RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 19 december 2025 in de zaak tussen
[eiser] , uit [woonplaats] , eiser
Zittingsplaats Breda
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 24/6249
(gemachtigde: mr. J. Heek),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, het UWV
(gemachtigde: [vertegenwoordiger] ).
Procesverloop
1. Eiser was werkzaam als parttime operator via [werkgever] B.V. Per 29 april 2019 eindigde zijn dienstverband en ontving eiser een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW). Op 22 maart 2021 meldde eiser zich ziek vanuit de WW. Eiser heeft vervolgens een Ziektewet-uitkering ontvangen.
Eiser heeft een aanvraag ingediend voor een WIA-uitkering. Met het besluit van 12 oktober 2023 heeft het UWV deze aanvraag afgewezen, omdat eiser minder dan 35% arbeidsongeschikt zou zijn. Bij het bestreden besluit van 25 juni 2024 is het bezwaar van eiser gegrond verklaard en is aan eiser alsnog per 20 maart 2023 (de datum in geding) een WIA-uitkering toegekend, gebaseerd op een arbeidsongeschiktheidspercentage van 36,39%.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het UWV heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft het beroep op 22 mei 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van het UWV.
In de tussenuitspraak van 1 juli 2025 heeft de rechtbank het UWV in de gelegenheid gesteld om binnen zes weken na verzending van de tussenuitspraak, met inachtneming van wat in de tussenuitspraak is overwogen, de geconstateerde gebreken in het bestreden besluit te herstellen.
Het UWV heeft in reactie op de tussenuitspraak een aanvullende motivering van de verzekeringsarts bezwaar en beroep (verzekeringsarts b&b) van 31 juli 2025 ingediend. Eiser heeft hier met zijn brief van 16 oktober 2025 op gereageerd.
De rechtbank heeft bepaald dat een nadere zitting achterwege blijft en het onderzoek op 7 november 2025 gesloten.
Overwegingen
2. Deze uitspraak bouwt voort op de tussenuitspraak. De rechtbank blijft bij hetgeen zij in de tussenuitspraak heeft overwogen en beslist, tenzij hierna uitdrukkelijk anders wordt overwogen.
Samengevat heeft de rechtbank in de tussenuitspraak overwogen dat het bestreden besluit meerdere motiveringsgebreken bevat. Zo is onvoldoende inzichtelijk gemaakt waarom het UWV voor de klachten aan de rechterarm, schouder en elleboog per datum in geding (20 maart 2023) geen beperkingen heeft aangenomen en waarom de diagnose fibromyalgie daarbij niet is betrokken. Verder is niet inzichtelijk gemaakt waarom de ernst van de stemmingsklachten als ‘matig van aard’ is ingeschat. Ook is onvoldoende gemotiveerd waarom geen urenbeperking is aangenomen en is niet toegelicht in hoeverre de door eiser gebruikte medicatie van invloed is op zijn belastbaarheid, in het bijzonder met het oog op het persoonlijk risico. Deze punten worden hierna afzonderlijk beoordeeld.
Fibromyalgie en lichamelijke klachten
3. De verzekeringsarts b&b heeft in de rapportage van 31 juli 2025 toegelicht dat de diagnose fibromyalgie ruim anderhalf jaar na de datum in geding is gesteld. Volgens hem bestaat geen aanleiding om aan te nemen dat op de datum in geding sprake was van fibromyalgie. Daarbij is aangegeven dat er voor fibromyalgie geen meetbare biologische indicatoren zijn om de diagnose betrouwbaar te stellen, waardoor deze diagnose bij uitsluiting van andere aandoeningen wordt gesteld. De verzekeringsarts b&b stelt dat het klachtenpatroon op de datum in geding afwijkt van het latere klachtenpatroon waarop de diagnose fibromyalgie is gebaseerd en dat daarom niet wordt voldaan aan de diagnostische criteria voor fibromyalgie. Bij lichamelijk onderzoek door de primaire verzekeringsarts zijn geen bijzonderheden of evidente bewegingsbeperkingen waargenomen aan de rechterarm, -hand en schouders. De verzekeringsarts b&b wijst er bovendien op dat fibromyalgie weliswaar gepaard kan gaan met spier- en gewrichtspijnen, maar dat deze aandoening geen contra-indicatie is voor normale belasting van het houdings- en bewegingsapparaat en niet leidt tot absolute bewegingsbeperkingen. Volgens de verzekeringsarts b&b wordt bewegen in het algemeen juist aangeraden.
Eiser stelt dat het UWV met de herstelrapportage onvoldoende recht doet aan zijn langdurige bestaande lichamelijke klachten. Hij wijst erop dat hij sinds 2016 pijnklachten heeft in rug, rechterknie en arm en dat de pijnklachten aan rechterarm, schouder en elleboog al sinds mei 2019 bekend zijn bij het UWV. Volgens eiser had de diagnose fibromyalgie dan ook in maart 2023 gesteld kunnen worden. Daarnaast vloeien hier volgens eiser wel degelijk (arbeids)beperkingen uit voort, zoals gedoseerd bewegen en het vermijden van repetitieve handelingen in verband met de chronische pijnklachten. De chronische pijnklachten zorgen volgens eiser bovendien ook voor vermoeidheid, concentratieproblemen, slaapproblemen en gevoeligheid voor stress.
4. De rechtbank stelt voorop dat het UWV zich op het standpunt stelt dat de diagnose fibromyalgie niet op de datum in geding kan worden aangenomen, omdat deze diagnose pas in oktober 2024 is gesteld en het klachtenpatroon op de datum in geding zou verschillen van het latere klachtenbeeld. De rechtbank volgt dit standpunt niet.
Uit het dossier komt een beeld naar voren van lichamelijke klachten aan het bewegingsapparaat die zich over meerdere jaren en bij verschillende behandelaars hebben geopenbaard. Zo is eiser in juni 2021 door de huisarts verwezen naar de fysiotherapeut in verband met klachten aan de rechterarm en elleboog. De orthopedisch chirurg heeft in oktober 2021 beschreven dat eiser last had van atypische klachten van de nek en beide schouders, rechts meer dan links, en van tintelingen in de rechterarm. Uit het verslag van het spreekuur van 11 september 2023, opgenomen in de rapportage van de verzekeringsarts b&b van 4 oktober 2023, blijkt dat eiser melding heeft gemaakt van bredere lichamelijke klachten, waaronder klachten aan de rug, benen, handen, polsen en armen. Tijdens de hoorzitting van 13 mei 2024 is eiser door de verzekeringsarts b&b onderzocht, waarbij is waargenomen dat hij zijn rechterbeen amper van de grond kon tillen en hij zijn rechterarm nauwelijks gebruikte. Voorts blijkt uit medische informatie van de neuroloog van 17 juni 2024 dat de rechterarm suboptimaal belastbaar is vanwege pijn, eiser het rechterbeen niet lang in de lucht kan houden in verband met pijn en er sprake is van chronische, diffuse en daarmee aspecifieke klachten in nek en armen. De reumatoloog stelt op 22 oktober 2024 de diagnose fibromyalgie en vermeldt daarbij dat eiser al lange tijd pijnklachten heeft over het gehele lichaam, met name in de schouders en rechterarm.
Tegen deze achtergrond heeft het UWV naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende inzichtelijk gemaakt waarom het klachtenpatroon op de datum in geding wezenlijk zou verschillen van het klachtenbeeld waarop de latere diagnose fibromyalgie is gebaseerd. Dat de formele diagnose fibromyalgie pas na de datum in geding is gesteld, is daarvoor onvoldoende, temeer nu fibromyalgie een diagnose is die wordt gesteld op basis van het klachtenpatroon in de tijd en niet op grond van objectiveerbare afwijkingen. De verzekeringsarts b&b heeft in dit verband nog opgemerkt dat fibromyalgie weliswaar gepaard gaat met spier- en gewrichtspijnen, maar volgens hem geen contra-indicatie vormt voor normale belasting van het houdings- en bewegingsapparaat, geen absolute bewegingsbeperkingen kent en bewegen juist raadzaam is. Deze algemene duiding ontslaat het UWV echter niet van de plicht om inzichtelijk te maken welke betekenis in dit concrete geval is toegekend aan de bij eiser beschreven en waargenomen klachten voor zijn individuele belastbaarheid per datum in geding. Met deze algemene opmerking is niet kenbaar gemaakt waarom de hiervoor beschreven pijnklachten geen aanleiding geven tot (verdere) beperkingen.
De rechtbank concludeert dat het UWV onvoldoende inzichtelijk heeft gemotiveerd waarom de diagnose fibromyalgie per datum in geding niet kan worden aangenomen en waarom het klachtenpatroon op die datum wezenlijk zou verschillen van het latere klachtenbeeld. Daarmee is het in de tussenuitspraak geconstateerde motiveringsgebrek ten aanzien van de lichamelijke klachten en fibromyalgie niet hersteld.
Stemmingsklachten
5. De verzekeringsarts b&b heeft in zijn rapportage van 31 juli 2025 toegelicht dat het oordeel van de behandelaars dat bij eiser sprake is van een ernstige en langdurige depressie niet terzijde is geschoven. Volgens hem zijn in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 4 oktober 2023 beperkingen aangenomen in het persoonlijk en sociaal functioneren die passen bij een (ernstige) depressieve stoornis. Daarbij is eiser onder meer beperkt geacht ten aanzien van het uiten van eigen gevoelens, samenwerken en klanten- en patiëntencontact en is hij aangewezen geacht op een voorspelbare werksituatie met een verdergaande beperking op het omgaan met conflicten.Verder stelt de verzekeringsarts b&b dat de mate van depressie, conform DSM-V, wordt bepaald aan de hand van het aantal aanwezige symptomen en dat een diagnose en/of classificatie op zichzelf niet bepalend is voor het vaststellen van de belastbaarheid. Een diagnose geeft richting aan de aard en ernst van de beperkingen waarbij de belastbaarheid per individu en per datum in geding beoordeeld moet worden. De primaire verzekeringsarts was daarbij op de hoogte van de door de psychiater vastgestelde mate van de depressie, nu medische informatie is opgevraagd bij de behandelend psychiater en betrokken bij de beoordeling.
Eiser stelt dat de verzekeringsarts b&b in zijn reactie voorbij gaat aan de rapportage van verzekeringsarts b&b [verzekeringsarts] van 8 oktober 2021, waarin is aangegeven dat er bij eiser door de ernstige depressie tevens sprake is van verminderde flexibiliteit en verminderd probleemoplossend vermogen. Daarnaast wordt langdurig verdelen van de aandacht, mede als gevolg van de medicatie, beperkt geacht bij eiser en kan hij in sociaal opzicht problemen van anderen niet hanteren, is samenwerken beperkt door zijn prikkelbaarheid en zijn werkzaamheden met regelmatig klant/patiënten contacten niet geschikt voor hem.
6. De rechtbank heeft in de tussenuitspraak geoordeeld dat het besluit onvoldoende is gemotiveerd voor zover daarin de ernst van de stemmingsklachten is ingeschat als “matig van aard”, terwijl uit de medische stukken blijkt dat eiser vanaf 2021 in behandeling is geweest voor een ernstige en langdurige depressie en deze diagnose ook in 2023 nog is gesteld door behandelaars die eiser langdurig en frequent hebben gevolgd. Daarbij heeft de rechtbank geoordeeld dat het UWV niet inzichtelijk heeft gemaakt waarom het oordeel van deze behandelaars terzijde is geschoven.
De rechtbank is van oordeel dat de nadere toelichting van de verzekeringsarts b&b dit motiveringsgebrek niet herstelt. Hoewel juist is dat een diagnose of classificatie op zichzelf niet bepalend is voor de vaststelling van de belastbaarheid, laat dit onverlet dat de ernst van de stemmingsklachten van betekenis kan zijn voor de aard en zwaarte van de daaruit voortvloeiende beperkingen. De verzekeringsarts b&b heeft niet inzichtelijk gemaakt waarom de door de behandelaars vastgestelde ernstige en langdurige depressie per datum in geding niet heeft geleid tot een andere of zwaardere inschatting van de beperkingen dan thans is aangenomen.
De enkele verwijzing naar algemene verzekeringsgeneeskundige uitgangspunten, zonder een concrete vertaalslag naar de individuele situatie van eiser is daarvoor onvoldoende. De verzekeringsarts b&b heeft niet gemotiveerd op welke punten wordt afgeweken van de beoordeling van de behandelaars die eiser langdurig en frequent hebben gevolgd en waarom de eigen inschatting in dit geval prevaleert.
De rechtbank concludeert dat het motiveringsgebrek ten aanzien van de stemmingsklachten niet is hersteld.
Urenbeperking
7. De verzekeringsarts b&b heeft in zijn rapportage van 31 juli 2025 toegelicht dat er per datum in geding geen aanleiding bestaat voor het aannemen van een medische urenbeperking. Daarbij is aangegeven dat het bij eiser aanwezige verstoorde dag- en nachtritme moet worden beschouwd als het gevolg van ongezond gedrag en passieve coping en niet als een uiting van ziekte. Daarbij wijst de verzekeringsarts b&b erop dat dit patroon sinds 2021 aanwezig is, dat eiser geen initiatief neemt om hierin verandering aan te brengen en dat sprake is van een slechte slaaphygiëne. Verder stelt de verzekeringsarts b&b dat tijdens het primaire spreekuur geen bijzonderheden zijn waargenomen ten aanzien van aandacht en concentratie, dat eiser zijn antwoorden goed kon verwoorden en hij niet evident prikkelbaar was. Er waren volgens de verzekeringsarts b&b geen tekens en/of uitingen van vermoeidheid of verminderde energie. Van noodzaak voor recuperatie en een medische urenbeperking is volgens de verzekeringsarts b&b dan ook geen sprake.
Eiser voert aan dat hij door verzekeringsarts b&b [verzekeringsarts] in oktober 2021 verminderd energetisch belastbaar geacht werd door de aanwezige depressieve stoornis met een evident verstoorde dag- en nachtritme. Deze situatie was onveranderd aanwezig in maart 2023, zowel de depressieve stoornis als het verstoorde dag- en nachtritme. Er is dan ook geen aanleiding om de urenbeperking te laten vervallen zoals het UWV nu gedaan heeft. De oorzaak van het verstoorde dag- en nachtritme is volgens eiser wel degelijk terug te voeren op de depressieve stoornis net als het gebrek aan initiatief en lusteloosheid.
8. De rechtbank stelt vast dat de verzekeringsarts b&b het ontbreken van een urenbeperking per datum in geding met name heeft gebaseerd op de opvatting dat het verstoorde dag- en nachtritme van eiser moet worden beschouwd als het gevolg van ongezond gedrag en passieve coping en niet als uiting van ziekte.
De rechtbank is van oordeel dat deze toelichting onvoldoende inzichtelijk maakt waarom dit gedrag per datum in geding niet (langer) als onderdeel of gevolg van de bij eiser vastgestelde depressieve stoornis wordt aangemerkt. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat uit de medische stukken volgt dat bij eiser ook in 2023 nog sprake was van een ernstige en langdurige depressieve stoornis. Het UWV heeft daarmee niet gemotiveerd waarom dit gedrag niet (mede) kan worden begrepen als onderdeel of gevolg van de bij eiser vastgestelde depressieve stoornis, die ook per datum in geding aan de orde was.
In de rapportage van de verzekeringsarts b&b van 8 oktober 2021 is bij een gelijk klachtenbeeld, bestaande uit een ernstige en langdurige depressieve stoornis en een evident verstoord dag- en nachtritme, wel een urenbeperking aangenomen van zes uur per dag. De verzekeringsarts b&b heeft niet inzichtelijk gemaakt welke relevante verandering in het ziektebeeld of het functioneren van eiser zich na die tijd heeft voorgedaan die rechtvaardigt dat per datum in geding geen urenbeperking meer wordt aangenomen.
Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat het UWV onvoldoende heeft gemotiveerd waarom per datum in geding geen medische urenbeperking is aangenomen. Het in de tussenuitspraak geconstateerde motiveringsgebrek is op dit punt niet hersteld.
Medicatie
9. De verzekeringsarts b&b stelt dat er geen aanleiding is voor het aannemen van een beperking ten aanzien van verhoogd persoonlijk risico. Daarbij heeft hij toegelicht dat uit de hoorzitting in bezwaar blijkt dat eiser in 2024, na de datum in geding, gestart is met oxycodon, zodat dit buiten het bestek van de heroverweging valt. De andere medicatie wordt volgens de verzekeringsarts b&b al een periode gebruikt, waardoor sprake is van gewenning. Verder is aangegeven dat de temazepam in lage dosering wordt genomen en dat eiser deze niet dagelijks gebruikt voor het slapen.
Eiser stelt dat verzekeringsarts b&b voorbij gaat aan het gebruik van notriptyline en aripiprazol door eiser ten tijde van de datum in geding alsmede aan het feit dat eiser verschillende medicatie tegelijkertijd gebruikt die van invloed zijn op zijn alertheid/ reactievermogen.
10. De rechtbank is van oordeel dat het UWV het geconstateerde motiveringsgebrek niet heeft hersteld. De verzekeringsarts b&b stelt weliswaar terecht dat een deel van de medicatie na de datum in geding is gestart, maar volstaat voor de overige medicatie met de constatering dat sprake is van gewenning. Daarmee is echter niet inzichtelijk gemaakt welke betekenis aan dit medicatiegebruik is toegekend bij de beoordeling van de belastbaarheid per datum in geding. De enkele verwijzing naar gewenning is daarvoor onvoldoende. Ook bij structureel gebruik van medicatie kan niet zonder nadere toelichting worden aangenomen dat elk effect op alertheid en reactievermogen ontbreekt en daarmee evenmin dat geen sprake is van een verhoogd persoonlijk risico.
Nu een concrete en inzichtelijke afweging ontbreekt van de vraag of en in hoeverre het medicatiegebruik van eiser gevolgen heeft voor zijn belastbaarheid per datum in geding, is het in de tussenuitspraak geconstateerde motiveringsgebrek op dit punt niet hersteld.
Conclusie en gevolgen
11. Gelet op de in de tussenuitspraak geconstateerde gebreken, is het beroep gegrond. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit. De rechtbank ziet geen aanleiding de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten of zelf in de zaak te voorzien, omdat het UWV de geconstateerde gebreken niet heeft hersteld. Ook ziet de rechtbank geen aanleiding om een tweede bestuurlijke lus toe te passen, omdat het voor herstel van de gebreken benodigde onderzoek naar het zich laat aanzien lang zal duren en te onzeker is wanneer dat kan worden afgerond. Het UWV moet daarom een nieuw besluit nemen rekening houdend met deze uitspraak en de tussenuitspraak. De rechtbank stelt hiervoor een termijn van zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak. De rechtbank merkt op dat deze termijn pas begint nadat de termijn om hoger beroep in te stellen ongebruikt is verstreken of, indien hoger beroep wordt ingesteld, nadat op het hoger beroep is beslist.
Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, moet het UWV aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoeden.
Omdat het beroep gegrond is, krijgt eiser een vergoeding voor de proceskosten die hij heeft gemaakt. Het UWV moet die vergoeding betalen. De vergoeding wordt met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. De bijstand door een gemachtigde levert 2,5 punten op (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen op de zitting en 0,5 punt voor het indienen van een schriftelijke zienswijze na een bestuurlijke lus, met een waarde per punt van € 907,- en wegingsfactor 1). Toegekend wordt dus € 2.267,50.
Beslissing
De rechtbank:
verklaart het beroep gegrond;
vernietigt het bestreden besluit;
draagt het UWV op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak en de tussenuitspraak;
draagt het UWV op het betaalde griffierecht van € 51,- aan eiser te vergoeden;
veroordeelt het UWV in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 2.267,50.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Koek, rechter, in aanwezigheid van mr. A.J.M. van Hees, griffier, op 19 december 2025 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De griffier is niet in staat de uitspraak te ondertekenen.
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.