ECLI:NL:RBZWB:2025:9107

ECLI:NL:RBZWB:2025:9107, Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 17-12-2025, C/02/426684 / HA ZA 24-522 (E)

Instantie Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak 17-12-2025
Datum publicatie 19-01-2026
Zaaknummer C/02/426684 / HA ZA 24-522 (E)
Rechtsgebied Civiel recht
Procedure Bodemzaak
Zittingsplaats Middelburg

Samenvatting

een derde partij heeft werkzaamheden verricht in opdracht van gedaagde, waarna er een cessie heeft plaatsgevonden van de vorderingen van de derde op gedaagde aan eiseres. eisers vordert betaling daarvan. Het gaat om werkzaamheden die zien op binnenlands wegvervoer en bewaarneming. De vrachtvorderingen zijn verjaard. Wat betreft de vorderingen in het kader van bewaarneming slaagt het beroep op verrekening. De vordering tot betaling wordt afgewezen. Tot slot wordt geoordeeld dat eiseres geen belang heeft bij de door haar gevorderde inzage in en/of afschrift van bepaalde documenten.

Uitspraak

RECHTBANK Zeeland-West-Brabant

Civiel recht

Zittingsplaats Middelburg

Zaaknummer: C/02/426684 / HA ZA 24-522

Vonnis van 17 december 2025

in de zaak van

de rechtspersoon naar buitenlands recht

FACTRIS CHANNEL S.A.,

te Luxemburg (Luxemburg),

eisende partij,

hierna te noemen: Factris,

advocaat: mr. L.J. van Gastel,

tegen

THE INVESTMENT COMPANY EUROPE B.V.,

te Halsteren,

gedaagde partij,

hierna te noemen: TIC,

advocaat: mr. J.J. van de Velde.

De zaak in het kort

Logistiek dienstverlener BMD heeft werkzaamheden verricht in opdracht van TIC, waarna er een cessie heeft plaatsgevonden van BMD’s vorderingen op TIC aan Factris. Factris meent dat zij een bedrag van € 57.790,42 tegoed heeft van TIC. Het gaat om dienstverlening in het kader van binnenlands wegvervoer en bewaarneming. De rechtbank overweegt dat de vrachtvorderingen verjaard zijn. Er is geen sprake van feiten en omstandigheden die maken dat TIC geen beroep mag doen op de relevante verjaringstermijn van één jaar. Wat betreft de vorderingen in het kader van bewaarneming overweegt de rechtbank dat TIC’s beroep op verrekening slaagt. Als gevolg daarvan heeft Factris onder aan de streep niets meer van TIC te vorderen. Ook dit deel van de vordering wordt afgewezen. Tot slot wordt geoordeeld dat Factris geen belang heeft bij de door haar gevorderde inzage in en/of afschrift van bepaalde documenten.

1. De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 26 februari 2025;

- de mondelinge behandeling van 30 september 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt;

- de spreekaantekeningen van mr. van Gastel namens Factris;

- de akte van Factris;- de antwoordakte van TIC.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

TIC houdt zich bezig met de koop en verkoop van verschillende consumentenartikelen. Voor de opslag en het vervoer van deze zaken werd door TIC opdracht gegeven aan BMD Transportservice B.V. (hierna: BMD).

Factris is een factormaatschappij die van ondernemingen hun debiteurenportefeuille overneemt. BMD was één van Factris’ klanten.

Op 11 juli 2022 is het faillissement van BMD uitgesproken.

3. Het geschil

Factris vordert – samengevat – primair veroordeling tot betaling van een bedrag van € 57.790,42, te vermeerderen met wettelijke rente. Subsidiair vordert Factris dat TIC haar van informatie voorziet over de in randnummer 13 van haar dagvaarding genoemde onderwerpen, met onderbouwing daarvan door middel van stukken, op straffe van een dwangsom. Ook wenst Factris dat TIC wordt veroordeeld de toezegging na te komen dat de facturen van Factris betaalbaar worden gesteld zodra uit de beantwoording van de vragen en/of gegevens blijkt dat er een schade-uitkering heeft plaatsgevonden, vermeerderd met de wettelijke rente. Zowel primair als subsidiair vordert Factris betaling van de buitengerechtelijke kosten en proceskosten.

TIC voert verweer. TIC concludeert tot niet-ontvankelijkheid van Factris, dan wel tot ontzegging van Factris’ vorderingen, dan wel tot afwijzing van de vorderingen van Factris, dan wel tot matiging daarvan, met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van Factris in de kosten van deze procedure.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4. De beoordeling

Bevoegdheid en toepasselijk recht

Factris is een vennootschap naar buitenlands recht en daarom hebben de vorderingen waarop de rechtbank moet beslissen een internationaal karakter. De rechtbank heeft haar bevoegdheid en het toe te passen recht ambtshalve beoordeeld. De rechtbank overweegt dat zij bevoegd is een beslissing te nemen en dat zij bij het nemen van deze beslissing Nederlands recht moet toepassen. Partijen verschillen hierover ook niet van mening.

Inhoudelijk

Factris meent dat zij een bedrag van € 57.790,42 tegoed heeft van TIC. Volgens TIC is het juist dat zij dit bedrag verschuldigd is aan BMD, op een bedrag van € 4.982,84 incl. BTW na. Dat bedrag werd volgens TIC in rekening gebracht voor de opslag van goederen nadat deze al uit BMD’s loods gestolen waren en die daar dus niet meer opgeslagen lagen. Volgens Factris kan dit laatste wel kloppen. De rechtbank gaat er dan ook vanuit dat zij de vraag moet beantwoorden of TIC een bedrag van € 52.807,58 verschuldigd is.

Het totaalbedrag van € 52.807,58 ziet op twee soorten werkzaamheden die BMD in opdracht van TIC heeft verricht. Het gaat enerzijds om facturen voor vervoerwerkzaamheden voor een totaalbedrag van € 33.693,34 en anderzijds om facturen voor opslagwerkzaamheden voor een totaalbedrag van € 19.114,24.

Het gaat er in deze procedure om of TIC zich met succes kan beroepen op:

een ongeldige cessie waardoor Factris de vorderingen niet bij TIC kan innen;

verjaring van de vorderingen die zien op de door BMD verrichte vervoerwerkzaamheden;

verrekening van de vorderingen die zien op de door BMD verrichte vervoerwerkzaamheden met een tegenvordering van TIC;

verrekening van de vorderingen die zien op de door BMD verrichte opslagwerkzaamheden met een tegenvordering van TIC; en

Factris’ gebrek aan belang bij het verkrijgen van de door haar gevorderde informatie en documenten.

De rechtbank zal hierna eerst ingaan op de vraag of Factris het recht heeft om de openstaande facturen van BMD op TIC te innen bij TIC.

Cessie

Het is de rechtbank niet helemaal duidelijk of TIC de rechtsgeldigheid van de cessie betwist daar waar zij ingaat op de vermeende verpanding van de vorderingen. Hoe het ook zij, de rechtbank is van oordeel dat Factris de openstaande facturen van BMD op TIC mag innen bij TIC. Allereerst bevindt zich tussen de processtukken een factorovereenkomst gesloten tussen TIC en BMD. Op grond van die overeenkomst droeg BMD haar vorderingen op haar eigen debiteuren (waaronder TIC) in eigendom over aan Factris. Factris betaalde deze factuurbedragen (verminderd met een afgesproken vergoeding) vervolgens bij wijze van voorschot uit aan BMD. Als zodanig is dit ook niet betwist door TIC.

Ook de mededeling van de cessie door BMD aan TIC vindt de rechtbank voldoende duidelijk. BMD vermeldde namelijk op de facturen die zij aan TIC stuurde het volgende:

“(…)

Wij hebben conform art. 3:94 Burgerlijk Wetboek onze huidige en toekomstige vorderingen op u, waaronder deze, gecedeerd aan Factris Channel S.A. (“Factris”) bij akte. Mitsdien kan rechtsgeldige en bevrijdende betaling van het factuurbedrag uitsluitend plaatsvinden door betaling op (…) ten name van Factris Channel S.A., behoudens indien Factris u andersluidend heeft bericht.

(…).”

De lettergrootte van deze tekst wijkt niet noemenswaardig af van de overige tekst op de factuur, is direct onder het te betalen bedrag opgenomen en bevindt zich op de voorzijde van de factuur. Tussen partijen staat tot slot niet ter discussie dat TIC de facturen met deze mededeling erop ook daadwerkelijk ontvangen heeft.

Kortom, er is sprake geweest van een rechtsgeldige cessie van de vorderingen waar het in deze zaak om gaat. De vraag of eveneens sprake geweest is van een rechtsgeldige verpanding, doet naar het oordeel van de rechtbank niet ter zake.

Daarmee komt de rechtbank toe aan een beoordeling van TIC’s beroep op verjaring van de vrachtvorderingen.

Verjaring vrachtvorderingen (ad € 33.693,34)

Partijen zijn het erover eens dat de facturen waarvan betaling wordt gevorderd voor een deel van € 33.693,34 zien op vervoerwerkzaamheden die BMD heeft verricht in opdracht van TIC. Het ging daarbij om binnenlands wegvervoer in de periode van week 21 t/m week 26 van 2022 (23 mei t/m 3 juni 2022).

Op grond van artikel 8:1711 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) verjaart een op een vervoerovereenkomst gegronde rechtsvordering door verloop van één jaar. Tussen partijen is niet in geschil dat deze termijn verstreken is en dat Factris de vordering niet tijdig gestuit heeft, zodat de vordering in beginsel verjaard is. Factris stelt echter dat toepassing van deze termijn in dit geval naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is, gelet op alle feiten en omstandigheden van het geval.

Volgens Factris is de uitzonderingssituatie gelegen in de correspondentie tussen de advocaten van partijen onderling. Factris stelt dat door de advocaten telefonisch afgesproken werd dat geen rechtsmaatregelen zouden worden getroffen. De advocaat van Factris zou een update van TIC’s advocaat afwachten over het verloop van diens discussie met BMD’s aansprakelijkheidsverzekeraar. TIC’s advocaat betwist dat voornoemde afspraak gemaakt is en verwijst naar zijn e-mail van 10 november 2022. Daarin is het volgende opgenomen:

“(…)

Mochten de expert binnenkort de schade tegensprekelijk vaststellen, dan zullen verzekeraars mogelijk de schade gaan betalen aan mijn cliënte. Na ontvangst van betaling zal mijn cliënte dan niet langer een beroep doen op verrekening en de openstaande facturen betalen. Ik verzoek uw cliënte daarom nog even geduld te betrachten en het onderzoek van de experts af te wachten.

Mochten verzekeraars van BMD uiteindelijk geen betaling doen aan mijn cliënte, dan wordt het beroep op verrekening uiteraard onverkort gehandhaafd.

Voor nu worden namens mijn cliënte alle rechten en weren voorbehouden.

(…).”

De rechtbank oordeelt dat het beroep op de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid niet slaagt. Zij overweegt daartoe als volgt. Uit de wettelijke formulering ‘naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar’ van artikel 6:2 lid 2 BW blijkt dat de rechtbank terughoudend moet zijn bij het toepassen van dit artikellid. De enkele omstandigheid dat de advocaat van TIC heeft toegezegd dat hij na ontvangst van het expertiserapport van de expert van de zijde van BMD’s verzekeraars op de situatie terug zou komen, is onvoldoende om een beroep op verjaring in dit geval naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar te achten. Voor de rechtbank is duidelijk dat TIC bij monde van haar advocaat steeds alle rechten en weren heeft voorbehouden. Dat volgt ook expliciet uit de laatste zinsnede van de e-mail zoals hiervoor geciteerd. Bovendien blijkt uit de inhoud van deze e-mail dat de situatie op dat moment nog erg onzeker was voor TIC. Zo wordt expliciet benoemd dat het beroep op verrekening gehandhaafd blijft als de situatie niet kan worden opgelost via BMD’s aansprakelijkheidsverzekeraar. Gelet op deze mededeling kan ook niet gesproken worden van onderhandelingen tussen partijen, zoals door Factris bepleit. Als het al zo zou zijn dat TIC’s advocaat telefonisch (meer) vertrouwen zou hebben gewekt dat het goed zou komen met een verzekeringsuitkering, maakt dit nog niet dat Factris niet alert had moeten blijven op het aspect van verjaring. Er staat ook vast dat nooit gesproken is over het afzien van een beroep op verjaringstermijnen door TIC. Dat Factris buiten rechte werd bijgestaan door een advocaat, is ook een factor die de rechtbank meeweegt. Tot slot geldt meer in het algemeen dat de rechtszekerheid gediend is met strikte toepassing van verjaringstermijnen.

Omdat het beroep op verjaring van de vrachtvorderingen slaagt, zal het gevorderde bedrag van € 33.693,34 worden afgewezen. De rechtbank komt niet toe aan de beoordeling van het verrekeningsverweer ten aanzien van de vrachtvorderingen.

Beroep op verrekening t.a.v. vordering opslagwerkzaamheden (ad € 19.114,24)

Factris vordert een bedrag van € 19.114,24 aan bewaarloon, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de vervaldatum van de facturen tot de dag der algehele voldoening.

Ook ten aanzien van deze vordering doet TIC een beroep op verrekening. Zij stelt een tegenvordering te hebben van ten minste € 537.630,99. Dit bedrag overstijgt de vordering in het kader van de opslagwerkzaamheden. De rechtbank zal hierna beoordelen of TIC een vordering heeft op BMD, of haar een beroep op verrekening toekomt en, zo ja, of dit dan leidt tot afwijzing van Factris’ vordering in het kader van de opslagwerkzaamheden.

Heeft TIC een vordering op BMD?

TIC stelt dat zij een vordering heeft op BMD omdat BMD tekortgeschoten is in de nakoming van de bewaarnemingsovereenkomst met TIC. De rechtbank oordeelt dat dit voldoende is komen vast te staan. Er is in ieder geval sprake geweest van 15 vermist geraakte smart tv’s, 124 televisies en een aantal matrassen. Zoals hierna zal blijken, kan in het midden blijven of de overige door TIC gestelde schade geleden is.

De rechtbank baseert haar oordeel over de tv’s en matrassen op de stukken die TIC in dit kader ter onderbouwing heeft overgelegd, zoals de verschillende aansprakelijkstellingen, de politieaangifte van BMD en de onderlinge correspondentie tussen TIC en BMD. Ook heeft TIC een expertiserapport in het geding gebracht van Van Ameyde Marine van 19 december 2022 (hierna: het expertiserapport). De expert onderschrijft dat sprake is geweest van verduistering van goederen door personeel van BMD. Factris werd zelf ook in de gelegenheid gesteld om een expert aan te stellen, maar heeft dit niet gedaan. Dit maakt dat de rechtbank TIC’s stellingen over de neutraliteit van Van Ameyde Marine zal passeren. Daarbij merkt de rechtbank op dat zij, gelet op de inhoud van het expertiserapport, zelf geen reden ziet om te twijfelen aan het verrichte onderzoek.

Factris heeft nog aangevoerd dat de genoemde stukken niet authentiek zijn en dat sprake kan zijn geweest van fraude gepleegd door BMD en/of TIC. De rechtbank oordeelt dat enige onderbouwing op dit punt ontbreekt. Factris heeft niet concreet weten te maken waarom er getwijfeld moet worden aan het handelen van BMD en/of TIC. TIC heeft ter zitting nog toegelicht dat het vaker voorkwam dat zij een schade meldde bij BMD en dat BMD dan liet weten dat zij het zou voorleggen aan haar (BMD’s) verzekeraar, waarna het dan wel even kon duren voordat BMD op de klacht terugkwam bij TIC. Factris heeft dit niet in twijfel getrokken. Tegen deze achtergrond bezien vindt de rechtbank het niet vreemd dat TIC de schadevergoedingsvordering gedeeltelijk pas later, nadat het faillissement was uitgesproken, formeel heeft ingediend bij Factris. De rechtbank passeert Factris’ beroep op eigen schuld aan de zijde van TIC. TIC heeft gemotiveerd weersproken dat zij weet had van verduistering door personeel van BMD. Dat Factris (nog altijd) niet kan beschikken over de administratie van BMD om te verifiëren of TIC haar klachten daadwerkelijk gemeld heeft bij BMD, komt voor Factris’ risico. Factris heeft een overeenkomst gesloten met BMD en indien de informatieverstrekking in die verhouding spaak loopt, kan dit niet aan TIC worden tegengeworpen. Overigens heeft Factris tijdens de mondelinge behandeling de authenticiteit van BMD’s aangifte van 18 mei 2022 en TIC’s aansprakelijkstelling van 19 mei 2022 alsnog erkend.

Tot slot overweegt de rechtbank nog dat Factris ten onrechte concludeert dat een gebrek aan verzekeringsdekking ertoe zou moeten leiden dat TIC nu geen beroep toekomt op verrekening. De vraag naar dekking staat immers los van de aansprakelijkheidsvraag. Voor het overige verwijst de rechtbank naar hetgeen zij hierna zal overwegen over de uitkering van de aansprakelijkheidsverzekeraar van BMD.

Schadehoogte?

Factris’ voornaamste verweer tegen de door TIC gestelde schadevordering is dat er mogelijk door één van de betrokken verzekeraars is uitgekeerd en dat TIC op dit punt niet transparant is geweest. Bij conclusie van antwoord heeft TIC zowel de correspondentie met haar eigen verzekeraar als die met de aansprakelijkheidsverzekeraar van BMD gevoegd. Daaruit volgt dat TIC in totaal € 10.000,- ontvangen heeft van BMD’s aansprakelijkheidsverzekeraar. De rechtbank ziet, mede gelet op het logische verloop van deze correspondentie, geen reden voor twijfel op dit punt. Factris heeft ook slechts vermoedens geuit en niet concreet gemaakt waaruit nu blijkt dat TIC niet transparant geweest is over eventuele verzekeringsuitkeringen.

Voor het overige heeft Factris de door TIC gestelde schade in verband met de vermist geraakte tv’s en matrassen onvoldoende gemotiveerd weersproken. De vermist geraakte tv’s vertegenwoordigen een totale waarde van € 61.762,00. Het schadebedrag dat verband houdt met de vermist geraakte matrassen is onbekend. De rechtbank overweegt dat het bedrag van € 61.762,00 in verband met de vermist geraakte tv’s Factris’ vordering in verband met het bewaarloon ad € 19.114,24 zodanig overstijgt dat een verdere beoordeling van de schadevordering van TIC voor deze zaak niet nodig is. Ook indien rekening gehouden wordt met de door Factris gevorderde wettelijke rente aan de ene kant en de verzekeringsuitkering van € 10.000,- die TIC ontvangen heeft aan de andere kant.

Uit het voorgaande volgt dat TIC een vordering heeft die het te betalen bedrag aan bewaarloon ruimschoots overstijgt. De rechtbank zal hierna beoordelen of TIC deze vordering kan verrekenen.

Kan TIC haar vordering verrekenen?

Bij de beoordeling van TIC’s beroep op verrekening kijkt de rechtbank naar artikel 6:127 e.v. BW. Uit lid 1 van artikel 6:127 volgt dat de schuldenaar de bevoegdheid heeft tot verrekening wanneer de schuldenaar een prestatie te vorderen heeft die beantwoordt aan zijn schuld jegens dezelfde wederpartij en hij bevoegd is zowel tot betaling van de schuld als tot het afdwingen van de betaling van de vordering. In artikel 6:130 lid 1 BW is bepaald dat als een vordering onder bijzondere titel is overgegaan de schuldenaar bevoegd is ondanks de overgang ook een tegenvordering op de oorspronkelijke schuldeiser in verrekening te brengen, mits deze tegenvordering uit dezelfde rechtsverhouding als de overgegane vordering voortvloeit of reeds vóór de overgang aan hem is opgekomen en opeisbaar is geworden.

Contractueel verrekeningsverbod?

Factris trekt in twijfel of TIC wel bevoegd is een beroep op verrekening te doen in verband met een eventueel contractueel verrekeningsverbod overeengekomen tussen TIC en BMD. TIC betwist dat een dergelijk verbod overeengekomen is. Zij wijst erop dat uit de door haar in het geding gebrachte correspondentie met BMD’s aansprakelijkheidsverzekeraar ook blijkt dat TIC en BMD niet de toepasselijkheid van branchevoorwaarden (met eventueel verrekeningsverbod) overeengekomen zijn. De rechtbank is van oordeel dat Factris op geen enkele wijze concreet heeft gemaakt dat tussen TIC en BMD een contractueel verrekeningsverbod overeengekomen is welk verbod Factris nu zou kunnen tegenwerpen aan TIC. Dat Factris niet beschikt over alle stukken waarover zij had willen beschikken omdat BMD’s curator (nog) geen stukken verstrekt heeft, ligt binnen de risicosfeer van Factris. Zij contracteerde immers met BMD.

Tijdstip ontstaan schadevergoedingsvordering

Factris betwist allereerst dat de schadevergoedingsvordering opeisbaar is. Zonder nadere toelichting van de zijde van Factris, die ontbreekt, ziet de rechtbank niet in waarom deze vordering niet opeisbaar zou zijn.

Ten tweede betwist Factris dat de schade als gevolg van het niet nakomen van de verplichtingen onder de bewaarnemingsovereenkomst is ontstaan voordat BMD’s vordering tot betaling van het in deze procedure gevorderde bewaarloon ontstond. Volgens Factris dateert de ontstane schade van ná de mededelingen van cessie op de facturen of pas van na het faillissement.

Deze vraag is relevant in het kader van artikel 6:130 BW, zoals hiervoor in r.o. 4.23 geschetst. De rechtbank concludeert dat de schade ontstaan als gevolg van de vermissing van televisies en matrassen dateert van vóór de cessie van de facturen waarvan betaling gevorderd wordt. De rechtbank licht dit oordeel toe. Factris vordert in deze procedure betaling van bewaarloon over de periode week 21 t/m week 26 van 2022, dat wil zeggen van 23 mei t/m 2 juli 2022. Uit de hiervoor in r.o. 4.17 genoemde stukken volgt dat BMD op 22 maart 2022 bij TIC melding heeft gemaakt van de vermissing van 15 smart tv’s. Vervolgens doet BMD op 18 mei 2022 aangifte van verduistering van verschillende (andere) goederen. Wat TIC betreft meldt BMD aan de politie dat er 124 televisies en een aantal matrassen missen. Volgens de bestuurders van BMD was eigen personeel van BMD betrokken bij de verdwijning van deze zaken. De rechtbank concludeert dat deze correspondentie dateert van vóór de periode waarover bewaarloon gevorderd wordt.

Verder weegt de rechtbank nog het volgende mee. TIC heeft ter zitting gemotiveerd toegelicht dat er in de periode voorafgaand aan het faillissement niet verrekend werd tussen TIC en BMD onderling. Ook ziet de rechtbank niet in waarom de omstandigheid dat TIC pas na BMD’s faillissement een aansprakelijkstelling gestuurd heeft in verband met de verduistering van de 124 televisies en matrassen in de weg zou staan aan het beroep op verrekening. Het moment waarop een aansprakelijkstelling verstuurd wordt, zegt immers niets over het moment waarop de gestelde schade ontstond. Het komt de rechtbank voor dat Factris’ argumenten ingegeven zijn door de gedachte dat fraude gepleegd wordt. De rechtbank herhaalt dat zij hiervoor geen aanwijzingen ziet in het procesdossier.

Verhouding Factris / TIC

Voor zover Factris bedoeld heeft op de zitting een beroep te doen op schending van de klachtplicht door TIC, geldt het volgende. Gelet op het hiervoor geschetste tijdsverloop, kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden gezegd dat TIC de schades te laat gemeld heeft bij BMD. De rechtbank ziet dan ook niet in dat TIC haar klachtplicht geschonden zou hebben. Als het zo is dat Factris niet of onvoldoende op de hoogte werd gehouden over schademeldingen door BMD, dan moet dit voor rekening en risico van Factris komen.

Conclusie t.a.v. beroep op verrekening door TIC

De rechtbank komt tot de conclusie dat TIC’s beroep op verrekening van geleden schade met het gevorderde bewaarloon slaagt. Deze conclusie heeft tot gevolg dat ook dit deel van Factris’ vordering zal worden afgewezen.

Verschaffen informatie en inzage in stukken

Tijdens de mondelinge behandeling heeft Factris deze eis verminderd. Op dit moment moet nog worden beoordeeld of TIC verplicht kan worden de volgende informatie/documentatie te verstrekken:

Correspondentie van TIC met alle betrokken verzekeraars;

Het expertiserapport opgemaakt door [bedrijf], opgesteld in opdracht van BMD’s aansprakelijkeidsverzekeraar;

De klacht van [naam] aan het adres van TIC;

Informatie over wat er gebeurd is met de aangifte van de verduistering van 124 tv’s.

Tijdens de mondelinge behandeling heeft Factris toegelicht dat zij deze informatie (enkel) wil ontvangen met het doel om vast te stellen wanneer de in verrekening gebrachte schade is ontstaan. Ook wil Factris kunnen vaststellen of deze schade niet al voorafgaand aan het faillissement verrekend werd tussen TIC en BMD. Tot slot voert Factris aan dat zij wil bezien of er mogelijkheden zijn om BMD’s oud-bestuurder aansprakelijk te stellen. TIC meent dat zij alle relevante informatie en documentatie al bij conclusie van antwoord heeft aangeleverd. Zij betwist dat Factris nog een belang heeft bij het ontvangen van de hiervoor genoemde informatie/documentatie.

De rechtbank overweegt als volgt. In artikel 843a lid 1 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is bepaald dat hij die daarbij (i) rechtmatig belang heeft, op zijn kosten inzage, afschrift of uittreksel kan vorderen van (ii) bepaalde bescheiden aangaande (iii) een rechtsbetrekking waarbij hij of zijn rechtsvoorgangers partij zijn, van degene die deze bescheiden tot zijn beschikking of onder zijn berusting heeft. Hij die uit hoofde van zijn ambt, beroep, of betrekking tot geheimhouding verplicht is, is niet gehouden aan deze vordering te voldoen, indien de bescheiden uitsluitend uit dien hoofde te zijner beschikking staan of onder zijn berusting zijn (lid 3). In lid 4 is, ten slotte, bepaald dat degene die de bescheiden te zijner beschikking of onder zijn berusting heeft, niet gehouden is aan deze vordering te voldoen, indien daarvoor gewichtige redenen zijn, alsmede indien redelijkerwijs aangenomen kan worden dat een behoorlijke rechtsbedeling ook zonder verschaffing van de gevraagde gegevens is gewaarborgd.

Gelet op hetgeen de rechtbank hiervoor in r.o. 4.27 (tijdstip ontstaan schade) en r.o. 4.20 (uitkering betrokken verzekeraars) heeft overwogen, ziet de rechtbank niet in waarom Factris nog belang zou hebben bij het verkrijgen van informatie of documentatie over de genoemde onderwerpen. Ook ziet de rechtbank niet in waarom TIC het expertiserapport van BMD’s aansprakelijkheidsverzekeraar zou moeten delen. De rechtbank wijst er nogmaals op dat het voor Factris’ risico komt dat zij tot dit moment kennelijk geen informatie heeft weten te verkrijgen van BMD via BMD’s curator. De enkele stelling dat Factris de informatie goed kan gebruiken voor een eventuele aansprakelijkstelling aan het adres van BMD’s oud-bestuurder valt zonder nadere toelichting, die ontbreekt, ook niet te volgen. Kortom: dit deel van BMD’s vordering zal worden afgewezen.

Tot slot zal de rechtbank ook het tweede gedeelte van de subsidiaire vordering afwijzen. In deze procedure is (enkel) komen vast te staan dat TIC een bedrag van € 10.000,- heeft ontvangen van BMD’s aansprakelijkheidsverzekeraar. Dit bedrag is door de rechtbank al meegenomen in de beoordeling van TIC’s beroep op verrekening. Van andere uitkeringen is niet gebleken. De rechtbank verwijst naar hetgeen zij hiervoor heeft overwogen.

Eindconclusie

Al Factris’ vorderingen zullen worden afgewezen. Dit vanwege TIC’s geslaagde beroep op verjaring enerzijds en verrekening anderzijds. Verder heeft Factris onvoldoende belang bij toewijzing van het subsidiair gevorderde.

Proceskostenveroordeling

Factris is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. Deze beslissing zal uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard. De proceskosten van TIC worden begroot op:

- griffierecht

2.889,00

- salaris advocaat

3.035,00

(2,5 punten × € 1.214,00)

- nakosten

178,00

(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)

Totaal

6.102,00

5. De beslissing

De rechtbank

wijst de vorderingen van Factris af,

veroordeelt Factris in de proceskosten van € 6.102,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening als Factris niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,

verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. Roose en in het openbaar uitgesproken op 17 december 2025.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?