RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Middelburg
Zaaknummer: 11851539 \ CV EXPL 25-2944
Vonnis van 26 november 2025
in de zaak van
DE VENNOOTSCHAP ONDER FIRMA [eiser] , M.H.O.D.N. [handelsnaam 1],
te [plaats 1] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
gemachtigde: Effect Group,
tegen
[gedaagde] , H.O.D.N. [handelsnaam 2],
te [plaats 2] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
procederend in persoon.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding- het mondeling antwoord- de conclusie van repliek- de schriftelijke dupliek.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2. De feiten
[eiser] exploiteert een sportschool. [gedaagde] is op 4 november 2022 bij [eiser] langs geweest. Hij had op facebook een bericht van [eiser] gezien voor mensen die willen afvallen.
[eiser] heeft [gedaagde] op 4 november 2022 een factuur gestuurd voor een fitnessprogramma van drie maanden voor € 975,00.
[gedaagde] heeft op 15 november 2022 € 325,00 betaald en is daarna met de trainingen gestart. Na vier trainingen is hij op 26 november 2022 gestopt wegens een ernstige rugblessure.
3. Het geschil
[eiser] vordert veroordeling van [gedaagde] tot betaling van
€ 975,00 aan hoofdsom,
€ 224,57 aan wettelijke rente tot aan de dagvaarding op 2 augustus 2025,
wettelijke rente vanaf 2 augustus 2025 tot de dag dat alles is betaald en
€ 131,19 aan buitengerechtelijke incassokosten.
Verder vordert zij [gedaagde] te veroordelen in de proceskosten.
[eiser] stelt dat zij op 4 november 2022 met [gedaagde] een overeenkomst heeft gesloten, die door [gedaagde] is ondertekend. [gedaagde] moet op grond van die overeenkomst € 975,00 betalen, waarvan € 325,00 is betaald.
[gedaagde] voert verweer. Hij betwist dat hij een overeenkomst voor drie maanden heeft gesloten. Hij en [eiser] zijn overeengekomen dat hij eerst een maand zou proberen en daarvoor € 325,00 zou betalen. Hij betwist ook dat hij een overeenkomst heeft getekend. De handtekening op de overgelegde overeenkomst is niet van hem. Verder voert hij aan dat het programma niet voldeed aan wat hij mocht verwachten. De trainingen waren veel te zwaar en bleken niet om afvallen te gaan. Ten slotte merkt hij op dat hij de factuur die [eiser] ter onderbouwing van haar vordering bij de dagvaarding heeft gevoegd, niet kent. Deze factuur is van 4 november 2022. Er staat op dat hij € 650,00 moet betalen. Kennelijk is rekening gehouden met zijn betaling van € 325,00, terwijl hij die pas op 15 november 2022 heeft gedaan.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
4. De beoordeling
Voor toewijzing van de vordering moet komen vast te staan dat [gedaagde] een overeenkomst met [eiser] is aangegaan op grond waarvan hij verplicht is € 975,00 aan [eiser] te betalen voor een sportprogramma van drie maanden. [eiser] stelt dat dit het geval is, maar [gedaagde] heeft dit gemotiveerd betwist.
[eiser] beroept zich voor de onderbouwing van haar stelling op een overeenkomst die op 4 november 2022 zou zijn getekend door [gedaagde] . Die overeenkomst heeft zij als productie 3 bij de dagvaarding overgelegd. [gedaagde] ontkent echter dat hij een overeenkomst heeft getekend en dat de handtekening die op de overgelegde overeenkomst van 4 november 2022 staat, van hem is. Er staat dus niet vast dat er een door [gedaagde] getekende overeenkomst is. [eiser] zou moeten bewijzen dat [gedaagde] de overeenkomst heeft ondertekend. De kantonrechter oordeelt echter dat [eiser] haar stelling daarvoor onvoldoende heeft onderbouwd en laat [eiser] daarom niet tot het bewijs toe.
[eiser] verwijst naar gesprekken via WhatsApp die door [gedaagde] bij zijn mondelinge antwoord zijn overgelegd. Volgens haar blijkt uit de WhatsApp-gesprekken niet dat [gedaagde] eerder heeft aangevoerd dat er andere afspraken zouden gelden of dat sprake was van een andere looptijd. Dat [gedaagde] het daar in die gesprekken niet over heeft, zegt echter niets. De gesprekken zijn van 25 en 26 november 2022. Hij was toen 10 dagen bezig met het programma. [gedaagde] schrijft in het bericht van 25 november 2022 dat de trainingen die week te zwaar waren voor hem. In het bericht van 26 november 2022 schrijft hij dat hij ermee stopt. Deze berichten zijn juist in lijn met zijn stelling dat hij het sportprogramma eerst een maand zou proberen.
Dan neemt [eiser] in haar conclusie van repliek nog een screenshot op. Op dit screenshot staat bij 4 november 2022: ‘ [eiser] fit 90 dagen 2022 is aan dit pro forma toegevoegd door [naam] ’ en ‘ [naam] heeft de factuur verzonden naar [e-mailadres] ’. Dit zijn eenzijdige handelingen van een medewerker van [eiser] , waaruit niet blijkt dat [gedaagde] daarmee heeft ingestemd en dat hij een overeenkomst is aangegaan. ‘Pro forma’ duidt er eerder op dat er nog geen overeenkomst tot stand is gekomen. Voor wat betreft de factuur heeft [gedaagde] toegelicht dat hij na ontvangst daarvan met [eiser] heeft gebeld en gezegd dat is afgesproken dat hij het eerst een maand gaat proberen. Daarop heeft hij € 325,00 betaald.
[eiser] heeft de grondslag van haar vordering dus onvoldoende onderbouwd, zodat die niet is komen vast te staan. De vordering van [eiser] zal dan ook worden afgewezen. De gevorderde rente en buitengerechtelijke incassokosten kunnen dan ook niet voor toewijzing in aanmerking komen.
[eiser] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten. De kosten van [gedaagde] worden vastgesteld op € 50,00. Dit zijn zogenaamde verletkosten, waarvoor hij een vergoeding krijgt, omdat hij op de rolzitting van 27 augustus 2025 mondeling verweer heeft gevoerd. De kantonrechter gaat er vanuit dat [eiser] dit bedrag binnen 14 dagen na dit vonnis aan [gedaagde] betaalt. Als dat niet zo is en [gedaagde] het vonnis aan [eiser] moet laten betekenen om betaling te verkrijgen, komen de kosten van de betekening voor rekening van [eiser] .
5. De beslissing
wijst de vordering van [eiser] af,
veroordeelt [eiser] in de proceskosten, waarvan € 50,00 binnen 14 dagen na datum vonnis te betalen aan [gedaagde] , te vermeerderen met de kosten van betekening als [eiser] niet op tijd aan deze veroordeling voldoet en het vonnis daarna aan haar wordt betekend.
Dit vonnis is gewezen door mr. Van der Lende-Mulder Smit en in het openbaar uitgesproken op 26 november 2025.