RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Middelburg
Zaaknummer: C/02/441962 / JE RK 25-2033
Datum uitspraak: 8 december 2025
Beschikking van de kinderrechter over een ondertoezichtstelling
in de zaak van
DE RAAD VOOR DE KINDERBESCHERMING REGIO ZUIDWEST NEDERLAND,
locatie Middelburg,
hierna te noemen: de Raad,
over
[minderjarige 1] ,
geboren op [geboortedag 1] 2019 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige 1] ,
[minderjarige 2] ,
geboren op [geboortedag 2] 2021 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige 2] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder] ,
hierna te noemen: de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. J.J. Bronsveld te Bergen op Zoom,
[de vader] ,
hierna te noemen: de vader,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. F.J.I. van den Branden te Terneuzen.
De kinderrechter merkt als informant aan:
WILLIAM SCHRIKKER STICHTING JEUGDBESCHERMING & JEUGDRECLASSERING, hierna te noemen: de GI.
1. Het verloop van de procedure
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 14 november 2025.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 8 december 2025. Daarbij waren aanwezig:
- de vader, bijgestaan door zijn advocaat;
- de moeder, bijgestaan door haar advocaat;
- een vertegenwoordiger van de Raad;
- een vertegenwoordigster van de GI.
Aan mevrouw [naam], de begeleidster van de vader, is met instemming van de aanwezigen bijzondere toestemming door de kinderrechter verleend om de zitting bij te wonen.
2. De feiten
De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .
[minderjarige 1] en [minderjarige 2] wonen bij de moeder.
3. Het verzoek
De Raad verzoekt [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder toezicht te stellen voor de duur van een jaar en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
4. De standpunten
De Raad handhaaft het verzoek. De Raad maakt zich zorgen over de sociaal-emotionele ontwikkeling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . Zij worden geconfronteerd met contactverlies met hun vader, de aanhoudende strijd tussen de ouders, loyaliteitsproblemen en verminderde emotionele beschikbaarheid van de moeder. Er is al veel hulpverlening in het vrijwillig kader ingezet (geweest) waaronder Consensus, Slim uit Elkaar en Spring Jeugdhulp, maar zonder (blijvend) resultaat. Het is de ouders tot op heden niet gelukt om de patronen te doorbreken en daar hebben de kinderen last van. In maart 2025 is geprobeerd om het contactverlies te doorbreken, maar dit is niet gelukt. De Raad vindt het belangrijk dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] een onbelast contact met beide ouders kunnen hebben en dat er contactherstel tussen de kinderen en de vader zal plaatsvinden. Hierbij is ook van belang dat er zicht op de opvoedvaardigheden van de vader komt, bijvoorbeeld in de vorm van begeleiding tijdens de contactmomenten. Een opbouw van de contactmomenten zal geleidelijk moeten gaan en op het tempo van de kinderen, waarbij van belang is dat het contact voorspelbaar en structureel zal zijn. Op deze manier kan ook het vertrouwen van de moeder in (de opvoedvaardigheden van) de vader groeien en kan de moeder emotionele toestemming aan de kinderen gaan geven voor de contactmomenten. Verder vindt de Raad het belangrijk dat er zicht komt op de houding en uitspraken van de moeder over de vader tegenover de kinderen, dat het specialistisch GGZ breed onderzoek naar [minderjarige 1] doorgaat en dat de ouders psycho-educatie krijgen. Tot slot is het van belang dat de ouders gaan leren hoe zij op een zakelijke en veilige manier met elkaar kunnen communiceren.
Door en namens de moeder is aangegeven dat zij geen verweer voert tegen het verzoek. Vanwege de strijd tussen de ouders en omdat de contacten volgens de moeder niet veilig en passend waren, is er momenteel geen contact tussen de kinderen en de vader. De moeder hoopt dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] de vader structureel gaan zien en dat zij duidelijkheid en rust gaan ervaren in het contact met de vader, maar de ondertoezichtstelling moet zich op meer doelen richten dan enkel op het contactherstel. Zo moet er ook worden gewerkt aan de verstandhouding en de communicatie tussen de ouders. Belangrijk is dat de ouders afspraken gaan maken zonder dat zij in een strijd belanden en dat beide ouders aan alles wat voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] nodig is, gaan meewerken en het belang van de kinderen vooropstellen. Hiervoor is het nodig dat de ouders over hun eigen schaduw heen stappen. De moeder spreekt de hoop uit dat de vader zich aan afspraken zal houden en blijvend zal meewerken.
Door en namens de vader is aangegeven dat hij het eens is met het verzoek. De ouders zitten al meerdere jaren vast in de strijd en daar hebben de kinderen last van. Voor de vader is het belangrijk dat hij de kinderen weer kan zien. Dit is het afgelopen jaar niet gelukt door de strijd die de ouders voeren. De vader erkent dat hij in het verleden niet altijd heeft meegewerkt, maar geeft nu aan dat hij bereid is om mee te werken aan hetgeen dat nodig is voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . Ook de vader vindt het belangrijk dat de ondertoezichtstelling breder is dan enkel het contactherstel. Er moet ook worden gewerkt aan de dynamiek, samenwerking en communicatie tussen de ouders en de kindeigenproblematiek van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .
De GI kan zich vinden in het verzoek van de Raad en vindt het positief om te horen dat beide ouders bereid zijn om in het belang van de kinderen mee te werken. De GI kan op korte termijn starten en er is een vaste jeugdbeschermer beschikbaar.
5. De beoordeling
Wettelijk kader
Ingevolge het bepaalde in artikel 1:255 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (hierna te noemen: BW) kan de kinderrechter een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling wanneer die minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en:
a. de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en;
b. de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247 lid 2 BW, in staat zijn te dragen.
Inhoudelijke beoordeling
De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een ondertoezichtstelling is voldaan. Zij zal het verzoek toewijzen en [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder toezicht van William Schrikker Stichting Jeugdbescherming & Jeugdreclassering stellen voor de duur van een jaar, te weten tot 8 december 2026. Zij legt deze beslissing hierna uit.
De kinderrechter is van oordeel dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] ernstig in hun ontwikkeling worden bedreigd. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben eerder een periode onregelmatig contact met de vader gehad en sinds augustus 2024 is er helemaal geen contact meer, waarbij er op dit moment ook geen zicht op contactherstel is. Uit de informatie van de Raad volgt dat [minderjarige 1] een ambivalent vaderbeeld heeft ontwikkeld; hij mist de vader, maar doet ook negatieve uitspraken over hem. Door het contactverlies hebben de kinderen geen actueel beeld van de vader ontwikkeld en is er sprake van een gehechtheidsbreuk, hetgeen van invloed is op de identiteitsontwikkeling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . Verder is het de kinderrechter gebleken dat de ouders een aanhoudende strijd met elkaar voeren en over en weer naar elkaar blijven wijzen, bijvoorbeeld als het gaat om het contactverlies. Hierbij lijken de ouders de belangen en behoeften van de kinderen uit het oog te zijn verloren. De ouders wantrouwen elkaar en de onderlinge communicatie is volledig vastgelopen. Zij communiceren niet en als de ouders wel met elkaar communiceren, bestaat dit uit discussies, ruzies en bedreigingen. De kinderrechter stelt vast dat de kinderen met deze aanhoudende strijd en negatieve dynamiek tussen de ouders worden belast en dat dit de kans op mogelijke loyaliteitsproblemen voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] vergroot. Verder is het de kinderrechter gebleken dat er onvoldoende zicht op de opvoedingsvaardigheden van de vader is en op de mogelijke (negatieve) houding en uitspraken van de moeder over de vader richting de kinderen. Ook lijkt er bij de kinderen mogelijk sprake te zijn van kindeigenproblematiek. [minderjarige 1] heeft moeite met het uiten van emoties en ervaart boosheid/agressie. Onduidelijk is welke factoren dit gedrag veroorzaken. Bij [minderjarige 2] zijn er zorgen over zijn spraakontwikkeling.
De kinderrechter is verder van oordeel dat de ouders weliswaar (deels) bereid zijn om de hulpverlening te accepteren – en dat eerder ook hebben gedaan – maar dat het de ouders tot op heden, ondanks de ingezette hulpverlening, niet is gelukt om de patronen te doorbreken en het belang van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] voorop te zetten. Dit maakt dat de ouders op dit moment niet in staat zijn om zelfstandig de ernstige ontwikkelingsbedreiging van de kinderen weg te nemen. De kinderrechter is daarom van oordeel dat het noodzakelijk is dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder toezicht worden gesteld en er een regievoerder in het gedwongen kader komt.
De kinderrechter geeft aan de GI de opdracht mee om de volgende doelen voor ogen te houden:
[minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben onbelast contact met beide ouders, waarbij er (een vorm van) contactherstel met vader is ontstaan. Er is voldoende zicht gekomen op de opvoedvaardigheden van vader en hiervoor is hulpverlening ingezet. Het contactherstel met vader kenmerkt zicht door een stabiel, voorspelbaar en fysiek en emotioneel veilig contact, waarbij vader sensitief-responsief ouderschap toepast. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] ervaren emotionele toestemming van moeder.
Ouders staken hun strijd en zetten het belang van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] voorop. Ouders communiceren op een respectvolle manier met elkaar en op een wijze die ervoor zorgt dat de kinderen niet belast worden met negatieve emoties en loyaliteitsproblemen.
[minderjarige 1] en [minderjarige 2] ervaren emotionele veiligheid, kunnen rekenen op emotioneel beschikbare ouders en kunnen zich voldoende richten op de ontwikkelingstaken die bij hun leeftijd passen.
Het is duidelijk geworden of er sprake is van en zo ja, welke kindeigen factoren en/of omstandigheden er bij [minderjarige 1] spelen, hiervoor is passende hulp ingezet voor [minderjarige 1] en voor ouders om bij [minderjarige 1] aan te kunnen sluiten.
[minderjarige 2] heeft begeleiding van een logopedist om te werken aan zijn spraakontwikkeling.
Ouders hebben psycho-educatie gehad over de gevolgen van contactverlies tussen vader en de kinderen en over loyaliteitsproblemen.
Er is voldoende zicht ontstaan op de houding/uitspraken van moeder over vader naar de kinderen. Indien nodig, is hiervoor hulpverlening ingezet.
Ouders stellen zich begeleidbaar op en houden zich aan de gemaakte afspraken.
De kinderrechter vindt het belangrijk dat er de komende periode aan de bovenstaande doelen wordt gewerkt om de ernstige ontwikkelingsbedreiging van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] weg te kunnen nemen. Nu er nog veel stappen moeten worden gezet, zal de kinderrechter het verzoek toewijzen voor de volledige duur zoals verzocht. De kinderrechter geeft daarbij de opdracht aan de GI om regie te voeren in het proces en de belangen van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] te bewaken. De kinderrechter vindt het belangrijk dat de kinderen met beide ouders een veilig, structureel en onbelast contact zullen hebben, waarbij het belang en het tempo van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in het contactherstel met de vader leidend moet zijn. Van de ouders verwacht de kinderrechter dat zij met de GI en hulpverlening zullen samenwerken.
Uitvoerbaar bij voorraad
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat. De kinderrechter doet dit, omdat het voor de ontwikkeling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] noodzakelijk is dat de beslissing ondanks een eventueel hoger beroep meteen uitgevoerd kan worden.
6. De beslissing
De kinderrechter:
stelt [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder toezicht van William Schrikker Stichting Jeugdbescherming & Jeugdreclassering met ingang van 8 december 2025 en tot 8 december 2026;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 8 december 2025 door mr Van de Merbel, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Vork als griffier, en op schrift gesteld op 18 december 2025.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.