Klik voor Wonen”. Per 9 oktober 2024 hebben zij hun inschrijving gesplitst.

Op 29 januari 2025 heeft er een telefonische intakegesprek plaatsgevonden tussen [huurder 1] en een medewerker van WonenBreburg. In het logboek van WonenBreburg is daarover het volgende opgenomen:

[naam 1]:29-l-25:Bij aanbieding van de woning [adres] vond de

telefonische intake plaats met mw [huurder 1] :

Alle documenten waren in orde en mw woonde in Friesland, vandaar telefonische

intake. Gesprek verliep prima, wilde graag terug naar [plaats] want kon niet

aarden in Friesland. Was daar destijds voor haar vriend naartoe gegaan. Nu het

uit was woonde ze op een camping en wilde ze graag terug naar [plaats] . Natuurlijk

ook omdat ze een relatie heeft met iemand die in [plaats] woont. Ik heb verteld

over de buurt waar ze in terecht kwam en we hebben het over de financiële

situatie gehad. Uiteindelijk vroeg ze of het op de lange termijn mogelijk was

of haar vriend bij haar zou kunnen intrekken. Hier heb ik op geantwoord dat dat

mogelijk is. Echter daar wel duidelijk bij aangegeven dat dit nog niet de bedoeling is op de korte termijn. Ik heb getoetst op haar inkomen en huishoudsamenstellingen daar moet zij voor tekenen. Dat begreep ze en daarbij zei ze dat het ook nog niet van toepassing was. Gesprek positief afgerond.”

Op 11 februari 2025 heeft [huurder 1] een “Verklaring huishoudinkomen” ingevuld, waarop is ingevuld dat het huishouden bestaat uit één persoon. Als bijlage is de aanslag inkomstenbelasting premie volksverzekeringen bijgevoegd. Op basis daarvan is [huurder 1] in aanmerking gekomen voor de woning aan het [adres] in [plaats] (hierna: de woning).

WonenBreburg verhuurt de woning met ingang van 13 maart 2025 aan [huurder 1] . De huurovereenkomst is ondertekend op 13 maart 2025 om 11.00 uur. De huur bedraagt € 938,01 per maand. Op deze huurovereenkomst zijn de Algemene Huurvoorwaarden WonenBreburg (hierna: algemene voorwaarden) van toepassing. In artikel 5 van de huurovereenkomst is opgenomen:

Verstrekken juiste gegevens

U verklaart dat de door u aan ons vóór aanvang van de huurovereenkomst verstrekte

gegevens, bijvoorbeeld over uw huishoudinkomen en gezinssamenstelling, juist en

volledig zijn.

Indien u onjuiste of onvolledige gegevens verstrekt en u bij verstrekking van de juiste en

volledige gegevens niet in aanmerking zou zijn gekomen voor de 'Woning', dan moet u

de 'Woning' ontruimen op ons eerste verzoek. Doet u dit niet? Dan start WonenBreburg

een gerechtelijke procedure.”

Op diezelfde dag om 11.22 uur heeft [huurder 1] een aanvraag ingevuld om [huurder 2] te laten inwonen. Naar aanleiding van dit verzoek is [huurder 1] uitgenodigd voor een gesprek op 19 maart 2025 bij WonenBreburg. [huurder 1] was daar samen met [huurder 2] aanwezig. Van dit gesprek heeft WonenBreburg een aantekening gemaakt in haar logboek:

[naam 2]: mevrouw uitgenodigd na aanvraag inwoning (20 minuten na tekenen

huurovereenkomst). Hierbij aanwezig zijn [naam 3] en [naam 1]. Ook partner van mevrouw

is aanwezig. We geven aan waarom we hier zitten en vragen hen hun verhaal te doen. Ze geven aan dat ze eerst samen ingeschreven stonden, maar dat ze toen de inschrijvingen losgekoppeld hebben om meer kans te maken op een woning. Degene

die als eerste een woning kreeg, daar zouden ze gaan wonen. Aangegeven dat ze

op haar verklaring samenstelling huishouden en inkomen heeft getekend voor een

eenpersoons huishouden en een salaris van enkel haarzelf. En dat ze in het intakegesprek ook had aangegeven aan [huurder 1] dat ze er nog niet ging samenwonen met vriend. [huurder 1] heeft haar toen nog uitgelegd dat dat niet kon, dat het echt enkel op haar inkomen werd toegewezen. Op basis van beide inkomens hadden ze de woning niet gekregen. Ik geef haar aan dat dit (aanvang)fraude is, ze geven tenslotte duidelijk aan dat ze samen gaan wonen in de woning en dat dat altijd de intentie is geweest. Ik geef daarbij ook aan dat dat betekent dat mevrouw de huurovereenkomst op moet gaan zeggen, de woning kwijtraakt. Dat maakt meneer boos. Dan heeft ze geen dak meer boven haar hoofd. Hiervoor woonde ze op een camping in Friesland. Wie dan alles gaat betalen, de verhuizing, alle kosten die ZE hebben gemaakt en wat ZE al hebben gekocht voor de woning. Aangegeven dat wij daar geen oplossing voor hebben en dat uit zijn woorden nu wederom duidelijk maakt wat de intenties zijn. Zij hebben er bewust voor gekozen niet het echte verhaal te vertellen en zij zijn hier volledig zelf voor verantwoordelijk. Mevrouw is erg verdrietig, begint te huilen en wordt op een gegeven moment ook boos. Ze heeft gisteren ook te horen gekregen dat haar

contract niet verlengd wordt bij haar huidige werkgever. Meneer wordt onaardig, maakt het steeds iets persoonlijker zegt dat ik geen rechter ben en dat hij aangifte kan gaan doen. Ik geef aan dat hij naar de politie mag gaan als hij dat wil. Uiteindelijk is dit fraude wat ze plegen en kunnen en mogen wij dit niet door de vingers zien. We hebben met mevrouw afgesproken dat ze de komende week de tijd neemt om een plan te maken zodat we volgende week woensdag een gesprek hebben over de inleverdatum van de sleutels van de woning.

Bij e-mail van 23 maart 2025 heeft [huurder 1] haar verzoek om inwoning ingetrokken en op 26 maart 2025 heeft [huurder 1] laten weten dat zij de sleutels van de woning niet zal inleveren.

WonenBreburg kan na het opmaken van het contract pas logposten opvoeren in het systeem. Dit heeft zij op onder meer 26 maart 2025 gedaan. In het logboek is de volgende aantekening opgenomen:

[naam 2]: Melding van [naam 4] van KCC: Ik had een gesprek met beide in de hal toen ze hier waren voor de sleutel om te bezichtigen. Hij was voornamelijk aan het woord met echt -tig vragen. Vooral over inwoning en medehuurderschap want dat hadden ze op de andere websites van de andere verhuurders ook opgezocht. Bij de 1 kon je het pas na 1 jaar aanvragen en hoe zat dat bij ons etc. Ik heb toen gezegd dat als de bedoeling was van samenwonen dat dan haar inschrijving niet klopte omdat zij in haar 1tje op basis van alleen haar gegevens dit adres had gekregen. Zij zei toen dat het niet meteen de bedoeling was dat hij erbij kwam, maar uiteindelijk wel. Want ze wist ook dat als ze met 2 salarissen

ingeschreven hadden gestaan, dat ze dan dit aanbod niet had gekregen. Daarom had ze ook gesplitst - en naar wat ik later via [huurder 1] begreep omdat ze dan keken wie er eerder aan een woning zou komen.

En ze was helemaal verbaasd dat ze al na 4 maanden via een loting zo’n ruime woning aangeboden had gekregen. Wat uiteindelijk wel mooi was want als hij erbij zou komen hadden ze genoeg ruimte. Hij zei toen ook dat hij nu bij zijn moeder woonde met 1 kindje.”

4. Het geschil

WonenBreburg vordert ten aanzien van [huurder 1] ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van het gehuurde, betaling van de maandelijks verschuldigde huur van € 938,01 vanaf het moment dat deze na de datum van de dagvaarding zullen vervallen en niet op tijd betaald worden en een gebruiksvergoeding vanaf de vernietiging, dan wel de ontbinding van de huurovereenkomst tot aan het moment van ontruiming. Ook ten aanzien van [huurder 2] vordert WonenBreburg ontruiming van het gehuurde. WonenBreburg vordert ook dat [huurders] in de proceskosten wordt veroordeeld. WonenBreburg wil de mogelijkheid krijgen om het vonnis meteen uit te voeren, ook als er hoger beroep wordt ingesteld.

Volgens WonenBreburg is primair de huurovereenkomst met [huurder 1] tot stand gekomen onder invloed van dwaling. [huurder 1] heeft bij de totstandkoming van de overeenkomst onjuiste informatie verstrekt met betrekking tot haar inkomens- en gezinssituatie om meer kans te maken op een huurwoning. [huurder 1] heeft verzwegen dat het vanaf de intake namelijk haar intentie was om direct met [huurder 2] te gaan samenwonen. Dit volgt ook uit de aanvraag tot inwoning. [huurders] hebben dan ook opzettelijk de gezamenlijke inschrijving voor een huurwoning losgekoppeld.

Subsidiair stelt WonenBreburg dat er sprake is van bedrog of misbruik van omstandigheden in de zin van artikel 3:44 lid 3 en 4 BW. [huurder 1] heeft opzettelijk de gezamenlijke inschrijving losgekoppeld en WonenBreburg ertoe bewogen om een overeenkomst alleen met haar aan te gaan.

Meer subsidiair stelt WonenBreburg zich op het standpunt dat er sprake is van een tekortkoming in de nakoming van de huurovereenkomst. [huurder 1] heeft in strijd met artikel 5 van de huurovereenkomst onjuiste of onvolledige informatie verstrekt met betrekking tot haar gezins- en inkomenssituatie.

WonenBreburg stelt verder primair, subsidiair en meer subsidiair dat het in stand laten van de huurovereenkomst in strijd is met de maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is.

[huurder 1] voert verweer. [huurder 1] vindt dat de vordering van WonenBreburg moet worden afgewezen en wil dat WonenBreburg in de proceskosten wordt veroordeeld. [huurder 1] wil de mogelijkheid krijgen om deze proceskostenveroordeling meteen uit te voeren, ook als er hoger beroep wordt ingesteld.

[huurder 1] betwist dat zij met [huurder 2] samenwoont. Er is geen sprake van dwaling, bedrog en/of misbruik van omstandigheden. Zij heeft geen onjuiste informatie verstrekt. Daarnaast was het niet de intentie van [huurder 1] om direct met [huurder 2] te gaan samenwonen, maar op langere termijn. Zij en [huurder 2] hebben de gezamenlijke inschrijving losgekoppeld, omdat de camping waar ze woonde verkocht zou worden. Door de inschrijving los te koppelen, had [huurder 1] meer kans op een woning door middel van loting. [huurder 1] wist dat samenwonen alleen mogelijk was met toestemming van WonenBrebrug.

Ook is er geen sprake van het in strijd handelen met de huurovereenkomst. [huurder 1] heeft juiste informatie verstrekt met betrekking tot haar inkomens- en gezinssituatie. Kort na het ingaan van de huurovereenkomst heeft [huurder 1] in een impulsieve reactie een aanvraag voor inwoning ingediend, maar niet met de intentie dat [huurder 2] direct bij haar zou intrekken. [huurder 1] heeft ADHD, waarbij impulsief gedrag een van de kenmerken is. Op de aanvraag was het niet mogelijk om een datum in te vullen voor de inwoning. Nadat WonenBreburg te kennen had gegeven dat zij niet akkoord was, heeft zij haar aanvraag ingetrokken.

Ook het beroep van WonenBreburg op de maatstaven van redelijkheid en billijkheid slaagt niet volgens [huurder 1] . Er is geen sprake van onrechtmatige profiteren van inschrijving als alleenstaande. [huurder 1] is namelijk alleenwonend met een affectieve relatie met iemand die ergens anders woont. In deze situatie zou ze altijd voor de woning in aanmerking zijn gekomen.

Ook [huurder 2] voert verweer. Hij is geen partij bij de huurovereenkomst. [huurder 2] betwist dat hij met [huurder 1] samenwoont. Er zijn plannen om mogelijk in de toekomst samen te wonen, maar dit is afhankelijk van de toestemming van de verhuurder. Dat de gezamenlijke inschrijving gesplist is komt omdat de woningnood van [huurder 1] voorop stond nadat de camping waar [huurder 1] verbleef werd verkocht.

5. De beoordeling

Ten aanzien van [huurder 1]

Geen dwaling en/of bedrog en/of misbruik van omstandigheden

Voor de vraag of er sprake is van dwaling moet de kantonrechter beoordelen of [huurder 1] nagelaten heeft bepaalde informatie te verstrekken of een onjuiste voorstelling van zaken heeft gegeven bij de totstandkoming van de huurovereenkomst. Dit terwijl [huurder 1] wist dat dit voor WonenBreburg zo belangrijk was dat WonenBreburg zonder die informatie of onjuiste voorstelling van zaken de overeenkomst niet was aangegaan. Dat is hier naar het oordeel van de kantonrechter niet het geval.

Vast staat dat vóór de totstandkoming van de overeenkomst er op 29 januari 2025 een telefonische intake heeft plaatsgevonden tussen WonenBreburg en [huurder 1] . Uit het logboek blijkt dat [huurder 1] heeft verzocht of het mogelijk was of [huurder 2] op lange termijn bij haar kon intrekken. Volgens de (later geregistreerde) aantekening in het logboek op 26 maart 2025 heeft zij nogmaals gemeld dat het niet meteen de bedoeling was dat [huurder 2] bij haar kwam wonen. Dit heeft [huurder 1] tijdens de mondelinge behandeling herhaald en toegelicht dat het ook niet mogelijk was vanwege de lange wachttijden voor een sociale huurwoning. Op basis van het voorgaande blijkt naar het oordeel van de kantonrechter niet dat [huurder 1] een onjuiste voorstelling van zaken heeft gegeven. Het feit dat er op voorhand vragen zijn gesteld over de mogelijkheid tot samenwonen, maakt bovendien nog niet dat het daadwerkelijk de intentie was van [huurders] om direct te gaan samenwonen. Dat volgens WonenBrebrug op 19 maart 2025 door [huurders] is verklaard dat het de bedoeling was te gaan samenwonen in de woning aan wie als eerste een woning toegewezen kreeg is door [huurders] uitdrukkelijk betwist. Dit is dan ook niet vast komen te staan. WonenBreburg heeft verzocht om haar medewerkers als getuigen te laten horen over de inhoud van het gesprek op 19 maart 2025 en de door [huurders] gedane uitlatingen. Hoewel latere feiten en omstandigheden van belang kunnen zijn voor de beantwoording van de vraag of er destijds sprake was van dwaling heeft WonenBreburg ter zitting verklaard dat zij bij voorbaat al twijfels had over de intentie van [huurder 1] om alleen te gaan wonen. Zij verwijst hiervoor naar de (later geregistreerde) aantekening in het logboek op 26 maart 2025. De kantonrechter oordeelt hierover als volgt. Ondanks dat [huurder 2] vragen heeft gesteld over inwoning en medehuurderschap en dat door Wonenbreburg kenbaar is gemaakt dat dit niet de bedoeling was, valt ook - zoals hiervoor al is overwogen - in diezelfde aantekening te lezen dat [huurder 1] heeft verklaard dat het niet de bedoeling was dat [huurder 2] meteen bij haar kwam inwonen, maar op den duur wel. Hieruit blijkt nog niet dat er bij WonenBreburg twijfels bestonden over de intentie van [huurder 1] voorafgaand aan het sluiten van de overeenkomst. Dat er bij WonenBreburg nadien meer alarmbellen zijn gaan rinkelen over de intentie van [huurder 1] ligt in het verlengde van de twijfels die bij haar bestonden. Dat WonenBreburg mogelijk twijfels had over de intenties van [huurder 1] , betekent niet zonder meer dat zij heeft gedwaald. Tegen deze achtergrond had het op de weg van WonenBreburg gelegen om voorafgaand aan het sluiten van de overeenkomst hierover nader onderzoek te doen. WonenBreburg zal daarom niet toegelaten worden tot het horen van getuigen.

Ook aan de hand van de verklaring huishoudinkomen en aanslag inkomstenbelasting volgt niet dat [huurder 1] onjuiste informatie heeft verstrekt. Uit die gegevens blijkt dat [huurder 1] alleen in de woning zou gaan wonen en bij het huishoudinkomen staat alleen het inkomen van [huurder 1] vermeld. Vast staat dat [huurder 1] alleen in de woning is gaan wonen en dit nog steeds het geval is.

Voor wat betreft de aanvraag tot inwoning is de kantonrechter van oordeel dat ook hier niet uit blijkt dat [huurder 1] een onjuiste voorstelling van zaken heeft gegeven of nagelaten heeft bepaalde informatie te verstrekken bij de totstandkoming van de overeenkomst. Dat [huurder 1] slechts 22 minuten na aanvang van de huurovereenkomst een verzoek tot inwoning heeft ingediend, maakt nog niet dat zij een onjuiste mededeling heeft gedaan bij de totstandkoming van de overeenkomst. [huurder 1] heeft verklaard dat zij door haar ADHD impulsief kan reageren, en zij in haar enthousiasme een verzoek heeft ingediend om het voor de toekomst alvast maar geregeld te hebben. [huurder 1] heeft een document van haar huisarts overgelegd waaruit volgt dat ze gediagnosticeerd is met ADHD. Daarnaast heeft [huurder 1] onweersproken gesteld dat op het formulier tot inwoning geen optie bestaat om een opmerking of datum toe te voegen.

Gelet op het bovenstaande slaagt het beroep op dwaling niet.

Vervolgens moet de kantonrechter beoordelen of er sprake is van bedrog dan wel misbruik van omstandigheden.

Bedrog is aanwezig, wanneer iemand een ander tot het verrichten van een bepaalde rechtshandeling beweegt door enige opzettelijk daartoe gedane onjuiste mededeling, door het opzettelijk daartoe verzwijgen van enig feit dat de verzwijger verplicht was mede te delen, of door een andere kunstgreep.

Dat de gezamenlijke inschrijving, zoals door WonenBreburg gesteld, opzettelijk is losgekoppeld met als doel om sneller in aanmerking te komen voor een woning en om in die woning samen met [huurder 2] te gaan wonen is niet vast komen te staan. Zoals hiervoor is overwogen is niet komen vast te staan dat door [huurder 1] een onjuiste mededeling is gedaan of heeft verzwegen dat zij direct met [huurder 2] wilde samenwonen. Naar het oordeel van de kantonrechter is dan ook geen sprake van een opzettelijk gedane onjuiste mededeling door [huurder 1] , het verzwijgen van enig feit dat [huurder 1] verplicht was mede te delen aan WonenBreburg of een andere kunstgreep. Het beroep op bedrog slaagt dan ook niet.

Van misbruik van omstandigheden is sprake, wanneer iemand die weet of moet begrijpen dat een ander door bijzondere omstandigheden, zoals noodtoestand, afhankelijkheid, lichtzinnigheid, abnormale geestestoestand of onervarenheid, bewogen wordt tot het verrichten van een rechtshandeling, het tot stand komen van die rechtshandeling bevordert, ofschoon hetgeen hij weet of moet begrijpen hem daarvan zou behoren te weerhouden.

Het misbruik van omstandigheden is er volgens WonenBreburg in gelegen in het feit dat [huurder 1] wist of had moeten begrijpen, zeker na het intakegesprek, dat WonenBreburg de huurovereenkomst uitgaande van de juiste inkomens- en gezinssituatie niet met haar zou hebben gesloten. De opzettelijkheid bestaat ook uit het informeren bij het klantencontactcentrum over de mogelijkheid van samenwonen, het verzoek om inwoning 22 minuten na het ondertekenen van de huurovereenkomst. Ook zouden [huurders] tijdens een gesprek op 19 maart 2025 hebben verklaard dat zij samen wilden gaan wonen in de woning aan wie het eerste een woning zou worden toegekend

Het beroep op misbruik van omstandigheden slaagt niet. Er is door WonenBreburg niet concreet toegelicht waar de bijzondere omstandigheden, zoals een noodtoestand, afhankelijkheid, lichtzinnigheid, abnormale geestestoestand of onervarenheid bij haar uit zouden bestaan. Zij heeft slechts omstandigheden genoemd aan de kant van [huurder 1] die volgens haar rechtvaardigen waarom de overeenkomst moet worden vernietigd, maar ze heeft geen bijzondere omstandigheden genoemd die WonenBreburg bewogen heeft tot het aangaan van de overeenkomst en de ander dit misbruikt. WonenBreburg heeft daarom onvoldoende onderbouwd dat er sprake is van misbruik van omstandigheden.

Dit betekent dat de vordering tot ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van de woning op grond van dwaling, bedrog en/of misbruik van omstandigheden zal worden afgewezen.

Geen tekortkoming in de nakoming van de huurovereenkomst

Omdat – zoals hierboven al is overwogen – niet is komen vast te staan dat [huurder 1] onjuiste of onvolledige informatie heeft verstrekt met betrekking tot haar gezins- en inkomenssituatie heeft zij niet in strijd gehandeld met artikel 5 van de huurovereenkomst, zoals meer subsidiair is gesteld door WonenBreburg. Ook op die grond zal de vordering tot ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van de woning worden afgewezen.

Naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet onaanvaardbaar

Dat [huurder 1] onrechtmatig zou profiteren van een onjuiste inschrijving als alleenstaande en zij op basis van onjuiste informatie de woning zou hebben gekregen waardoor andere ingeschreven woningzoekenden buiten de boot vallen, is niet komen vast te staan. Ook overigens is niet gebleken dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is om de huurovereenkomst in stand te laten.

De maandelijks verschuldigde huurpenningen en gebruikersvergoeding

De vordering tot betaling van de maandelijks verschuldigde huur met ingang van 1 mei 2025 zal worden afgewezen. De grondslag van deze bedragen volgt uit de huurovereenkomst en niet is gebleken dat [huurder 1] met betaling daarvan in verzuim is.

Omdat de huurovereenkomst niet wordt ontbonden zal de gevorderde gebruiksvergoeding worden afgewezen.

Vordering t.a.v. [huurder 2]

Omdat de vorderingen tegen [huurder 1] worden afgewezen, zal ook de vordering tegen [huurder 2] worden afgewezen. [huurder 2] is bovendien geen partij bij de huurovereenkomst en er is geen grondslag om hem te veroordelen de woning te ontruimen.

Proceskostenveroordeling

WonenBreburg is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen van zowel [huurder 1] als van [huurder 2] .

De proceskosten van [huurder 1] worden begroot op:

- salaris gemachtigde € 408,00 (2 punten x € 204,00)

- nakosten € 102,00 (plus de kosten van betekening

zoals vermeld in de beslissing)

Totaal

510,00

De proceskosten van [huurder 2] worden begroot op een bedrag van € 50,00 aan verletkosten. Deze kosten worden toegekend wanneer een partij zonder gemachtigde op zitting verschijnt.

6. De beslissing

De kantonrechter

wijst de vorderingen van WonenBreburg af,

veroordeelt Stichting WonenBreburg in de proceskosten van € 510,00 aan de zijde van [huurder 1] , te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als Stichting WonenBreburg niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,

veroordeelt Stichting WonenBreburg in de proceskosten aan de zijde van [huurder 2] , tot op heden vastgesteld op € 50,00,6.4. verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. Badal en in het openbaar uitgesproken op 17 december 2025.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?