[verzoekster] , uit [plaats] , verzoekster
(gemachtigde: mr. F. Kaloudis),
en
De Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.
Inleiding
1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoekster inzake de weigering aan haar een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA) toe te kennen.
Op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is een zitting achterwege gebleven.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
2. Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
De voorzieningenrechter stelt voorop dat de voorlopige voorzieningenprocedure is bedoeld om in afwachting van de uitkomst van een bezwaar- of beroepsprocedure een voorlopige maatregel te treffen. Daarom speelt bij de beoordeling van een verzoek om voorlopige voorziening de spoedeisendheid een belangrijke rol.
3. Verzoekster heeft in haar verzoekschrift aangegeven dat haar recht op een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) per 25 november 2025 is beëindigd. Zij ontvangt momenteel geen andere inkomsten dan zorgtoeslag en kindgebonden budget. Verzoekster heeft een uitkering op grond van de Participatiewet aangevraagd, maar als deze wordt toegekend, zal dat zijn naar de kostendelersnorm aangezien verzoekster bij haar ouders inwoont. Ook het inkomen van de ouders van verzoekster is voor een groot deel weggevallen door ziekte van verzoeksters vader.
4. De voorzieningenrechter is van oordeel dat niet aannemelijk is gemaakt dat door verzoekster de bezwaarprocedure tegen het besluit van 26 mei 2025 tot weigering van een WIA-uitkering niet kan worden afgewacht. Van een financiële noodsituatie is niet gebleken. Uit het overzicht van kosten blijkt dat verzoekster haar eigen vaste lasten kan betalen met de ontvangen toeslagen. Verder kan verzoekster een beroep doen op een bijstandsuitkering om in haar kosten van bestaan te voorzien. Verzoekster heeft die uitkering ook aangevraagd en kan in afwachting van de beslissing daarop eventueel een voorschot vragen. Dat deze uitkering door het toepassen van de kostendelersnorm mogelijk lager zal zijn dan de eerder door verzoekster ontvangen ZW-uitkering, maakt niet dat sprake is van een financiële noodsituatie. De terugval in inkomsten van de ouders van verzoekster is niet relevant voor de vraag of verzoekster een spoedeisend belang heeft bij het treffen van een voorlopige voorziening. Het verzoek om een voorlopige voorziening zal dan ook worden afgewezen.
Beslissing
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A.M.L. van de Sande, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. S. Constant, griffier, op 22 december 2025 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De griffier is niet in de gelegenheid deze uitspraak mede te ondertekenen.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: