RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team jeugd
Zittingsplaats: Breda
parketnummer: 02-206093-24
vonnis van de meervoudige kamer van 23 december 2025
in de strafzaak tegen de minderjarige
[verdachte]
geboren op [geboortedag] 2006 te [geboorteplaats] (Syrië),
wonende aan [woonadres] ,
raadsman mr. J.C.B. Dionisius, advocaat te Breda.
1. Onderzoek van de zaak
De zaak is inhoudelijk behandeld met gesloten deuren op de zitting van 9 december 2025, waarbij de officier van justitie, mr. S.A.J. Louwers, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.
2. De tenlastelegging
De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.
De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte samen met anderen een straatroof heeft gepleegd waarbij met geweld, goederen van [benadeelde] zijn afgeperst.
3. De voorvragen
De dagvaarding is geldig.
De rechtbank is bevoegd.
De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.
Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.
4. De beoordeling van het bewijs
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte samen met anderen de tenlastegelegde straatroof heeft gepleegd. De officier van justitie gaat er hierbij van uit dat verdachte een wezenlijk aandeel heeft gehad bij de straatroof en niet dat hij enkel is meegereden naar de plaats delict en in de auto is blijven zitten, zoals hij zelf heeft verklaard.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging is primair van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen, omdat verdachte niet bij de feitelijke straatroof aanwezig is geweest en er evenmin sprake was van een nauwe en bewuste samenwerking met de medeverdachte(n). Verdachte had ook niet het opzet op de straatroof.
De verdediging is subsidiair van mening dat enkel bewezen kan worden verklaard dat de straatroof door twee verdachten is uitgevoerd. Ook voor het gebruik van een vuurwapen is onvoldoende bewijs. De verdediging verzoekt verdachte bij een bewezenverklaring van het tenlastegelegde hiervan partieel vrij te spreken.
Het oordeel van de rechtbank
De bewijsmiddelen
De bewijsmiddelen zijn in bijlage II aan dit vonnis gehecht.
De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs
Op grond van de bewijsmiddelen staat vast dat op 29 mei 2023 aan de Kleine Bospolder in Kruisland een straatroof heeft plaatsgevonden. Niet ter discussie staat dat aangever [benadeelde] door [medeverdachte 1] naar een afgelegen plek is gelokt, waar [benadeelde] vervolgens door in elk geval twee jongens is geslagen, geschopt en gedwongen om al zijn kleding, met daarin zijn sleutels, bankpas en identiteitsbewijs, af te geven. De vraag die de rechtbank moet beantwoorden, is of verdachte een rol heeft gehad bij deze straatroof, en zo ja, of deze rol als strafrechtelijk verwijtbaar moet worden gezien. De rechtbank beantwoordt deze vraag bevestigend en overweegt hiertoe als volgt.
De rechtbank stelt voorop dat verdachte ter zitting heeft verklaard dat hij met twee andere personen in een auto is meegereden naar de plaats delict, alwaar deze andere personen zijn uitgestapt en de straatroof hebben gepleegd. Verdachte stelt pas nadien van de straatroof op de hoogte zijn gesteld. De rechtbank is van oordeel dat de verklaring van verdachte onge-loofwaardig is. Niet alleen is hetgeen verdachte heeft verklaard weinig concreet en daarom niet verifieerbaar, maar verdachte is ook pas op zitting met deze verklaring gekomen nadat hij bekend was met de inhoud van het dossier. Voorts heeft verdachte na kritische ondervraging op zitting zijn verklaring opnieuw bijgesteld. Tot slot wordt de verklaring van verdachte weersproken door andere bewijsmiddelen in het dossier.
De rechtbank overweegt dat [medeverdachte 1] over de straatroof, de aanloop daar naartoe en de rol die verdachte zou hebben gehad, een uitgebreide verklaring heeft afgelegd. Zij is door verdachte onder druk zijn gezet om [benadeelde] naar een afgelegen plek te lokken, zodat verdachte daar geld van [benadeelde] kon afnemen. Op de dag dat [medeverdachte 1] een afspraak met [benadeelde] had gemaakt, is zij met verdachte en [medeverdachte 2] , in een auto naar de afgesproken plek in Kruisland gereden. Hier heeft zij op [benadeelde] gewacht. Nadat [benadeelde] aan was gekomen heeft zij hem, zoals met verdachte afgesproken, naar een nabij gelegen beboste plek gelokt. Daar hebben verdachte en [medeverdachte 2] [benadeelde] overvallen en is [medeverdachte 1] zoals afgesproken weggerend. Zij heeft bij de auto op verdachte en [medeverdachte 2] gewacht. Na hun terugkomst bij de auto hebben zij [medeverdachte 1] verteld dat zij [benadeelde] in elkaar hadden geslagen en dat ze hem zijn kleding uit hadden laten doen, welke zij hadden meegenomen. Vervolgens zijn zij met z’n drieën samen weggereden.
De rechtbank stelt vast dat de verklaring van [medeverdachte 1] grotendeels aansluit bij de verklaring van [benadeelde] zelf. [benadeelde] heeft immers verklaard door [medeverdachte 1] naar de plaats delict te zijn gelokt en met [medeverdachte 1] richting de bossen te zijn gelopen, waarna zij is weggerend op het moment dat hij bij de bossen werd benaderd door de jongens die hem vervolgens hebben afgeperst. De rechtbank acht de verklaring van [medeverdachte 1] daarom betrouwbaar. Niet alleen omdat deze op wezenlijke onderdelen steun vindt in de aangifte, maar ook omdat [medeverdachte 1] zichzelf belast en concrete verifieerbare informatie over haar medeverdachten heeft gedeeld. De rechtbank zal de verklaring van [medeverdachte 1] daarom als uitgangspunt nemen bij de verdere beoordeling.
Op grond van de verklaring van [medeverdachte 1] alsmede op grond van de aangifte, en het feit dat verdachte heeft verklaard met anderen naar de plaats delict te zijn gereden waar de straatroof heeft plaatsgevonden, acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte een van de jongens was die [benadeelde] heeft geslagen, geschopt en heeft gedwongen om zijn kleding af te staan. Hierbij was sprake van medeplegen, nu verdachte bij de straatroof samen heeft gehandeld met een medeverdachte en daarmee een wezenlijke bijdrage heeft gehad in de straatroof.
Voor zover de verdediging heeft betoogd dat geen sprake was van opzet op het medeplegen, overweegt de rechtbank dat verdachte weldegelijke opzet heeft gehad op de straatroof nu sprake was van een door verdachte vooropgezet plan om [benadeelde] naar een plek te lokken om hem aldaar geld van hem af te nemen, welke straatroof vervolgens ook mede door verdachte is uitgevoerd.
De rechtbank spreekt verdachte partieel vrij van het gebruik van een vuurwapen bij de straatroof, nu het dossier hiervoor slechts één bewijsmiddel bevat en de rechtbank niet de overtuiging heeft dat ook daadwerkelijk een vuurwapen is gebruikt.
De bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte
op 29 mei 2023 te Kruisland, tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en bedreiging met geweld
[benadeelde] heeft gedwongen tot de afgifte van
-kleding, en
-een sleutelbos, en
- een creditcard en
- een ID-kaart,
door
- af te spreken met die [benadeelde] op een afgelegen locatie, en
- met een persoon op die [benadeelde] af te lopen
, en
- die [benadeelde] de woorden toe te voegen 'Open je
bank-app', 'Kleed je uit', 'Blijf een kwartier zo liggen voordat je gaat', en 'Geen
politie anders pakken we je hele familie', althans woorden van gelijke aard en/of
strekking,
- en
- die [benadeelde] meermalen, tegen lichaamsdelen te schoppen en slaan.
Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.
De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.
5. De strafbaarheid
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Dit levert het in de beslissing genoemde strafbare feit op.
Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.
6. De strafoplegging
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen 63 dagen jeugddetentie, met aftrek van voorarrest, waarvan 60 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar en daarbij de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad). De officier van justitie vordert tevens aan verdachte op te leggen een taakstraf in de vorm van een werkstraf van 160 uur.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat bij bewezenverklaring een lagere werkstraf dient te worden opgelegd. De verdediging kan zich vinden in het overige deel van de strafeis.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank houdt bij de strafoplegging rekening met de ernst van het bewezen verklaarde feit, de omstandigheden waaronder dit feit is begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.
De ernst van het feit
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het medeplegen van een straatroof op [benadeelde] . Verdachte heeft een medeverdachte onder druk gezet om [benadeelde] naar een afgelegen plek te lokken waar verdachte en een medeverdachte [benadeelde] vervolgens hebben afgeperst. Verdachte en medeverdachte hebben hem geslagen en al zijn kleren uit laten doen. Vervolgens hebben zij hem gefilmd terwijl hij naakt was en gedwongen werd zijn geslachtsdeel te laten zien. Dit filmpje is vervolgens ook nog eens gedeeld met anderen. Nadien is [benadeelde] naakt, in hulpeloze toestand in de bossen achtergelaten. Al deze omstandigheden gaan de gemiddelde straatroof te boven. [benadeelde] was compleet overgeleverd aan de grillen van verdachte en de medeverdachte. Hij is vernederd, had te ondergaan wat zij met hem van plan waren en is daarna hulpeloos achtergelaten op een afgelaten plek. Verdachte heeft met zijn handelen ernstig inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer en lichamelijke integriteit van [benadeelde] en zijn gevoel van veiligheid aangetast. Ook is door het handelen van verdachte en zijn medeverdachten het vertrouwen van [benadeelde] in anderen beschadigd. De rechtbank neemt verdachte zijn handelen zeer kwalijk.
Persoon van verdachte
De rechtbank heeft acht geslagen op het strafblad van verdachte, waaruit volgt dat hij eerder is veroordeeld voor een geweldsdelict.
Uit het rapport van de Raad van 9 oktober 2025 volgt dat sprake is van hoge risicofactoren op het gebied van werk, vrije tijd, financiën, alcohol-, drugsgebruik en gokken en een middel hoog risico voor wat betreft school en houding. Het totaal dynamisch risico profiel komt echter uit op laag. De Raad merkt hierbij op dat verdachte geen toestemming heeft gegeven om contact op te nemen met zijn ouders, waardoor zij de informatie die zij van verdachte hebben gekregen niet hebben kunnen objectiveren en de scores niet betrouwbaar zijn. Er is sprake van een zwaar delict, waardoor het taakstrafverbod van toepassing is. De Raad ziet geen reden om hiervan af te wijken. De Raad adviseert om aan verdachte een onvoorwaardelijke werkstraf en een voorwaardelijke jeugddetentie op te leggen, zodat verdachte de consequenties zal ervaren van het forse geweldsdelict dat hij heeft gepleegd en zodat hij een stok achter de deur heeft ter voorkoming van recidive. De Raad adviseert tevens om aan verdachte als bijzondere voorwaarde reclasseringstoezicht op te leggen, waarbij verdachte dient te werken aan de risicofactoren die zien op vrije tijd en houding. Reclassering Nederland is hiervoor de meest aangewezen instantie, nu verdachte bijna 20 jaar oud is, hij geen betrokkenheid van zijn ouders wil en hij een redelijk volwassen leven lijkt te leiden.
De vertegenwoordiger van de Raad heeft hier ter zitting op aangevuld dat verdachte zijn leven op dit moment goed organiseert. Zij hoopt dat verdachte uiteindelijk meer openheid van zaken zal geven, zodat verdachte kan praten over wat er is gebeurd en het delict geanalyseerd kan worden. De Raad adviseert een proeftijd van twee jaar op te leggen.
De vertegenwoordiger van de jeugdreclassering heeft ter zitting toegelicht dat de begeleiding van verdachte na een wat mindere start uiteindelijk goed is verlopen. De jeugdreclassering heeft verdachte begeleid bij vooral praktische zaken, omdat verdachte geen toestemming geeft voor contact met zijn ouders en sociale contacten. De jeugdreclassering acht hierom begeleiding van Reclassering Nederland ook passender. De jeugdreclassering schaart zich volledig achter het advies van de Raad, dat in samenspraak met de jeugdreclassering tot stand is gekomen.
De op te leggen straf
Bij het bepalen van de straf heeft de rechtbank, naast het hiervoor genoemde, ook gekeken naar straffen die in soortgelijke zaken zijn opgelegd en naar de LOVS-oriëntatiepunten voor de straftoemeting voor minderjarigen. Tevens houdt de rechtbank rekening met de artikelen 63 en 77ma van het Wetboek van Strafrecht (Sr).
Alles afwegend zal de rechtbank aan verdachte 64 dagen jeugddetentie, met aftrek van voorarrest, waarvan 60 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar, en een taakstraf in de vorm van een werkstraf van 80 uren opleggen. De rechtbank komt uit op een lagere straf dan geëist, omdat zij niet komt tot bewezenverklaring van het gebruik van een vuurwapen.
7. De benadeelde partij
De benadeelde partij [benadeelde] vordert een schadevergoeding van € 31.712,75, bestaande uit € 30.000,00 immateriële schade en € 1.712,75 materiële schade.
De rechtbank stelt vast dat de feiten en omstandigheden die tot toewijzing van het gevorderde bedrag zouden kunnen leiden niet voldoende vast staan nu de schade niet is onderbouwd. Verdere beoordeling van de vordering levert naar het oordeel van de rechtbank een onevenredige belasting van het strafgeding op, zodat de benadeelde partij niet-ontvankelijk in zijn vordering zal worden verklaard. De vordering kan bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
8. De wettelijke voorschriften
De beslissing berust op de artikelen 47, 63, 77a, 77g, 77i, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z, 77aa en 317 van het Wetboek van Strafrecht zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.
9. De beslissing
De rechtbank:
Bewezenverklaring
- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4. is omschreven;
- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;
Strafbaarheid
- verklaart dat het bewezenverklaarde het volgende strafbare feit oplevert:
afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen
- verklaart verdachte strafbaar;
Strafoplegging
- veroordeelt verdachte tot een jeugddetentie van 64 dagen, waarvan 60 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar;
- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde jeugddetentie;
- bepaalt dat deze jeugddetentie niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, omdat verdachte voor het einde van de proeftijd na te melden voorwaarden niet heeft nageleefd;
- stelt als algemene voorwaarde dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
- stelt als bijzondere voorwaarde
- dat verdachte zijn medewerking verleent aan de door Reclassering Nederland ter voorkoming van recidive noodzakelijk geachte hulpverlening;
- draagt Reclassering Nederland op om aan verdachte hulp en steun te verlenen bij de naleving van deze voorwaarde;
- stelt dat van rechtswege gelden de voorwaarden:
* dat verdachte ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit, medewerking verleent aan het nemen van vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage biedt;
* dat verdachte medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht, daaronder begrepen;
- veroordeelt verdachte daarnaast tot een werkstraf van 80 uren;
- beveelt dat indien verdachte de werkstraf niet naar behoren verricht, vervangende jeugddetentie zal worden toegepast van 40 dagen;
Benadeelde partij
- verklaart de benadeelde partij [benadeelde] niet-ontvankelijk in zijn vordering en bepaalt dat de vordering bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht;
Voorlopige hechtenis
- heft het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis op.
Dit vonnis is gewezen door mr. De Jong, voorzitter, tevens kinderrechter, mr. Prenger en mr. Van der Hoeven, rechters, in tegenwoordigheid van Van Dijke, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 23 december 2025.
De oudste en jongste rechter zijn buiten staat om dit vonnis te ondertekenen.