RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Middelburg
Zaaknummer: C/02/439252 / JE RK 25-1573
Datum uitspraak: 19 september 2025
Beschikking van de kinderrechter over een machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de gecertificeerde instelling STICHTING JEUGDBESCHERMING WEST ZEELAND, gevestigd te Middelburg,
hierna te noemen de GI,
over
[minderjarige] , geboren op [geboortedag] 2009 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbende aan:
[de moeder] ,
hierna te noemen de moeder,
wonende in [woonplaats] ,
advocaat mr. S.J. Nijssen uit Goes.
1. Het verloop van de procedure
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 29 augustus 2025.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 19 september 2025. Daarbij waren aanwezig:
- de moeder met haar advocaat;
- twee vertegenwoordigsters van de GI.
De kinderrechter heeft [minderjarige] naar zijn mening gevraagd. [minderjarige] heeft hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.
2. De feiten
De kinderrechter heeft bij beschikking van 14 juli 2025 [minderjarige] voorlopig onder toezicht gesteld met ingang van 14 juli 2025 en tot 28 juli 2025 en een spoedmachtiging verleend [minderjarige] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder met ingang van 14 juli 2025 en tot 28 juli 2025, zonder voorafgaand
verhoor van belanghebbenden.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 21 juli 2025 de voorlopige ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengd tot 14 oktober 2025.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 21 juli 2025 de machtiging verlengd [minderjarige] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder tot 14 oktober 2025.
3. Het verzoek
De GI verzoekt een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een gezinsgerichte voorziening te verlenen voor de duur van de ondertoezichtstelling en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
4. De standpunten
In gesprek met de kinderrechter vertelt [minderjarige] dat het goed met hem gaat. Hij verblijft nu al een tijdje bij de moeder. De stiefvader is nu voor langere tijd op vakantie naar Marokko. [minderjarige] is dus alleen thuis met de moeder. [minderjarige] geeft aan niet naar een gezinshuis te willen. Hij wil het liefste gewoon thuis bij de moeder blijven, ook wanneer stiefvader en zou zijn. Het gaat goed tussen [minderjarige] en de stiefvader. Er is geen ruzie meer. [minderjarige] geeft aan dat de verhalen die hij eerder heeft verteld over de stiefvader, niet kloppen. Hij praatte toen met zijn opa en oma mee. Er is niks meer aan de hand. Bij [accommodatie] vindt [minderjarige] het niet fijn. Ze maken dingen daar ook erger dan het is. [minderjarige] is gestopt met het verkopen van softdrugs. [minderjarige] vindt het niet fijn als de moeder alleen is en wil terug naar huis.
De GI stelt ter onderbouwing van haar verzoek dat de afgelopen periode zeer turbulent is verlopen; er hebben rondom [minderjarige] meerdere incidenten plaatsgevonden die de veiligheid van [minderjarige] , maar ook die van de andere jeugdigen en het personeel van de woongroep, in gevaar hebben gebracht. De groep kan de veiligheid niet langer waarborgen. De stiefvader van [minderjarige] oefende een negatieve en dreigende invloed uit. Hij heeft meerdere keren agressief en intimiderend gedrag vertoond richting [minderjarige] , de groep en de betrokken hulpverlening. Zo heeft de stiefvader onder andere geuit de minderjarige om het leven te willen brengen. De minderjarige is meerdere keren weggelopen van de groep. De GI heeft de hypothese dat hij zich onveilig voelt door de uitspraken van de stiefvader, maar ook doordat hij te weinig regels en structuur aangeboden krijgt. Er is vanuit [accommodatie] te weinig zicht op het verblijf en de activiteiten van [minderjarige] . Er zijn zorgen over zijn gedrag; er is sprake van schoolverzuim, handelen in softdrugs, het hebben van vrienden die aan drillrap doen en het bij zich hebben van een mes. De situatie is niet langer houdbaar. In het gezinshuis kunnen ze [minderjarige] meer nabijheid, structuur en liefde bieden. Tevens biedt het gezinshuis zicht het dagelijks functioneren en de activiteiten van [minderjarige] . Plaatsing in een gezinshuis is naar het standpunt van de GI aldus noodzakelijk om de ontwikkeling van [minderjarige] weer centraal te stellen en hem een veilige leefomgeving te bieden. Ter gelegenheid van de mondelinge behandeling benadrukt de GI dat [minderjarige] op de huidige groep niet op zijn plek zit. Anders dan de moeder zegt, stelt de GI dat de stiefvader weldegelijk de beschreven bedreigingen heeft geuit. Wat er precies is gebeurd weet de vertegenwoordigster van de GI niet. De plaatsing bij het gezinshuis zou kunnen werken wanneer [minderjarige] hier niet achter staat. De Gi hoopt dat [minderjarige] meewerkt. De GI kan niet aangeven of het een idee is dat [minderjarige] naar huis gaat nu de stiefvader hier niet is en dat in de thuissituatie wordt gekeken hoe het gaat, hiervoor hebben de vertegenwoordigsters van de GI te weinig zicht op de situatie.
Door en namens de moeder is tijdens de mondelinge behandeling het volgende naar voren gebracht. Het gaat de laatste tijd hartstikke goed in de thuissituatie. Er zijn een hoop leugens verteld en mensen worden tegen elkaar opgezet. Er zou worden gewerkt aan het terug naar huis kunnen gaan van [minderjarige] , maar er is nog geen enkele vorm van hulp ingezet. Het gaat nu goed met de stiefvader. Hij heeft suikerziekte waardoor hij agressief kon reageren, maar dit is nu onder controle. Er is geen sprake (geweest) van huiselijk of geestelijk geweld. De moeder is niet bang voor de veiligheid van [minderjarige] bij haar thuis; als ze dat wel was geweest, zou ze zijn weggegaan. De stiefvader heeft de moeder of [minderjarige] nooit aangeraakt. Opa en oma hebben een grote rol gespeeld in het verhaal wat [minderjarige] hierover heeft verteld. De GI mag de thuissituatie komen bekijken, maar er is, behalve één gesprek, nog niks ingezet. De stiefvader is tot eind oktober, begin november in Marokko. Ook hij staat erachter dat [minderjarige] weer naar huis komt. Niet getwijfeld wordt aan de opvoedcapaciteiten van de moeder. De stiefvader ontkent de beschuldigingen. Van de GI mag verwacht worden dat er bewijs komt waaruit blijkt wat er daadwerkelijk gebeurd is. Er zijn nu twee verschillende verhalen. Wat met zekerheid gezegd kan worden is dat [minderjarige] bij [accommodatie] niet op zijn plek zit. Er moet iets gebeuren. [minderjarige] wil graag naar huis. Onvoldoende duidelijk is of stiefvader het probleem vormt; er is geen hulpverlening thuis. Niet ingeschat kan worden hoe de thuissituatie eruit ziet. [minderjarige] is nu thuis met medeweten van JBw, terwijl de stiefvader er nu niet is. Namens de moeder geeft de advocaat aan dat [minderjarige] terug naar huis kan zolang de stiefvader er niet is. In die periode kan de GI vervolgens bekijken hoe de thuissituatie er daadwerkelijk uit ziet en kunnen zij in het kader van de ondertoezichtstelling sturing geven. Hier is geen machtiging tot uithuisplaatsing voor nodig. Het is te kort door de bocht om [minderjarige] nu naar het gezinshuis te sturen. Hij geeft zelf ook aan hier weg te lopen. De plaatsing aldaar schiet dan zijn doel voorbij, temeer omdat de situatie erg onduidelijk is en de stiefvader er nu niet is. De advocaat verzoekt de machtiging tot uithuisplaatsing af te wijzen, zodat de minderjarige naar huis kan en de GI in het kader van te ondertoezichtstelling kan aangeven wat nodig is binnen de gezinssituatie van de moeder.
5. De beoordeling
Op basis van het bepaalde in artikel 1:265b lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de kinderrechter de GI, die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling, op haar verzoek machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid.
De kinderrechter oordeelt als volgt. Gebleken is dat er twee zeer uiteenlopende visies op de situatie bestaan. Voor de kinderrechter is allereerst vast komen te staan dat [minderjarige] binnen de huidige machtiging tot uithuisplaatsing bij [accommodatie] niet langer op zijn plek zit. De situatie aldaar is onhoudbaar geworden. Een langer verblijf van [minderjarige] bij [accommodatie] is, zoals ook de GI aangeeft, niet langer in zijn belang. Duidelijk is aldus dat er iets moet gebeuren. [minderjarige] moet immers op een passende en geschikte plek kunnen verblijven welke het meest tegemoet komt aan zijn ontwikkeling en waarbij zijn veiligheid kan worden gewaarborgd. Thans ligt aldus voor de vraag of, zoals de GI stelt, een plaatsing bij een gezinsgerichte voorziening, meer specifiek bij gezinshuis Huis van Hoop, het meest in het belang is van [minderjarige] of, zoals [minderjarige] en de moeder stellen, dat het het meest in het belang is van [minderjarige] wanneer hij weer terug bij de moeder gaat wonen. De kinderrechter overweegt ter beantwoording van deze vraag als volgt. Ter onderbouwing van haar verzoek heeft de GI gesteld dat de stiefvader een groot risico vormt voor de veiligheid van [minderjarige] . Tegelijkertijd geeft de GI aan dat er geen zorgen bestaan over de opvoedcapaciteiten van de moeder. Anders dan ten tijde van de indiening van het onderhavige verzoek is de stiefvader op dit moment voor een langere periode in Marokko ter afwikkeling van de erfenis van zijn vader. Hoewel de zorgen van de GI over de stiefvader door de moeder en door [minderjarige] stellig worden ontkend, is voor de kinderrechter onvoldoende duidelijk of en in welke mate de stiefvader een bedreiging vormt voor de veiligheid van [minderjarige] . Met de GI is de kinderrechter het eens dat met de mogelijkheid dat de stiefvader dergelijke heftige uitspraken heeft gedaan, zoals gesteld door de hulpverlening, inhoudende [minderjarige] van het leven te willen beroven, in beginsel geen enkel risico genomen moet worden. Voor de kinderrechter is de gewijzigde situatie, namelijk dat de stiefvader in ieder geval komende maand niet bij de moeder in de thuissituatie verblijft, echter voldoende om te veronderstellen dat daarmee de thuissituatie voor [minderjarige] op dit moment niet (langer) onveilig is, uitgaande van de informatie van de GI dat aan de zijde van de moeder geen zorgen zijn. De kinderrechter acht het dan ook in het belang dat [minderjarige] de komende periode, zolang de stiefvader niet terug is, bij de moeder zal verblijven. Hierbij neemt de kinderrechter in overweging dat door de GI tijdens de mondelinge behandeling onvoldoende onderbouwd is weersproken dat de situatie bij de moeder thuis bij afwezigheid van de stiefvader niet veilig zou zijn voor [minderjarige] . Ook neemt de kinderrechter bij haar beslissing de uitgesproken wens van [minderjarige] in overweging. [minderjarige] voelt zich fijn bij de moeder en is graag bij haar. Van groot belang is dat de GI de komende periode zicht krijgt op de thuissituatie van de moeder en dat zij de geuite zorgen concreet en meer inzichtelijk maken. De GI dient heel nadrukkelijk met alle betrokkenen rondom het gezin in gesprek te gaan en in kaart te brengen wat de daadwerkelijke situatie is, wat er wel en niet is gebeurd en vervolgens wat voor de toekomst het meest in het belang van [minderjarige] is. Aanvullend overweegt de kinderrechter nog dat zowel de situatie dat de door de GI geuite zorgen over de stiefvader blijken te kloppen, alsook de situatie dat deze niet blijken te kloppen, zeer zorgelijk is. Onderzocht moet worden hoe het komt dat [minderjarige] zo wisselende verhalen vertelt.
Vorengaande betekent dat het verzoek van de GI wordt afgewezen.
Nu voorts voor alle belanghebbenden duidelijk is dat de machtiging tot uithuisplaatsing bij [accommodatie] niet in het belang van [minderjarige] is zal deze worden ingetrokken.
6. De beslissing
De kinderrechter:
wijst het verzoek van de GI af;
trekt de bij beschikking van 21 juli 2025 verleende machtiging tot uithuisplaatsing in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder tot 14 oktober 2025 in.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 19 september 2025 door mr Verschoor-Bergsma, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Oude Weernink als griffier, en op schrift gesteld op 29 september 2025.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.