RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaaknummer: C/02/436695 / JE RK 25-1112
Datum uitspraak: 22 december 2025
Nadere beschikking van de kinderrechter over een machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
RAAD VOOR DE KINDERBESCHERMING, REGIO ZUIDWEST NEDERLAND,
locatie Breda, hierna te noemen: de Raad,
over
[minderjarige] , geboren op [geboortedag] 2015 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige] ,
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder] ,
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [woonplaats 1] ,
advocaat mr. D.E. Oud te Krommenie,
[de vader] ,
hierna te noemen: de vader,
wonende te [woonplaats 2] ,
advocaat mr. S. Klootwijk te Breda.
LEGER DES HEILS JEUGDBESCHERMING EN JEUGDRECLASSERING, gevestigd te Utrecht,
hierna te noemen: de gecertificeerde instelling (GI).
1. Het verdere procesverloop
Het verdere procesverloop bestaat uit de volgende stukken:
de in deze zaak gegeven beschikking van 14 juli 2025 en alle daarin genoemde stukken;
de brief van de Raad van 10 november 2025, ingekomen bij de griffie op diezelfde datum;
de brief van de GI van 28 november 2025, ingekomen bij de griffie op 1 december 2025;
de brieven van de griffier aan de raadslieden van de ouders van 3 december 2025;
het bericht van mr. Klootwijk van 15 december 2025;
het bericht van mr. Oud van 16 december 2025.
2. De feiten
Bij de in deze zaak gegeven beschikking van 14 juli 2025 heeft de kinderrechter [minderjarige] onder toezicht gesteld van de GI met ingang van 14 juli 2025 tot 14 juli 2026. Tevens heeft de kinderrechter een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] verleend in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder, met ingang van 14 juli 2025 tot 14 januari 2026, onder aanhouding van het resterende deel van het verzoek.
De kinderrechter heeft kennisgenomen van de brief van de Raad van 10 november 2025 waarin de Raad, samengevat, concludeert tot handhaving van het resterende verzoek. Hoewel het goed gaat met [minderjarige] , heeft hij ook minder goede momenten met boosheid en verdriet. Hij vraagt regelmatig of hij naar huis mag en wanneer dit gaat gebeuren. De Raad maakt zich daarnaast zorgen over het verloop van de omgang tussen [minderjarige] en de moeder, die hij de afgelopen maanden niet heeft gezien. Momenteel wordt gezocht naar een nieuwe groep waar [minderjarige] kan verblijven, zoals [groep], waar hij grondig kan worden onderzocht en er aandacht is voor zijn trauma’s. Omdat er nog geen vervolgplek voor [minderjarige] is gevonden, moet de machtiging tot uithuisplaatsing doorlopen.
In reactie op de brief van de Raad bericht de GI de kinderrechter, samengevat, als volgt. De GI staat achter het resterende verzoek van de Raad. [minderjarige] kan niet naar huis, omdat zijn behandeling niet is gestart, terwijl dit voorliggend is voor er vervolgstappen kunnen worden gezet richting een eventuele terugplaatsing of bepaling van het perspectief van [minderjarige] . Pas na zijn traumabehandeling, die hem bij [accommodatie] niet kan worden geboden, kan onderzocht worden wat er verder nodig is voor [minderjarige] .
Beide ouders stemmen in met een toewijzing van het resterende deel van het verzoek.
3. Het resterende verzoek
Thans ligt het volgende resterende verzoek nog ter beoordeling voor.
De Raad verzoekt om een machtiging te verlenen om [minderjarige] uit huis te plaatsen in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder voor de duur van de ondertoezichtstelling, zijnde tot 14 juli 2026.
De Raad verzoekt om de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
4. De nadere beoordeling
Uit de berichten van de raadslieden van de ouders en de brief van de GI volgt dat alle betrokkenen het eens zijn met het standpunt van de Raad dat het resterende deel van het verzoek moet worden toegewezen. Dit betekent dat de zaak op grond van de overgelegde stukken kan worden afgedaan en het plannen van een zitting niet nodig is.
Wat zegt de wet?
Ingevolge artikel 1:265b lid 1 BW kan de rechter de GI, die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling, op haar verzoek machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid.
Inhoudelijke beoordeling
Op basis van de overgelegde stukken is de kinderrechter van oordeel dat is voldaan aan de wettelijke criteria als genoemd in artikel 1:265 lid 1 BW. Met de Raad en de GI ziet de kinderrechter de noodzaak van de verlening van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] . Dit is simpelweg nodig omdat de behandeling van [minderjarige] nog niet is gestart en er nog geen plek is gevonden waar hij zijn traumabehandeling kan volgen. Bij [accommodatie] , waar [minderjarige] tot op heden verblijft, kan hem de benodigde behandeling niet worden geboden, terwijl pas na voltooiing van zijn behandeling kan worden onderzocht of er sprake is van kind-eigenproblematiek, welke aanvullende zorg nodig is en of deze zorg eventueel in de thuissituatie bij een van de ouders kan worden geboden.
Het voornoemde maakt feitelijk dat de situatie ten opzichte van de beschikking van 14 juli 2025 niet is veranderd. Dit betekent dat de kinderrechter het resterende deel van het verzoek van de Raad zal toewijzen en de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder zal verlengen tot het einde van de ondertoezichtstelling, zijnde tot 14 juli 2026.
De kinderrechter zal de beslissing, gelet op de aard van de maatregel, uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals is verzocht door de GI. Dit betekent dat de beslissing alvast moet worden gevolgd, ook als er hoger beroep wordt ingesteld tegen deze beslissing.
Dit betekent dat de kinderrechter als volgt beslist.
5. De beslissing
De kinderrechter:
verleent een machtiging om [minderjarige] uit huis te plaatsen in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder met ingang van 14 januari 2026 tot 14 juli 2026;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
Deze beschikking is gegeven door mr. Van de Kraats, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 22 december 2025 in aanwezigheid van mr. Vos als griffier.
Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:
door de verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch.