ECLI:NL:RBZWB:2025:9197

ECLI:NL:RBZWB:2025:9197, Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 08-12-2025, C/02/440483 / JE RK 25-1774

Instantie Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak 08-12-2025
Datum publicatie 09-01-2026
Zaaknummer C/02/440483 / JE RK 25-1774
Rechtsgebied Civiel recht; Personen- en familierecht
Procedure Rekestprocedure
Zittingsplaats Middelburg

Samenvatting

Verlenging ondertoezichtstelling

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht

Locatie Middelburg

Zaaknummer: C/02/440483 / JE RK 25-1774

Datum uitspraak: 8 december 2025

Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling

in de zaak van

STICHTING JEUGDBESCHERMING WEST ZEELAND,

gevestigd te Middelburg,

hierna te noemen: de GI,

over

[minderjarige 1] ,

geboren op [geboortedag 1] 2016 in [geboorteplaats],

hierna te noemen: [minderjarige 1],

[minderjarige 2] ,

geboren op [geboortedag 2] 2008 in [geboorteplaats],

hierna te noemen: [minderjarige 2].

De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:

[de moeder] ,

hierna te noemen: de moeder,

wonende in [woonplaats 1],

[de vader] ,

hierna te noemen: de vader,

wonende in [woonplaats 2].

1. Het verloop van de procedure

De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:

het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 6 oktober 2025;

het bericht van de GI met het gezinsplan, ontvangen op 1 december 2025;

het bericht van de GI met als bijlage de reactie op het gezinsplan van de vader, ontvangen op 4 december 2025;

het bericht van de GI met als bijlage de reactie van [minderjarige 1], ontvangen op 5 december 2025.

De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 8 december 2025. Daarbij waren aanwezig:

- de moeder;

de vader;

een tweetal vertegenwoordigsters van de GI.

De kinderrechter heeft [minderjarige 2] en [minderjarige 1] naar hun mening gevraagd. [minderjarige 1] heeft daar geen gebruik van gemaakt. [minderjarige 2] heeft hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige 2] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.

2. De feiten

De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 2] en [minderjarige 1].

[minderjarige 2] en [minderjarige 1] wonen bij de moeder.

Bij beschikking van deze rechtbank van 18 december 2024 zijn [minderjarige 2] en [minderjarige 1] onder toezicht van de GI gesteld voor de duur van een jaar, te weten tot 18 december 2025.

3. Het verzoek

De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 2] en [minderjarige 1] te verlengen voor de duur van een jaar en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

4. De standpunten

De GI handhaaft het verzoek, waarbij de GI het verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling voor [minderjarige 2] tijdens de zitting heeft gewijzigd naar een verlenging tot zijn meerderjarigheid. In aanvulling op het verzoekschrift heeft de GI toegelicht dat de verlenging met name is verzocht vanwege het gebrek aan een positieve communicatie tussen de ouders. Als de huidige situatie voortduurt, bestaat de zorg dat de kinderen hier (verder) mee worden belast. Daar komt bij dat de GI het vermoeden heeft dat [minderjarige 2] door de ouders wordt ingezet om boodschappen door te geven, bijvoorbeeld als de ene ouder de andere ouder niet kan bereiken. De ouders zijn aangemeld voor Parellel Solo Ouderschap (PSO) en op korte termijn zal de eerste afspraak plaatsvinden. Dit traject is nodig om afspraken met elkaar te maken, waarna de ouders zo weinig mogelijk met elkaar hoeven te communiceren. Als er echt iets met de kinderen is, heeft de GI gezien dat de ouders elkaar weten te vinden en dat het lukt om samen te werken. De verlenging is ook verzocht om de ontwikkeling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] te monitoren. [minderjarige 1] ziet de vader elke week van dinsdagmiddag tot woensdagmiddag en om de week van zaterdag 10:00 uur tot zondag 10:00 uur. [minderjarige 1] zou de vader vaker willen zien. [minderjarige 2] bepaalt zelf wanneer hij naar de vader gaat. Met de kinderen zelf gaat het goed. Zij ontwikkelen zich leeftijdsadequaat en op school gaat het goed. De GI merkt wel dat [minderjarige 1] zich aan het aanpassen is en ziet het niet willen praten van [minderjarige 2] als een zorg. Gebleken is wel dat [minderjarige 2] goed met de moeder kan praten en dat hij weet dat hij bij zijn ouders terecht kan, als er wat is. De GI heeft geen zicht op hoe [minderjarige 2] omgaat met de scheiding van de ouders. Mede daarom ziet de GI het alcoholgebruik van [minderjarige 2] als een risico, omdat het een copingstrategie van hem kan worden om met dingen om te gaan.

De moeder is het eens met het verzoek als het gaat om [minderjarige 1], zodat er afspraken over het contact tussen [minderjarige 1] en de vader kunnen worden gemaakt. [minderjarige 1] wil vaker naar de vader en de moeder gunt dat [minderjarige 1] ook. Zij vindt het jammer voor [minderjarige 1] dat dat nu niet kan. Verder gaat het goed met [minderjarige 1]; hij gaat weer naar school. Voor [minderjarige 2] is de maatregel niet nodig. De moeder maakt zich geen zorgen over [minderjarige 2]. Het gaat goed op school en hij ontwikkelt zich positief. [minderjarige 2] heeft veel meegemaakt, maar hij wil niet met iemand praten. [minderjarige 2] wil het achter zich laten. Tot slot denkt de moeder niet dat de oudercommunicatie zal verbeteren als de financiële afwikkeling van de scheiding rond is.

De vader heeft geen last van de ondertoezichtstelling, maar profiteert er ook niet van. Voor [minderjarige 2] vindt hij de maatregel niet nodig. Over [minderjarige 2] maakt de vader zich geen zorgen; het gaat goed op school en hij werkt. Daar komt bij dat [minderjarige 2] zelf last heeft van de maatregel; hij wil niet praten en heeft het gevoel dat hij in de gaten wordt gehouden. De vader benoemt wel dat het soms lastig is om [minderjarige 2] niet met volwassenzaken te belasten. Met [minderjarige 1] gaat het beter en hij gaat weer naar school. De vader zou willen dat [minderjarige 1] vaker bij hem is, maar financieel gezien is dat niet mogelijk. Als grootste probleem ziet de vader de financiële afwikkeling van de scheiding. Zodra dat rond is, kunnen de ouders verder met het ouderschapsplan en daarna hun eigen weg gaan. Als er nood is, weten zij elkaar te vinden.

Tijdens het gesprek met de kinderrechter heeft [minderjarige 2] aangegeven dat de ondertoezichtstelling voor hem geen meerwaarde heeft, wel voor zijn broertje [minderjarige 1] zodat er afspraken over het contact tussen [minderjarige 1] en de vader kunnen worden gemaakt. [minderjarige 2] herkent zich niet in de zorgen die over hem in het verzoekschrift zijn opgeschreven, waaronder het alcoholgebruik en dat hij niet wil praten over wat er is gebeurd. [minderjarige 2] geeft aan dat hij over de scheiding en de bijkomende perikelen heen is en dat hij zijn blik op de toekomst wil richten. Hij heeft geen behoefte om te praten. [minderjarige 2] vindt verder dat in het verzoekschrift meer feiten hadden moeten staan in plaats van zorgen die niet kloppen, die gebaseerd zijn op interpretaties en die ook niet met hem zijn besproken. Verder heeft [minderjarige 2] aangegeven dat het goed met hem gaat; hij geeft zijn leven het cijfer 9,5. [minderjarige 2] wordt niet betrokken in de scheiding van de ouders en het contact met beide ouders is goed. Hij ziet zijn vader wekelijks. Er is geen vaste regeling, maar [minderjarige 2] voelt geen drempel om naar de vader te gaan. [minderjarige 2] zou wel willen dat zijn ouders beter met elkaar communiceren.

5. De beoordeling

Wettelijk kader

Op grond van artikel 1:260 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) kan de kinderrechter, mits aan de grond als bedoeld in artikel 1:255 lid 1 BW is voldaan, de duur van de ondertoezichtstelling telkens verlengen met ten hoogste een jaar.

Inhoudelijke beoordeling

De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor het verlengen van de ondertoezichtstelling is voldaan. Zij zal het verzoek toewijzen en de ondertoezichtstelling van [minderjarige 2] tot aan zijn meerderjarigheid verlengen, te weten tot [geboortedag 2] 2026 en de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] verlengen voor de duur zoals verzocht, te weten tot 18 december 2026. De kinderrechter legt deze beslissing hierna uit.

De kinderrechter is van oordeel dat de ernstige ontwikkelingsbedreiging van [minderjarige 2] en [minderjarige 1] nog niet is weggenomen en dat er nog stappen moeten worden gezet. Het is de kinderrechter gebleken dat het naar omstandigheden goed gaat met de kinderen, zo hebben beide ouders en de GI en ook [minderjarige 2] tijdens het gesprek met de kinderrechter aangegeven. De kinderen ontwikkelen zich leeftijdsadequaat en het gaat goed met hen op school. Desondanks maakt de kinderrechter zich nog steeds zorgen over de opvoedsituatie waarin [minderjarige 2] en [minderjarige 1] opgroeien en de zorgen die er zijn over de ontwikkeling van de kinderen zijn met name gelegen in de opvoedomgeving. De dynamiek tussen de ouders belemmert het creëren van een stabiele en veilige opvoedsituatie. Gebleken is dat de financiële afwikkeling van de scheiding nog niet rond is en op dit moment zorgt voor een aanhoudend conflict tussen de ouders. Er is geen constructieve samenwerking en communicatie tussen de ouders en door de GI is het vermoeden uitgesproken dat [minderjarige 2] door de ouders wordt ingezet om boodschappen door te geven. Als de situatie voortduurt, zullen de kinderen verder met deze situatie worden belast en mogelijk (verder) klem tussen de ouders raken. Zo lijkt [minderjarige 1] zich al aan de situatie aan te passen en wil [minderjarige 2] niet praten over wat er is gebeurd. De kinderrechter stelt vast dat het tot op heden nog niet is gelukt om met passende hulpverlening een verbetering te bewerkstelligen. Tijdens de zitting is wel duidelijk geworden dat de ouders voor ouderschapsbemiddeling gericht op PSO zijn aangemeld. Om ervoor te zorgen dat de ernstige ontwikkelingsbedreiging van [minderjarige 2] en [minderjarige 1] kan worden weggenomen en om de ouders te blijven ondersteunen en begeleiden, vindt de kinderrechter het noodzakelijk dat de GI langer betrokken blijft. De GI dient daarbij oog te houden voor signalen van stress bij of stagnatie in de ontwikkeling van de kinderen en dient tijdig bij te sturen ingeval deze signalen worden gezien. Ook is het aan de GI om te monitoren of er vooruitgang wordt geboekt in de ingezette hulpverlening.

Nu er nog veel stappen moeten worden gezet, zal de kinderrechter het verzoek voor [minderjarige 1] toewijzen voor de volledige duur zoals verzocht en voor [minderjarige 2] tot aan zijn meerderjarigheid. De kinderrechter verwacht daarbij dat de GI regie zal blijven voeren in het proces en de belangen van [minderjarige 2] en [minderjarige 1] zal blijven bewaken. Verder vindt zij het belangrijk dat de ouders zullen meewerken aan de ouderschapsbemiddeling gericht op PSO, zodat de kinderen niet langer worden belast met de huidige dynamiek tussen de ouders en zij het signaal krijgen dat de samenwerking en de communicatie aan het verbeteren is.

Uitvoerbaar bij voorraad

De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat. De kinderrechter doet dit, omdat het voor de ontwikkeling van [minderjarige 2] en [minderjarige 1] noodzakelijk is dat de beslissing ondanks een eventueel hoger beroep meteen uitgevoerd kan worden.

6. De beslissing

De kinderrechter:

verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 2] met ingang van 18 december 2025 en tot (zijn meerderjarigheid op) [geboortedag 2] 2026;

verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] met ingang van 18 december 2025 en tot 18 december 2026;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 8 december 2025 door mr. Van de Merbel, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Vork als griffier, en op schrift gesteld op 22 december 2025.

Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:

degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;

andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. Vork als

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?