RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Middelburg
Zaaknummer: C/02/439255 / JE RK 25-1575
Datum uitspraak: 19 september 2025
Beschikking van de kinderrechter over een voorwaardelijke machtiging gesloten jeugdhulp
in de zaak van
GEMEENTE TERNEUZEN te Terneuzen,
hierna te noemen het college,
over
[minderjarige] , geboren op [geboortedag] 2011 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [minderjarige] ,
advocaat mr. S. van Steenberge uit Middelburg.
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[ouder 1] ,
hierna te noemen de vader [ouder 1] ,
wonende in [plaats] ,
[ouder 2] ,
hierna te noemen de vader [ouder 2] ,
wonende in [plaats] .
1. Het verloop van de procedure
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 28 augustus 2025;
de instemmingsverklaring van de gedragswetenschapper d.d. 17 september 2025;
de mandateringen voor de gezinshuisouders d.d. 28 augustus 2025.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 19 september 2025. Daarbij waren aanwezig:
[minderjarige] met zijn advocaat;
de ouders;
twee gezinshuisouders, gemandateerd door het college;
een medewerkster van [hulpverlening] .
2. De feiten
De ouders zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
[minderjarige] verblijft bij [gezinsvervangend huis] .
3. Het verzoek
Het college verzoekt een voorwaardelijke machtiging te verlenen om [minderjarige] uit huis te plaatsen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp voor de duur van zes maanden.
De onafhankelijke gedragswetenschapper, dhr. [persoon] , heeft op 17 september 2025 middels een instemmingverklaring meegedeeld dat hij instemt met het verzoek.
De ouders stemmen in met de voorwaardelijke opname en het verblijf van [minderjarige] in een accommodatie voor gesloten jeugdhulp.
De jeugdhulpaanbieder heeft in het hulpverleningsplan van 18 augustus 2025 de voorwaarden opgenomen en de jeugdhulpaanbieder genoemd die bereid is [minderjarige] op te nemen. Ook is vermeld welke medewerker bevoegd is tot het nemen van het besluit tot opname.
4. De standpunten
Tijdens het gesprek met de kinderrechter heeft [minderjarige] verteld dat het een stuk beter met hem gaat. Hij ziet in dat wat hij doet of deed niet goed was en dat hij zichzelf hiermee in de vingers snijdt. [minderjarige] wil gaan focussen op zichzelf en stappen maken. [minderjarige] vindt het lastig om goed om te gaan met commentaar. [minderjarige] denkt dat een voorwaardelijke machtiging hem kan helpen op momenten dat hij het lastig heeft. Namens [minderjarige] geeft zijn advocaat aan dat het heel belangrijk is dat [minderjarige] kan blijven waar hij zit. Het is belangrijk dat maatwerk toegepast zal worden. [minderjarige] kan het niet overzien. Hij stemt in met het verzoek en de voorwaarden die aan hem zijn gesteld in het hulpverleningsplan. Wat betreft de termijn geeft de advocaat aan dat duidelijkheid het beste is voor [minderjarige] , daaom is de periode van zes maanden ook akkoord.
Ter onderbouwing van het verzoek stelt het college dat een voorwaardelijke machtiging noodzakelijk is, omdat [minderjarige] af en toe wegloopt, zich onttrekt aan de zorg van het gezinshuis en in situaties komt waarin zijn veiligheid in gevaar komt. De gezinshuisouders geven tijdens de mondelinge behandeling achter het verzoek te staan. Een voorwaardelijke machtiging is belangrijk voor [minderjarige] als stok achter de deur. [minderjarige] woont nu iets langer dan een jaar in het gezinshuis en het gaat op en af. [minderjarige] kent geen oorzaak en gevolg. Het kan zomaar ineens misgaan, zonder dat de hulpverleners dit zien aankomen. Eerder is [minderjarige] drie dagen spoorloos geweest.
De ouders geven tijdens de mondelinge behandeling aan dat het nu al een aantal weken prima gaat met [minderjarige] . Dit is een positieve ontwikkeling. Tegelijkertijd hebben de ouders angst voor wat komen gaat. In het verleden is het ook meermaals even beter gegaan, waarna het toch weer mis ging. Een gesloten opname is allesbehalve wenselijk en bevorderlijk, maar in het belang van de veiligheid van [minderjarige] stemmen de ouders in. Een kleinschalige opvang, zoals het gezinshuis, is het beste voor [minderjarige] . De bedoeling is dat hij hier zo lang mogelijk blijft. Dit kan het beste bereikt worden door een stok achter de deur in de vorm van een voorwaardelijke machtiging.
Tijdens de mondelinge behandeling geeft de medewerkster van [hulpverlening] aan dat [jeugdhulp] de enige (voorwaardelijke) optie is; zij stonden niet open voor een andere plek zoals [locatie 1] of [locatie 2] . [hulpverlening] beaamt wat de ouders aangeven. Er zijn vaker periodes geweest waarin het beter gaat met [minderjarige] . Dat is wel het wisselvallige beeld dat ze van hem kennen. [minderjarige] wil echt, maar door de slechte start van zijn leven kan hij bepaalde dingen niet overzien. Hierdoor raakt hij soms in heel onveilige situaties. Omdat het beeld zo wisselend is, is het belangrijk tijdig te kunnen ingrijpen. [minderjarige] zit op dit moment goed op zijn plek bij het gezinshuis.
5. De beoordeling
Gelet op het bepaalde in artikel 6.1.4, tweede lid, Jeugdwet kan een voorwaardelijke machtiging voor een gesloten accommodatie voor jeugdhulp slechts worden verleend indien naar het oordeel van de kinderrechter deze jeugdhulp noodzakelijk is in verband met ernstige opgroei- of opvoedingsproblemen die de ontwikkeling van de jeugdige naar volwassenheid ernstig belemmeren. Bovendien dienen de opneming en het verblijf noodzakelijk te zijn om te voorkomen dat de jeugdige zich aan deze jeugdhulp onttrekt of daaraan door anderen wordt onttrokken en dient de ernstige belemmering in de ontwikkeling naar volwassenheid alleen buiten de gesloten accommodatie te kunnen worden afgewend door het stellen en naleven van voorwaarden.
De kinderrechter is van oordeel dat, naast de formele vereisten in de Jeugdwet, is voldaan aan de wettelijke criteria van artikel 6.1.4, tweede lid, Jeugdwet en zal de voorwaardelijke machtiging voor een gesloten accommodatie voor jeugdhulp verlenen voor de duur van zes maanden te weten met ingang van 19 september 2025 en tot 19 maart 2025. De kinderrechter legt dit hierna uit.
Uit de overgelegde stukken en de mondelinge behandeling is gebleken dat er grote zorgen zijn over het gedrag wat [minderjarige] geregeld vertoont. [minderjarige] verblijft nu sinds ruim een jaar in het gezinshuis. Duidelijk is dat [minderjarige] bij het gezinshuis goed op zijn plek zit. Zij kunnen hem in beginsel de zorg en begeleiding bieden die hij nodig heeft. Hoewel het op dit moment weer een stuk beter gaat met [minderjarige] , is het beeld heel wisselend. Wanneer het niet goed gaat, nemen de zorgen in ernstige mate toe. [minderjarige] heeft een fascinatie voor wapens en vuurwerkbommen en is naar zowel groepsgenoten als -begeleiding fysiek en verbaal agressief. [minderjarige] kent geen inzicht in oorzaak-gevolg en toont geen schuldgevoel. Wanneer [minderjarige] dergelijke gedrag vertoont onttrekt hij zich aan de zorg en behandeling van het gezinshuis. Hij loopt dan weg en komt in situaties terecht waarin zijn veiligheid in gevaar komt. Op deze momenten kan [minderjarige] binnen het gezinshuis onvoldoende begrensd worden en is het in het belang van [minderjarige] noodzakelijk dat ingegrepen kan worden. Een voorwaardelijke machtiging zal tevens als stok achter de deur dienen en duidelijkheid bieden aan [minderjarige] .
Tijdens de mondelinge behandeling is (namens) [minderjarige] – naast dat [minderjarige] eerder al zijn handtekening onder het hulpverleningsplan heeft gezet – kenbaar gemaakt dat hij instemt en zich aan de voorwaarden zal gaan houden zoals opgenomen in het hulpverleningsplan van 18 augustus 2025. [minderjarige] begrijpt dat er consequenties aan zijn verbonden op het moment dat hij één of meerdere voorwaarden overtreedt. Zo kan hij dan (al dan niet als time-out) op een gesloten groep van [jeugdhulp] worden geplaatst. Zoals tijdens de mondelinge behandeling is besproken zal per situatie en eventueel incident maatwerk worden toegepast en worden bekeken of en welke consequentie het meest gepast is. De kinderrechter vindt het belangrijk dat iedereen weet aan welke voorwaarden [minderjarige] zich de zes drie maanden moet houden. Daarom neemt zij de voorwaarden, zoals opgesteld in het hulpverleningsplan en waarmee [minderjarige] heeft ingestemd, in deze beschikking op:
1. Je bent niet ongeoorloofd afwezig. Je maakt duidelijke afspraken met het gezinshuis en/of je ouders over activiteiten buitenshuis en de contacten die je hebt.
Je houdt je aan de 4 W’s.
Je hebt geen contacten met personen die jou aanzetten tot of betreffen bij risicovol of gewelddadig gedrag.
2. Je bent niet agressief richting anderen.
Je gebruikt geen fysiek geweld richting anderen. Met andere woorden: je schopt anderen niet, je slaat anderen niet, je maakt anderen niet bang met je houding (intimideren) of je woorden (schreeuwen/schelden/bedreigen).
Je gebruikt geen wapens of zelfgemaakte voorwerpen om anderen pijn te doen of bang te maken.
Je werkt mee, indien dat geadviseerd wordt, aan begeleiding/behandeling om te leren om gaan met gevoelens zoals boosheid, waarbij je leert je emoties te (h)erkennen en op een gezonde manier te uiten.
Het voorgaande leidt tot de hiernavolgende beslissing.
6. De beslissing
De kinderrechter:
verleent een voorwaardelijke machtiging om [minderjarige] uit huis te plaatsen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp van 19 september 2025 tot 19 maart 2026, onder de voorwaarden welke aan [minderjarige] in het aangehechte hulpverleningsplan zijn gesteld.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 19 september 2025 door mr Verschoor-Bergsma, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Oude Weernink als griffier, en op schrift gesteld op 29 september 2025.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.