RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
vonnis van 26 november 2025
VLOERTECHNIEK B.V.,
[B.V.] ,
Civielrecht
Kantonrechter
Zittingsplaats Middelburg
zaak/rolnr.: 11472835 CV EXPL 25-15
in de zaak van
te Vlaardingen,
eisende partij in conventie,
verwerende partij in reconventie,
hierna te noemen: Vloertechniek,
gemachtigde: mr. M.A.C. Backx,
t e g e n :
te [plaats] ,
gedaagde partij in conventie,
eisende partij in reconventie,
hierna te noemen: [B.V.] ,
gemachtigde: mr. E.P.E. Fluit.
het verloop van de procedure
De procedure is als volgt verlopen:
- dagvaarding van 16 december 2024,
- conclusie van antwoord in conventie, tevens van eis in reconventie,
- tussenvonnis van 9 april 2025,
- conclusie van antwoord in reconventie,
- brief met bijlage van mr. Fluit van 21 oktober 2025,
- brief met bijlage van het kantoor van mr. Backx van 24 oktober 2025,
- mondelinge behandeling van de zaak op 28 oktober 2025.
de beoordeling van de zaak
in conventie en in reconventie
de feiten
[B.V.] heeft als aannemer in opdracht van ISM bouwwerkzaamheden uitgevoerd in Goes. Zij heeft in onderaanneming aan Vloertechniek het storten en afwerken van een monolithische betonvloer opgedragen. De oppervlakte van deze betonvloer is 495 m², de dikte circa 20 cm. Vloertechniek heeft aan [B.V.] de opdracht schriftelijk bevestigd op 20 maart 2023. Op de overeenkomst van onderaanneming zijn de algemene voorwaarden van Vloertechniek (hierna: de algemene voorwaarden) van toepassing.
Vloertechniek heeft de werkzaamheden uitgevoerd op 5 juni 2023. Het beton werd gestort van circa 7.30 tot 10.00 uur, de afwerking had plaats van circa 13.00 tot 20.00 uur. Op 9 juni 2023 nam [B.V.] waar dat de toplaag van de vloer plaatselijk losliet (delaminatie).
Bij factuur van 5 juni 2023 bracht Vloertechniek aan [B.V.] voor de uitgevoerde werkzaamheden € 6.070,-- in rekening. Daarnaast is in deze factuur een bedrag gerekend van € 2.000,-- wegens annuleringskosten. Ondanks aanmaningen liet [B.V.] de factuur onbetaald.
ISM heeft geen genoegen genomen met de betonvloer waarvan de toplaag plaatselijk losliet. [B.V.] heeft uiteindelijk toplaag laten vervangen in augustus 2024. De kosten daarvan bedroegen € 23.175,-- exclusief btw.
de vorderingen en de standpunten van partijen
Vloertechniek vordert de veroordeling van [B.V.] , zakelijk weergegeven:
- tot betaling van € 8.070,--, te vermeerderen met primair de contractuele rente van 2% per maand, subsidiair de wettelijke handelsrente en meer subsidiair de wettelijke rente, vanaf 29 juni 2023 tot aan de dag van algehele voldoening,
- tot betaling van € 1.210,50 als vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 16 december 2024 tot aan de dag van algehele voldoening,
- in de proceskosten inclusief de nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente.
Vloertechniek voert het volgende aan. Zij heeft de opgedragen werkzaamheden uitgevoerd door de vloer te leggen met het door [B.V.] ingekochte beton. Voor zover enig gebrek aanwezig is door dat beton, moet dat voor rekening en risico van [B.V.] komen. Het werk is opgeleverd en ook daarom voor rekening en risico van [B.V.] . Ook heeft [B.V.] te laat geklaagd. Vloertechniek kreeg geen gelegenheid om eventuele gebreken die aan haar kunnen worden toegerekend te herstellen.
[B.V.] vordert de veroordeling van Vloertechniek, zakelijk weergegeven, tot betaling van € 8.070,-- met de wettelijke rente vanaf 27 februari 2025 en de proceskosten. Tijdens de mondelinge behandeling heeft [B.V.] de gevorderde hoofdsom met € 2.000,-- verminderd tot € 6.070,--. Ook heeft zij haar vordering voorwaardelijk gemaakt, in die zin dat zij in conventie zich beroept op verrekening van haar vordering tot € 6.070,-- met haar schuld aan Vloertechniek. De voorwaarde waaronder de vordering in reconventie is ingesteld, is dat in conventie het beroep op verrekening niet slaagt.
[B.V.] stelt dat Vloertechniek de opdracht niet goed heeft uitgevoerd. Vloertechniek heeft niet onderbouwd dat de oorzaak van het gebrek aan de betonvloer niet voor haar risico komt. De betonmortel die [bedrijf] heeft geleverd voldeed. De vloer was niet opgeleverd. [B.V.] heeft tijdig geklaagd over het gebrek. Herhaaldelijk heeft [B.V.] geprobeerd Vloertechniek te bewegen tot herstel van dit gebrek. Vloertechniek verkeert in verzuim doordat [B.V.] uit haar mededelingen en haar houding mocht afleiden dat zij haar verplichting tot herstel van de vloer niet zou nakomen. Uiteindelijk heeft [B.V.] het gebrek aan de vloer laten herstellen. Behalve de kosten daarvan heeft zij aan ISM een aanvullende schadevergoeding van € 7.500,-- moeten betalen. De schade bedraagt dus meer dan € 30.000,--. [B.V.] wenst een vergoeding van deze schade door Vloertechniek tot een bedrag van € 8.070,--, ter zitting verminderd tot € 6.070,--.
in conventie
De kantonrechter overweegt het volgende, waarbij de standpunten van partijen zo nodig verder aan de orde komen.
Kort nadat de betonvloer was gelegd, liet de toplaag plaatselijk los. De vraag die partijen verdeeld houdt, is of [B.V.] Vloertechniek aansprakelijk kan houden voor dit gebrek aan de vloer.
de oplevering en de klachtplicht
De gelegde betonvloer is niet opgeleverd en kan ook niet als opgeleverd worden beschouwd in de zin van artikel 7:758 lid 1 BW voordat Vloertechniek bekend werd met de klachten van [B.V.] over de vloer. Artikel 6 lid 2 van de algemene voorwaarden bepaalt dat in drie gevallen het werk als opgeleverd wordt beschouwd. Vloertechniek motiveert niet dat één van deze drie gevallen zich voordeed.
Zelfs als hierover anders moet worden geoordeeld, volgt uit artikel 6 lid 5 van de algemene voorwaarden dat Vloertechniek gehouden is de alsnog aan de dag getreden gebreken te herstellen die haar schriftelijk ter kennis zijn gebracht binnen 30 dagen na oplevering. Bij e-mail van 14 juni 2023 heeft [B.V.] aan Vloertechniek geschreven dat tijdens het drogen van de vloer krimpscheuren zijn ontstaan. Uit een e-mail van 10 juli 2023 blijkt dat partijen samen op 29 juni 2023 vloer hebben bekeken vanwege de delaminatie van de toplaag.
De stelling van Vloertechniek dat de vloer is opgeleverd en zij daarom niet meer aansprakelijk is voor dit werk, slaagt dus niet.
Artikel 19 lid 1 van de algemene voorwaarden bepaalt dat klachten over een gebrek als in deze zaak aan de orde duidelijk omschreven, gemotiveerd en schriftelijk moeten worden ingediend binnen vijf dagen na ontdekking. Gelet op de e-mail van Vloertechniek van 14 juni 2023 heeft zij tijdig geklaagd over het gebrek.
de aanspraak op vervangende schadevergoeding
[B.V.] maakt aanspraak op een vervangende schadevergoeding, ter zitting beperkt tot € 6.070,--. Voor deze aanspraak is nodig dat Vloertechniek in verzuim was met het herstel van het gebrek en dat [B.V.] haar schriftelijk heeft meegedeeld schadevergoeding te verlangen in plaats van nakoming van haar herstelplicht. Uit de e-mail van [B.V.] van 17 mei 2024 en de reactie daarop van Vloertechniek bij e-mail van 28 mei 2024 kan het volgende worden afgeleid.
Op 16 april 2024 is een gesprek gevoerd tussen vier partijen die betrokken waren bij de betonvloer, waaronder Vloertechniek en [B.V.] . Aan de orde kwam dat ieder een kwart van de schade voor zijn rekening zou nemen. Volgens de e-mail van 17 mei 2024 was de totale schade € 41.075,--, waarvan € 30.000,-- kosten van herstel van de vloer. In haar e-mail van 28 mei 2024 schreef Vloertechniek, zoals ook in het gesprek aangegeven, geen enkele vorm van aansprakelijkheid te aanvaarden.
Hieruit volgt dat Vloertechniek op 16 april 2024 een mededeling had gedaan waaruit [B.V.] moest afleiden dat Vloertechniek haar verplichting tot herstel van de vloer niet zou nakomen. Daarmee is het verzuim van Vloertechniek ingetreden. Hierbij is van belang dat het in de wettelijke regels over ingebrekestelling en verzuim niet gaat om strakke regels die de schuldeiser - in dit geval [B.V.] - in de praktijk naar de letter zou kunnen toepassen. De bepalingen beogen de rechter de mogelijkheid te geven om tot een redelijke oplossing te komen naar gelang van wat redelijkerwijs van partijen mocht worden verwacht.
Omdat [B.V.] mocht begrijpen dat Vloertechniek haar verplichting tot herstel van de vloer niet zou nakomen, slaagt niet het standpunt van Vloertechniek dat zij geen gelegenheid heeft gekregen het gebrek aan de vloer te herstellen.
Als de e-mail van 17 mei 2024 al niet moet worden gezien als schriftelijke mededeling van [B.V.] dat zij de verbintenis tot herstel omzet in een verbintenis tot schadevergoeding, kan de dagvaarding als een dergelijke mededeling worden opgevat.
de oorzaak van het gebrek aan de betonvloer
Voor zover nu van belang, houdt de overeenkomst tussen partijen het volgende in.
Voor rekening van Vloertechniek komen onder meer:
- het storten, het trillen en het op de door [B.V.] aangegeven hoogte brengen van de betonmortel,
- het nabehandelen van de afgewerkte betonvloer,
- het leveren en het verwerken van de slijtlaag van 2 kg MN (Kwarts M-7) per m² met de benodigde portland cement.
Buiten de garantie van Vloertechniek valt verontreiniging die in de gebruikte betonmortel aanwezig was en zich later aan het oppervlak openbaart.
Voor rekening van [B.V.] komt onder meer het leveren van beton conform de door haar verstrekte gegevens.
Het door Vloertechniek verwerkte beton is in opdracht van [B.V.] geleverd door [bedrijf] (hierna: [bedrijf] ).
De betonvloer is onderzocht door de deskundigen ing. [deskundige 1] en [deskundige 2] (hierna: [deskundige 1] en [deskundige 2] ). Het rapport van [deskundige 1] dateert van 27 november 2023, het rapport van [deskundige 2] van 11 april 2024.
Volgens beide rapporten waren op 5 juni 2023 de klimatologische omstandigheden gematigd en niet ongunstig voor het aanleggen van een betonvloer.
Beide deskundigen verwijzen naar een publicatie over losliggende toplagen van monolithisch afgewerkte betonvloeren in het vakblad Betoniek van oktober 2006. Uit deze publicatie en de rapporten van [deskundige 1] en [deskundige 2] leidt de kantonrechter af wat volgt onder 3.17. tot en met 3.27.
Bij de aanleg van een monolithische betonvloer wordt betonspecie gebruikt van één en dezelfde samenstelling. Onderdeel van de afwerking is het zogenaamde vlinderen, het bewerken van het beton met mechanische schuurmachines. Na afwerking bestaat de vloer uit twee lagen met verschillende eigenschappen. De toplaag is 3 tot 10 mm dik en is tijdens het afwerken intensief dichtgeschuurd onder eventuele toevoeging van strooimateriaal zoals (ook in dit geval) kwarts of cement. Daardoor is de samenstelling van de toplaag gewijzigd. De tweede laag is het onderbeton dat dicht bij de geleverde betonsamenstelling blijft. Vergeleken met de toplaag bevat het onderbeton meer grof toeslagmateriaal. Ook is het minder dicht van structuur doordat geen intensieve verdichting plaatsvindt zoals bij de toplaag.
Losliggende toplagen komen niet veel voor. In een enkel geval laat de bij het afwerken gevormde toplaag los van het onderbeton. De dikte van de loskomende schol is gelijk aan die van de toplaag. Bij veel schadegevallen zijn in de vloer drie lagen ontstaan in plaats van de gebruikelijke twee lagen. In die gevallen is een horizontale zwakke zone ontstaan tussen de toplaag en het onderbeton. In de zwakke zone is het beton van mindere kwaliteit dan in de toplaag en het onderbeton. De zwakke zone kan nagenoeg geen trekspanningen opnemen. Deze zone kan bestaan uit een laagje mortel met een hoge watercementfactor of uit een lucht- of waterlaagje. Aangezien met één betonmengsel wordt gewerkt, moet de zwakke zone zijn ontstaan tijdens het vervaardigen van de vloer.
Het is onbekend waardoor de zwakke zone exact ontstaat. De literatuur beschrijft vier gevallen waarbij de kans op het ontstaan van een zwakke zone en dus ook een losliggende toplaag toeneemt. Dit zijn:
a. betonvloeren met een verhoogd luchtgehalte
b. betonvloeren met een onvoldoende stabiele betonspecie
c. betonvloeren waarbij de toplaag te vroeg opstijft
d. de invloed van de afwerking.
In geval a zijn door het verdichten de luchtbellen vrijwel verdreven uit de bovenste laag. Lucht uit het onderliggende beton kan niet meer door de verdichte laag heendringen en verzamelt zich onder die laag, zodat daar luchtlenzen ontstaan.
In geval b ontstaat enige ontmenging van het betonmengsel. Daardoor bestaat de bovenlaag uit mortel met een hoge watercementfactor. In deze zwakke bovenlaag wordt soms cement en kwarts gestrooid. Daardoor daalt de watercementfactor. Met het schuren ontstaat een harde dichte toplaag. Daaronder bevindt zich nog mortel met een hogere watercementfactor. Dat is dan de zwakke zone.
De temperatuur en de verdamping van water zijn van invloed op het opstijven van beton. In geval c stijft de toplaag eerder op dan het onderbeton. Dan kan de energie van de vlindermachines ervoor zorgen dat de lucht of het water alsnog uit het onderbeton naar boven wil komen, maar wordt geblokkeerd door de al dichtgeschuurde toplaag. Dan bestaat het risico van een losliggende toplaag.
In geval d is te vroeg begonnen met het vlinderen. Door de dichtheid van de toplaag kan water of lucht niet naar het oppervlak komen. Hetzelfde risico bestaat als het vlinderen intensiever gebeurt dan nodig is. De intensiteit van het vlinderen is een bron van energie die water of lucht naar boven brengt.
De beide deskundigen twijfelen niet aan de kwaliteit van het door [bedrijf] in opdracht van [B.V.] geleverde beton. Volgens [deskundige 1] is bij eerder geleverd beton met gelijke receptuur geen delaminatie opgetreden. Dit brengt mee dat niet kan worden uitgegaan van het gebruik van onvoldoende stabiele betonspecie (geval c als bedoeld onder 3.19.). Ook blijkt niet de betonmortel verontreinigd was.
Als de oorzaak het gebrek aan de betonvloer wel zou liggen in onvoldoende stabiele betonspecie of in verontreinigde betonmortel, zou het gebrek voor rekening van [B.V.] komen. Anders is het in de gevallen a, b en d. Die hebben gemeen dat als één van die gevallen zich voordoet, Vloertechniek het gestorte beton heeft bewerkt op een wijze waardoor de zwakke zone in het beton kan zijn ontstaan met als gevolg het aan deze vloer geconstateerde gebrek. De zinsnede in het rapport van [deskundige 1] dat de richtlijnen voor het vervaardigen van een monoliet afgewerkte cementgebonden bedrijfsvloer zijn geëerbiedigd, leidt niet tot een ander oordeel. Het rapport maakt niet duidelijk hoe [deskundige 1] tot dit oordeel is gekomen.
In zijn rapport stelt [deskundige 2] dat de zwakke zone naar alle waarschijnlijkheid wordt gevormd door de luchtlenzen. Deze zijn ontstaan door opstijgende luchtbelletjes die werden gemobiliseerd door het schuren/vlinderen en dus niet meer door de dichte toplaag heen hebben kunnen ontsnappen. De kantstroken langs de gevel vertonen geen delaminatie van de toplaag. Dat komt waarschijnlijk doordat deze met aangepaste lichtere apparatuur zijn afgewerkt zodat daar de aanwezige lucht in het onderbeton minder werd geactiveerd tot opstijgen en daar geen zwakke zone kon ontstaan.
Anders dan Vloertechniek komt de kantonrechter tot de slotsom dat onvoldoende grond bestaat voor het oordeel dat het gebrek zijn oorzaak vindt in het beton dat [bedrijf] in opdracht van [B.V.] heeft geleverd.
het toewijsbare deel van de vordering van Vloertechniek
In haar verhouding tot [B.V.] is Vloertechniek dan ook aansprakelijk voor het gebrek. Volgens artikel 19 lid 8 van de algemene voorwaarden is de aansprakelijkheid van Vloertechniek beperkt tot de aanneemsom, dat is € 6.070,--.
Het beroep op verrekening slaagt tot € 6.070,--. De gevorderde hoofdsom is toewijsbaar tot € 2.000,--. Artikel 18 lid 1 van de algemene voorwaarden bepaalt dat een factuur binnen 14 dagen na factuurdatum moet worden betaald. Over het bedrag van € 2.000,-- is de contractuele rente van 2% per maand toewijsbaar, zoals gevorderd, vanaf 29 juni 2023 tot aan de dag van algehele voldoening.
De verrekening werkt terug tot het tijdstip waarop de bevoegdheid tot verrekening is ontstaan. De toewijsbare vergoeding voor incassokosten bedraagt dus 15% van € 2.000,--, dat is € 300,--. De wettelijke rente daarover wordt toegewezen vanaf 16 december 2024.
de proceskosten
Vloertechniek wordt voornamelijk in het ongelijk gesteld. Daarom wordt zij veroordeeld in de proceskosten. De proceskosten van [B.V.] worden vastgesteld op € 678,-- wegens salaris van haar gemachtigde (2 punten à € 339,--) en € 135,-- nakosten, in totaal dus € 813,--, te vermeerderen met de eventuele kosten van betekening als vermeld in de beslissing. Deze veroordeling wordt niet uitvoerbaar bij voorraad verklaard omdat [B.V.] dat niet heeft gevorderd.
in reconventie
4. De vordering is ingesteld onder een voorwaarde die niet is vervuld. De vordering wordt daarom niet beoordeeld.
de beslissing
De kantonrechter:
in conventie
veroordeelt [B.V.] om aan Vloertechniek te betalen een bedrag van € 2.000,-- vermeerderd met een rente van 2% per maand over dit bedrag vanaf 29 juni 2023 tot aan de dag van algehele voldoening;
veroordeelt [B.V.] om aan Vloertechniek te betalen een bedrag van € 300,-- vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 16 december 2024 tot aan de dag van algehele voldoening;
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
veroordeelt Vloertechniek in de proceskosten, waarbij die kosten van [B.V.] zijn vastgesteld op € 813,--, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe nadat deze veroordeling in kracht van gewijsde is gegaan, te vermeerderen met de kosten van betekening als Vloertechniek niet tijdig aan deze veroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend;
wijst af wat meer of anders is gevorderd;
in reconventie
verstaat dat de vordering is ingesteld onder een voorwaarde die niet is vervuld.
Dit vonnis is gewezen door mr. Kool, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 26 november 2025.