RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Familie- en Jeugdrecht
Zaaknummer: C/02/442622 / JE RK 25/2149
Datum uitspraak: 11 december 2025
beschikking van de kinderrechter over verlenging van de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
WILLIAM SCHRIKKER STICHTING JEUGDBESCHERMING & JEUGDRECLASSERING, locatie te Amsterdam,
hierna te noemen: de gecertificeerde instelling (GI),
over
[minderjarige] ,
geboren op [geboortedag] 2013 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder] ,
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [woonplaats 1] ,
[de grootouders] ,
de pleegouders, hierna te noemen: de grootouders (mz),
wonende te [woonplaats 1] .
De kinderrechter merkt als informant aan:
[de vader] ,
hierna te noemen: de vader.
wonende te [woonplaats 2]
1. Het procesverloop
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het op 3 december 2025 ontvangen verzoek met bijlagen.
Op 11 december 2025 heeft de kinderrechter de zaak behandeld tijdens de zitting met gesloten deuren. Daarbij waren aanwezig en zijn gehoord:
- de moeder;
de grootmoeder;
een vertegenwoordiger van de GI.
Hoewel daartoe correct opgeroepen zijn de vader en de grootvader niet bij de zitting verschenen.
De kinderrechter heeft [minderjarige] in de gelegenheid gesteld om haar mening kenbaar te maken tijdens een zogenoemd ‘kindgesprek’ of via het schrijven van een brief. Hiervan heeft [minderjarige] geen gebruik gemaakt.
Gelet op de nauwe samenhang tussen het verzoek van de GI in deze zaak en het resterende verzoek van de GI over [minderjarige] in de zaak met kenmerk C/02/442521 / JE RK 25-2119 zijn deze zaken gelijktijdig behandeld. In de zaken wordt bij separate beschikking beslist.
Voor de goede orde merkt de kinderrechter op dat bij deze zaak als toehoorder aanwezig was mr. Van Rooijen, die de moeder heeft bijgestaan in de zaak met kenmerk C/02/442521 / JE RK 25-2119.
2. De feiten
De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
[minderjarige] verblijft bij de [crisisopvang].
Bij beschikking van 20 december 2024 heeft de kinderrechter [minderjarige] onder toezicht gesteld tot 22 december 2025.
Bij beschikking van 8 oktober 2025 heeft de kinderrechter aan de GI toestemming verleend tot wijziging van het verblijf van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder met ingang van 8 oktober 2025 tot 22 oktober 2025 en heeft het verzoek voor het overige aangehouden.
Vervolgens, bij beschikking van 16 oktober 2025, heeft de kinderrechter een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] verleend:
- in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder met ingang van 7 oktober 2025 tot 16 oktober 2025;
- in een voorziening voor pleegzorg, te weten bij de grootouders (mz), met ingang van 16 oktober 2025 tot 22 december 2025.
Bij beschikking van 1 december 2025 (in de zaak met kenmerk C/02/442521 / JE RK 25-2119) heeft de kinderrechter een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] verleend in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder met ingang van 1 december 2025 tot 15 december 2025, onder aanhouding van het resterende deel van het verzoek. Vervolgens heeft de kinderrechter in die zaak bij beschikking van 11 december 2025 aan de GI toestemming verleend tot wijziging van het verblijf van [minderjarige] naar een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder voor de resterende duur van de ondertoezichtstelling, zijnde met ingang van 15 december 2025 tot 22 december 2025 alsmede een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] verleend in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder met ingang van 15 december 2025 tot 22 december 2025.
3. Het verzoek
De GI verzoekt om de ondertoezichtstelling van [minderjarige] te verlengen voor de duur van een jaar, zijnde tot 22 december 2026.
Tevens verzoekt de GI om de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie jeugdhulpaanbieder te verlengen voor de duur van een jaar.
De GI verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
4. De het standpunt van de GI
Ter onderbouwing van en in aanvulling op het verzoek voert de GI, samengevat, het volgende aan. [minderjarige] is een kwetsbaar meisje met een belast verleden. Zij is meerdere malen geconfronteerd met huiselijk geweld bij de moeder thuis. [minderjarige] heeft op dit moment geen vertrouwen in de belangrijke volwassenen om haar heen. Zij voelt niet de veiligheid om zichzelf te uiten en aan te geven wat er is en wat er nodig is. [minderjarige] voelt zich afgewezen en niet gezien. Het gedrag van [minderjarige] is zorgelijk. Zij is opstandig, brutaal, doet uitspraken over dood willen en doet zichzelf pijn. Daarnaast accepteert zij geen gezag en loopt zij weg. Rondom [minderjarige] hebben er meerdere escalaties plaatsgevonden waarbij ook politiebetrokkenheid noodzakelijk was.
Tot recent verbleef [minderjarige] bij de grootouders. Daar heeft zij 3,5 jaar gewoond. In oktober 2025 is het zodanig geëscaleerd dat [minderjarige] op een crisisgroep is geplaatst. Vervolgens is zij teruggeplaatst bij de grootouders en is er daar ambulante spoedhulp ingezet. Ook is [minderjarige] deels weer teruggegaan naar school. Door opvolgende escalaties nadien, hebben de grootouders aangegeven de zorg voor [minderjarige] niet meer te kunnen dragen. Dit heeft geleid tot een nieuwe spoedplaatsing bij de [crisisopvang]. In de
periode ervoor is door de GI, Crossroads en betrokkenen intensief gezocht naar passende hulpverlening alsook naar een passende opvoedsituatie voor [minderjarige] .
[minderjarige] kan op dit moment niet bij een van de ouders worden geplaatst. De GI maakt zich zorgen over de veiligheid van de kinderen bij de vader. De draagkracht van de moeder maakt een terugplaatsing van [minderjarige] bij haar ook niet mogelijk. Het lukt haar niet om aan te sluiten bij [minderjarige] . Bovendien heeft zij ook de zorg over haar andere kinderen.
In de visie van de GI dienen de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] te worden verlengd. Op meerdere gebieden is sprake van een ontwikkelingsbedreiging. Wat [minderjarige] nodig heeft is een plaatsing in een behandelsetting waarin observatie en diagnostiek kan plaatsvinden. Bekeken moet worden waar de problematiek van [minderjarige] vandaan komt, wat zij nodig heeft en hoe zij tot herstel moet komen om tot een positieve ontwikkeling te komen. De huidige plaatsing van [minderjarige] bij de crisisopvang is tijdelijk. De GI zoekt naar een vervolgplaatsing, echter wil daarin zorgvuldig te werk gaan. Voorkomen moet worden dat er met tussenplaatsingen wordt gewerkt. Een machtiging tot uithuisplaatsing voor de duur van een jaar is nodig gelet op alles wat nog moet worden ingezet.
5. Het standpunt van belanghebbenden
Door de moeder is, samengevat, naar voren gebracht dat zij inziet dat [minderjarige] behandeling nodig heeft en zij niet meer bij de grootouders kan verblijven. De moeder deelt de zorgen die er over [minderjarige] zijn. Er is op dit moment geen andere optie dan het verblijf van [minderjarige] bij [crisisopvang]. De moeder heeft wel moeite met de verzochte duur van de verlening. Een jaar is erg lang. De moeder acht het passend om een toetsmoment in te lassen. Op die manier blijft de zaak niet te lang op de plank liggen en kan de kinderrechter monitoren wat er gaat gebeuren. Een tussentijds toetsmoment over vijf of zes maanden is passend.
De grootmoeder brengt, samengevat, naar voren dat zij zich kan vinden in het verzoek van de GI. Zij sluit zich aan bij het voorstel van de moeder om tussentijds te kijken hoe het gaat en een toetsmoment in te lassen. Er kan dan geëvalueerd worden hoe het met [minderjarige] gaat en wat de stand van zaken dan is. Mocht de kinderrechter bepalen om de maatregelen te verlengen voor de duur van een jaar, dan kan de grootmoeder zich daarin vinden.
6. De beoordeling
Verlenging ondertoezichtstelling
Op grond van artikel 1:260 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de kinderrechter, mits aan de grond, bedoeld in artikel 1:255 lid 1 BW is voldaan, de duur van de ondertoezichtstelling telkens verlengen met ten hoogste een jaar.
Volgens het bepaalde in artikel 1:255 lid 1 BW kan de kinderrechter een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling wanneer die minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en:
a. de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en;
b. de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247 lid 2 BW, in staat zijn te dragen.
Gelet op de overlegde stukken en hetgeen tijdens de zitting is besproken kan de kinderrechter niet anders dan concluderen dat aan de wettelijke vereisten is voldaan. [minderjarige] wordt onverminderd in haar ontwikkeling bedreigd. Waar eerder positieve ontwikkelingen werden gezien, zijn de afgelopen periode de zorgen om [minderjarige] fors toegenomen. Sprake is van zelfbepalend gedrag, zelfbeschadiging, het doen van uitspraken over dood willen en wegloopgedrag. Op school was [minderjarige] niet meer te handhaven. Verschillende escalaties hebben er toe geleid dat [minderjarige] niet meer bij de grootouders kan verblijven en zij hebben aangegeven haar niet meer de veiligheid en stabiliteit te kunnen geven die zij nodig heeft.
Tijdens de zitting heeft de kinderrechter geconstateerd dat de moeder en de grootmoeder de zorgen over [minderjarige] onderschrijven. Zij zien beiden dat [minderjarige] hulpverlening nodig heeft en staan in dat kader ook achter de plaatsing van [minderjarige] in een behandelsetting waarbij observatie en diagnostiek kan plaatsvinden.
Het voorgaande betekent dat de kinderrechter de ondertoezichtstelling zal verlengen voor de verzochte duur, zijnde tot 22 december 2026. Deze termijn is gelet op de complexheid van de problemen van [minderjarige] noodzakelijk.
De kinderrechter gaat er van uit dat de komende periode in het teken zal staan van het vinden van een passende vervolgplek voor [minderjarige] . Ook verwacht de kinderrechter dat in de komende periode zal worden ingezet op de volgende doelen:
- [minderjarige] groeit op in een veilige en stabiele thuissituatie en ontwikkelt zich positief binnen haar mogelijkheden;
- [minderjarige] krijgt gepast voorbeeldgedrag mee en zij weet wat wel en niet gepast gedrag is en zij kan dit toepassen in haar dagelijks leven;
- Er is zicht op het gedrag en beleving van [minderjarige] ;
- Er is duidelijkheid over het contact tussen de moeder en [minderjarige] zolang zij niet bij de moeder is teruggeplaatst.
Verlenging machtiging tot uithuisplaatsing
Ingevolge artikel 1:265b lid 1 BW kan de kinderrechter de GI, die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling, op haar verzoek machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid.
Op grond van artikel 1:265c lid 2 BW kan de kinderrechter, mits aan de grond, bedoeld in artikel 1:265b lid 1 BW is voldaan, de duur van de machtiging uithuisplaatsing telkens verlengen met ten hoogste een jaar.)
Uit de overgelegde stukken en hetgeen tijdens de zitting is besproken blijkt dat alle betrokkenen het erover eens zijn dat [minderjarige] niet bij de moeder en de grootouders kan verblijven. Duidelijk is dat zij op dit moment niet haalbaar is dat [minderjarige] binnen een gezinssetting kan opgroeien. De draagkracht van de moeder en de grootouders laat een terugplaatsing van [minderjarige] bij een van hen niet toe. Zowel de moeder als de grootouders kunnen op dit moment niet aansluiten bij hetgeen [minderjarige] nu nodig heeft, ondanks de inzet van intensieve hulpverlening. De kinderrechter volgt de GI in haar stelling dat de veiligheid en stabiliteit van [minderjarige] gewaarborgd moet worden en zij een behandeling nodig heeft. Alvorens duidelijk wordt welke behandeling voor [minderjarige] passend is, dient observatie en diagnostiek plaats te vinden. Hoewel de kinderrechter de moeder en de grootmoeder begrijpt in hun vraag om een tussentijd toetsmoment te gelasten, is de realiteit dat observatie, diagnostiek en het daadwerkelijk inzetten van de benodigde behandeling langere tijd in beslag zal nemen. [minderjarige] staat nu pas aan het begin. Er zijn nog veel stappen nodig om te komen tot een positief resultaat voor [minderjarige] , zij volledig is hersteld en zij weer tot een positieve ontwikkeling kan komen. De kinderrechter gunt [minderjarige] de duidelijkheid die zij nodig heeft en zal de machtiging tot uithuisplaatsing daarom verlengen voor de verzochte duur van een jaar.
Gelet op het voorgaande zal de kinderrechter de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder verlengen voor de duur van de ondertoezichtstelling, zijnde tot 22 december 2026.
Uitvoerbaar bij voorraad
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
7. De beslissing
De kinderrechter:
verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] met ingang van 22 december 2025 tot 22 december 2026;
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder met ingang van 22 december 2025 tot 22 december 2026;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 11 december 2025 door mr. Van de Kraats, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Vos als griffier, en op schrift gesteld op 22 december 2025.
Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:
door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het
gerechtshof ’s-Hertogenbosch.