RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Tilburg
Zaaknummer: 11600460 \ CV EXPL 25-1282
Vonnis van 3 december 2025 (bij vervroeging)
in de zaak van
[eiser] V.O.F,
te [plaats 1] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
gemachtigde: Groen Legal BV,
tegen
[gedaagde] ,
te [plaats 2] ,
gedaagde partij,
hierna samen te noemen: [gedaagde] ,
procederend in persoon.
1. De zaak in het kort
[eiser] vordert betaling van een factuur voor in opdracht en voor rekening van [gedaagde] verrichtte werkzaamheden. Het factuurbedrag bestaat uit materiaalkosten en arbeidskosten. [gedaagde] betwist de hoogte van de factuur en heeft daarom de factuur niet betaald. Na de zitting heeft [gedaagde] op eigen initiatief een betaling gedaan. De eis is om die reden verminderd. De kantonrechter wijst de resterende vordering af. Zij licht dat hieronder toe.
2. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 23 april 2025
- de akte uitlaten tevens akte vermindering van eis van [eiser] van 29 oktober 2025
- de akte uitlaten van [gedaagde] van 12 november 2025
- de mondelinge behandeling van 26 september 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
Ten slotte is vonnis bepaald.
3. De feiten
[eiser] heeft installatiewerkzaamheden verricht voor [gedaagde] . Deze werkzaamheden bestonden uit:
het leveren en monteren van een riolering t.b.v. standleiding, wasmachine, bg, keuken, hwa berging, douchedrain, wastafel
het leveren en monteren van een kw t.b.v. wastafel, douche, toilet, keuken en wasmachine
het leveren en monteren van een warmwaterleiding t.b.v. douche wastafel en keuken
het leveren en monteren van een gasleiding vanaf meter naar cv toestel.
Op 16 juli 2024 heeft [eiser] voor de onder punt 1 genoemde werkzaamheden een factuur gestuurd met [factuurnummer] voor een bedrag van € 6.969,60 inclusief btw. Uit de omschrijving op de factuur blijkt dat de factuur ziet op de koudwaterleiding, warmwaterleiding, gasleiding en complete riolering. Verder blijkt dat het factuurbedrag is opgebouwd uit een bedrag van € 4.000,00 exclusief btw voor materialen en een bedrag van € 1.760,00 exclusief btw voor arbeid. De factuur vermeldt ook nog: Dit zijn de kosten die gemaakt zijn tot nog toe volgens offerte 11-10-2023. Rest van de werkzaamheden worden door derden gemaakt iom. [naam] .
De factuur is door [gedaagde] niet betaald.
4. Het geschil
[eiser] vordert – samengevat en na vermindering van eis vanwege een betaling door [gedaagde] – een bedrag van € 3.312,01 in hoofdsom, te vermeerderen met de wettelijke rente over de hoofdsom, met inachtneming van de deelbetaling van [gedaagde] .
[eiser] legt aan de vordering ten grondslag dat door hem in opdracht van en voor rekening van [gedaagde] installatiewerkzaamheden zijn verricht die onbetaald zijn gebleven.
[gedaagde] voert verweer. [gedaagde] concludeert tot gedeeltelijke afwijzing van de vorderingen van [eiser] .
[gedaagde] voert aan dat hij zich realiseert dat hij zal moeten betalen voor de door [eiser] verrichtte werkzaamheden maar hij betwist de hoogte van de factuur.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
5. De beoordeling
Partijen zijn het eens over de werkzaamheden die zijn verricht en over het feit dat voor de verrichtte werkzaamheden moet worden betaald door [gedaagde] . Partijen zijn het niet eens over de hoogte van de vordering. De kantonrechter zal daarom in het onderstaande een oordeel geven over de hoogte van de vordering.
[gedaagde] is voor de verrichtte werkzaamheden een bedrag van € 3.576,87 verschuldigd
Op het moment dat de dagvaarding werd uitgebracht, werd door [eiser] in hoofdsom een bedrag van € 6.969,60 (inclusief btw) gevorderd. Deze hoofdsom was opgebouwd uit € 4.000,00 materiaalkosten en € 1.760,00 arbeidskosten.
In de schriftelijke stukken en ter zitting is door [gedaagde] aangegeven dat hij zich realiseert dat hij een bedrag dient te voldoen, maar dat hij het niet eens is met de hoogte van de factuur.
Nu de stelplicht en bewijslast ten aanzien van de materiaalkosten en de arbeidskosten bij [eiser] ligt, is de zaak door de kantonrechter aangehouden met de opdracht aan [eiser] om in een akte een nadere onderbouwing te geven van de factuur, meer in het bijzonder om de gebruikte materialen en de gemaakte arbeidskosten nader te onderbouwen.
[eiser] heeft van deze mogelijkheid gedeeltelijk gebruik gemaakt. Hij heeft in een akte de gebruikte materialen en de daaraan verbonden kosten uiteengezet. Deze kosten komen in het totaal op een bedrag van € 2.076,08 exclusief btw en € 2.512,07 inclusief btw.
Ten aanzien van de arbeidskosten specificeert [eiser] in de akte:
- Arbeid riool 2x monteur 2 dagen (8,5 uur) a € 55,00 € 1.870,00 excl. BTW
- Arbeid water 2x monteur 2 dagen (8 uur) a € 55,00 € 1.760,00 excl. BTW
Een nadere specificatie van de gevorderde uren wordt niet gegeven.
[gedaagde] heeft in een antwoordakte gereageerd. [gedaagde] betwist daarin de specificatie van de materiaalkosten niet. Hij merkt wel op dat de materiaalkosten nu nog slechts iets meer dan de helft bedragen van het bedrag dat in de factuur is opgenomen. De arbeidskosten worden door [gedaagde] nog steeds betwist. [gedaagde] merkt op dat er nu ineens met twee monteurs gewerkt is en dat de uren verdubbeld zijn. [gedaagde] betwist dat er twee monteurs werkzaam zijn geweest en herhaalt dat de werkzaamheden (ten aanzien van het riool en de waterleiding) volgens hem na twee dagen klaar waren, zodat er maximaal 16 uren is gewerkt.
Nu de materiaalkosten door [gedaagde] niet langer betwist worden, oordeelt de kantonrechter dat [gedaagde] een bedrag van € 2.512,07 (inclusief btw) verschuldigd is voor het gebruikte materiaal.
Voor de arbeidskosten is [gedaagde] naar het oordeel van de kantonrechter een bedrag van € 1.064,80 (inclusief btw) verschuldigd. De kantonrechter heeft [eiser] de mogelijkheid gegeven in een akte ook de arbeidskosten nader te onderbouwen. De arbeidskosten zijn in de akte niet nader onderbouwd. De post van € 1.760,00 die ook al op de factuur vermeld staat is in de onderbouwing opnieuw opgenomen. Er is echter geen specificatie gegeven van de gevorderde uren, zodat nog steeds niet inzichtelijk is hoe de gevorderde uren zijn besteed. Ook blijkt uit de onderbouwing niet dat inderdaad door twee monteurs 16 uren zouden zijn gewerkt. Daarnaast is er in de onderbouwing in de akte – zonder nadere toelichting – een tweede post arbeidskosten opgenomen, te weten de post arbeidskosten riool voor een bedrag van € 1.870,00 (exclusief btw). [gedaagde] betwist deze post arbeidskosten, aangezien volgens hem de werkzaamheden aan riool en waterleiding maar twee dagen hebben geduurd. Nu door [eiser] geen enkele toelichting is gegeven op deze nieuwe post, deze post wordt betwist door [gedaagde] en deze post ook in strijd lijkt te zijn met de factuur omdat daarop enerzijds staat vermeld (bij de omschrijving) dat de complete riolering in de factuur is opgenomen en anderzijds op de factuur staat vermeld dat de factuur een opgave is van alle tot op dat moment gemaakte kosten, zal deze post door de kantonrechter worden afgewezen.
Nu [eiser] heeft nagelaten de post arbeidskosten nader te onderbouwen, maar [gedaagde] wel een gedeelte van de uren heeft erkend, wijst de kantonrechter de post arbeidskosten toe tot het aantal uren dat door [gedaagde] is erkend. Het gaat dan om 16 uren tegen een uurtarief van € 55,00 (exclusief btw).
Door [eiser] is in de specificatie van de kosten ook nog een bedrag van € 84,00 voor autokosten opgenomen. Dit bedrag zal eveneens worden afgewezen. Dit bedrag is eerder niet (los) gevorderd, er is geen toelichting gegeven op deze (nieuwe) post en verder is door [eiser] ter zitting aangegeven dat het uurtarief van € 55,00 inclusief autokosten is.
[gedaagde] moet de buitengerechtelijke kosten en de wettelijke rente betalen
Nu [gedaagde] ten onrechte niet tijdig is overgegaan tot betaling van de verrichtte werkzaamheden, moeten ook de vorderingen ten aanzien van de wettelijke rente en buitengerechtelijke kosten worden beoordeeld.
Door [eiser] wordt wettelijke rente gevorderd over de hoofdsom. De kantonrechter zal de wettelijke rente toekennen over het bedrag van € 3.576,87 vanaf 19 november 2024, nu [gedaagde] vanaf dat moment in verzuim verkeert tot 27 september 2025, zijnde de dag van betaling. Niet gebleken is dat de betalingstermijn genoemd op de factuur een termijn is die partijen met elkaar zijn overeengekomen en dus een fatale termijn. Uit de brief van 1 november 2024 blijkt dat [gedaagde] tot 19 november 2024 de mogelijkheid is geboden te betalen zonder bijkomende rente en kosten. De wettelijke rente over genoemde periode komt uit op een bedrag van € 187,58.
[eiser] vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). De kantonrechter stelt vast dat [gedaagde] een consument is (een natuurlijk persoon die niet heeft gehandeld in de uitoefening van een beroep of bedrijf). Daarom moet de kantonrechter controleren of is voldaan aan de in dat geval geldende extra eisen voor de verschuldigdheid van buitengerechtelijke incassokosten. [eiser] heeft aan [gedaagde] een of meer aanmaningen gestuurd die voldoen aan de eisen van artikel 6:96 lid 6 BW. Door [eiser] is een bedrag van € 732,48 gevorderd. Nu de hoofdsom door de kantonrechter lager is vastgesteld, zal de kantonrechter ook de buitengerechtelijke kosten opnieuw bepalen. [gedaagde] is aan [eiser] een bedrag van € 482,69 verschuldigd.
Conclusie
Uit het bovenstaande vloeit voort dat [gedaagde] een bedrag van € 4.247,14 (€ 2.512,07 + € 1.064,80 + € 482,69 + € 187,58) verschuldigd is aan [eiser] .
Op 27 september 2025 is door [gedaagde] een betaling van € 5.000,00 voldaan aan [eiser] . Deze betaling strekt in mindering op het bedrag van € 4.247,14. Daarmee is de vordering van [eiser] ruimschoots voldaan en om die reden zal de vordering van [eiser] dan ook worden afgewezen.
[gedaagde] vordert in zijn akte een bedrag van € 1.000,00 terug. Deze vordering kan door de kantonrechter gezien de stand van de procedure niet meer in behandeling worden genomen. De kantonrechter merkt wel op dat uit dit vonnis voortvloeit dat door [gedaagde] een bedrag van € 752,86 te veel is betaald. De kantonrechter geeft [eiser] nadrukkelijk in overweging dit bedrag uit eigen initiatief aan [gedaagde] terug te betalen.
De proceskosten worden gecompenseerd
Omdat beide partijen gedeeltelijk ongelijk krijgen, zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt. Hierbij speelt voor de kantonrechter een belangrijke rol dat door gedaagde steeds is aangegeven dat hij bereid was om voor de verrichtte werkzaamheden te betalen, maar dat hij van oordeel was dat er te veel kosten in rekening werden gebracht. Nu de toegewezen hoofdsom bijna is gehalveerd ten opzichte van de gevorderde hoofdsom, is het vermoeden van [gedaagde] juist gebleken. Hij heeft zich dus terecht verzet tegen betaling van de gehele factuur.
6. De beslissing
De kantonrechter
wijst de vorderingen van [eiser] af,
compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Dit vonnis is gewezen door mr. Van den Broek en bij vervroeging in het openbaar uitgesproken op 3 december 2025.