ECLI:NL:RBZWB:2025:9225

ECLI:NL:RBZWB:2025:9225, Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 17-12-2025, C/02/438263 / JE RK 25-1410

Instantie Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak 17-12-2025
Datum publicatie 09-01-2026
Zaaknummer C/02/438263 / JE RK 25-1410
Rechtsgebied Civiel recht; Personen- en familierecht
Procedure Rekestprocedure
Zittingsplaats Breda

Samenvatting

Nadere beschikking na toetsmoment: machtiging tot uithuisplaatsing voor vijf maanden met nieuw toetsmoment - verhouding tussen ouders is onvoldoende stabiel voor terugplaatsing bij hen - zorgen over de veiligheid in de thuissituatie en de opvoedvaardigheden van de ouders - inzet intensieve ambulante gezinsbegeleiding is essentieel - ouders moeten verder werken aan de eerder gestelde voorwaarden.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht

Locatie Breda

Zaaknummer: C/02/438263 / JE RK 25-1410

Datum uitspraak: 17 december 2025

Nadere beschikking van de kinderrechter over een machtiging tot uithuisplaatsing

in de zaak van

WILLIAM SCHRIKKER STICHTING JEUGDBESCHERMING & JEUGDRECLASSERING, gevestigd te Amsterdam,

hierna te noemen: de gecertificeerde instelling (GI),

over de minderjarigen:

[minderjarige 1] , geboren op [geboortedag 1] 2008 in [geboorteplaats 1],

hierna te noemen: [minderjarige 1],

[minderjarige 2] , geboren op [geboortedag 2] 2010 in [geboorteplaats 2],

hierna te noemen: [minderjarige 2],

[minderjarige 3] , geboren op [geboortedag 3] 2019 in [geboorteplaats 3],

hierna te noemen: [minderjarige 3].

De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:

[de moeder] ,

hierna te noemen: de moeder,

wonende in [woonplaats],

[de vader] ,

hierna te noemen: de vader,

wonende in [woonplaats].

advocaat voor beiden: mr. Z. Yeral te Roosendaal.

Op grond van artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering heeft de Raad

voor de Kinderbescherming, regio Zuidwest Nederland, locatie Breda, hierna: de Raad, de

kinderrechter over het resterende deel van het verzoek geadviseerd.

1. Het verdere procesverloop

De kinderrechter neemt mee in de beoordeling:

de in deze zaak gegeven beschikkingen van 28 juli 2025, 7 augustus 2025 en 2 september 2025 en de daarin genoemde stukken;

de brief met bijlage van de GI van 4 december 2025, ingekomen bij de griffie op 9 december 2025;

de tijdens de zitting door mr. Yeral overhandigde brief van GGZ WNB van 12 december 2025.

Op 17 december 2025 heeft de kinderrechter het resterende verzoek behandeld tijdens de zitting met gesloten deuren. Daarbij waren aanwezig en zijn gehoord:

- de ouders, bijgestaan door hun advocaat;

- een vertegenwoordigster van de GI;

- een medewerker namens de Raad.

De minderjarigen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zijn, gelet op hun leeftijd, in de gelegenheid gesteld hun mening over het verzoek kenbaar te maken tijdens een zogenoemd ‘kindgesprek’ of het schrijven van een brief. De kinderrechter heeft bij de zitting, via de GI, kennisgenomen van de brief van [minderjarige 1]. De strekking van haar brief is dat zij de kinderrechter vraagt om het resterende verzoek niet toe te wijzen; zij wil terug naar de ouders.

2. De feiten

De ouders zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1], [minderjarige 2] en [minderjarige 3]. Zij worden hierna gezamenlijk aangeduid met: de minderjarigen.

Bij beschikking van 29 augustus 2024 heeft de kinderrechter de minderjarigen onder toezicht gesteld van 29 augustus 2024 tot 29 augustus 2025. Bij de in deze zaak gegeven beschikking van 28 juli 2025 heeft de kinderrechter een (spoed)machtiging verleend tot uithuisplaatsing van de minderjarigen in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder, voor de duur van twee weken, zijnde tot 11 augustus 2025. Het resterende deel van het verzoek is aangehouden. Op 7 augustus 2025 heeft de kinderrechter (in de zaak met kenmerk C/02/437397 / JE RK 25-1225) de ondertoezichtstelling verlengd tot 29 augustus 2026 voor [minderjarige 2] en [minderjarige 3] en tot [geboortedag 1] 2026 voor [minderjarige 1] en in onderhavige zaak het resterende deel van het spoedverzoek afgewezen en een machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarigen in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder verleend met ingang van 11 augustus tot 11 september 2025.

Vervolgens heeft de kinderrechter in deze zaak, bij beschikking van 2 september 2025, een machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarigen in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder verleend met ingang van 11 september tot 11 januari 2026.

3. Het (resterende) verzoek

Thans ligt het volgende deel van het verzoek nog ter beoordeling voor. De GI verzoekt, uitvoerbaar bij voorraad, om een machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarigen in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder voor de duur van de ondertoezichtstelling voor de periode zoals de ondertoezichtstelling is verlengd in de zaak met kenmerk C/02/437397 / JE RK 25-1225.

4. Het (nadere) standpunt van de GI

In aanvulling op en ter onderbouwing van het resterende verzoek voert de GI, samengevat, het volgende aan. Met [minderjarige 3] gaat het goed. Sinds zijn plaatsing is hij gegroeid in zijn taalontwikkeling. Echter, er zijn ook zorgen over hem. Hij gaat niet naar school en brengt veel tijd door binnenshuis. Wanneer de machtiging tot uithuisplaatsing wordt verleend, zal [minderjarige 3] na de kerstvakantie instromen op een basisschool. Zelf geeft hij aan graag naar school te willen.

Ook bij [minderjarige 1] ziet de GI een positieve ontwikkeling. [minderjarige 1] gaat naar school en naar haar stage. Op school heeft zij het naar haar zin. Zij wordt niet meer gepest. [minderjarige 1] staat open voor begeleiding en een vorm van begeleid wonen, echter dan wel in de buurt van de ouders. [minderjarige 1] heeft in de afgelopen periode zichtbare vooruitgang geboekt.

Over [minderjarige 2] bestaan er grote zorgen. Hij geeft aan niet lekker in zijn vel te zitten, maar praat hier niet over. Ook weigert hij naar school te gaan. Onderzocht moet worden welke school voor [minderjarige 2] passend is. Daarnaast zijn er zorgen over het gedrag van [minderjarige 2]. Hij heeft moeite met het naleven van de groepsregels, gaat structureel te laat slapen, heeft via internet bedreigingen geuit naar een ander en heeft in een moment van boosheid zijn tafel en computerscherm vernield. Bij [minderjarige 2] is reclassering betrokken tot december 2025. De reclassering heeft aangegeven bereid te zijn langer bij hem betrokken te blijven. [minderjarige 2] heeft vertrouwen in de reclasseringsmedewerker.

Over de situatie rondom de ouders heeft de GI onverminderd zorgen. De woning van de ouders is wisselend op orde. Tijdens het laatste huisbezoek was de woning opgeruimd en schoon, waarvoor de ouders complimenten verdienen. Zij moeten echter structureel kunnen laten zien dat hun woning opgeruimd is en blijft. Helaas is in de afgelopen periode gebleken dat de relatie van de ouders turbulent is gebleven. Het ontbreekt de ouders aan financiële middelen om relatietherapie te kunnen bekostigen. De moeder is ambivalent als het gaat om scheiden van de vader. Zij uit dit ook naar de minderjarigen en dat is voor hen belastend. De moeder gaat wekelijks naar de GGZ. Over het algemeen verlopen de wekelijkse bezoeken aan de minderjarigen goed. Beide ouders nemen regelmatig vrienden of familie mee, zodat het contact met hen ook onderhouden blijft. Wel valt het de GI op de dat ouders zich niet altijd aan de afspraken houden. De vader is enkele keren niet verschenen zonder afmelding of te laat gekomen. Recent heeft er een intake plaatsgevonden bij IAG (Intensieve Ambulante Gezinsbegeleiding). In de eerste drie maanden worden de opvoedvaardigheden van de ouders en de randvoorwaarden voor in de thuissituatie in kaart gebracht. Naar verwachting zal IAG eind januari, begin februari 2026 starten. Er wordt bekeken wat de minderjarigen en de ouders nodig hebben om een terugplaatsing van de minderjarigen te kunnen realiseren. Het IAG-traject zal naar verwachting twee tot drie maanden in beslag nemen. De GI bekijkt in de tussentijd de optie om de grootouders in te zetten voor het verblijf van de minderjarigen aldaar in de weekenden en de vakanties. De GI heeft bij de Raad hiervoor een Verklaring Geen Bezwaar ingediend.

De GI handhaaft het resterende deel van het verzoek. Hoewel de ouders en de minderjarigen stappen hebben gezet, is de relatie tussen de ouders zeer onvoorspelbaar en komen er zorgelijke berichten bij de GI binnen over geweld tussen hen. Daarnaast is onvoldoende duidelijk hoe de ouders hun ouderschap vormgeven en of zij kunnen aansluitend bij de specifieke opvoedbehoeften van de minderjarigen.

5. Het standpunt van de ouders en het advies van de Raad

Door en namens de ouders is, samengevat, het volgende aangevoerd. In de visie van de ouders dient het resterende deel van het verzoek te worden afgewezen. De ouders hebben hard gewerkt aan de vier doelen zoals deze zijn beschreven in de beschikking van 2 september 2025. Het is hen grotendeels gelukt om aan de doelen te voldoen; er is hulpverlening voor de moeder ingezet bij GGZ. Haar behandeling gaat goed en de psychiater heeft op schrift gesteld dat haar psychische klachten zijn verminderd en het psychiatrisch toestandsbeeld stabiel is. Zij komt haar afspraken na en neemt de medicatie goed in. De psychiater verwacht dat de moeder goed in staat zou moeten zijn om adequaat voor de minderjarigen te kunnen zorgen. Hoewel de woning van de ouders nog steeds als een probleempunt wordt gezien, stellen de ouders dat dit onterecht is. De woning is opgeruimd en netjes. De vraag is bovendien in hoeverre de mate van netheid van een woning er aan in de weg mag staan om de minderjarigen uit huis geplaatst te houden. Ten aanzien van de conflicten tussen de ouders geven zij beiden te kennen dat dit wordt overdreven. De ouders weten dat het eerder eens uit de hand is gelopen. Dit ontkennen zij niet. Dat zij op dit moment nog steeds geweld zouden gebruiken, wordt niet met stukken onderbouwd. De ouders weten dat het belangrijk is om goed met elkaar te communiceren. Zij hebben daarvoor geprobeerd om relatietherapie in te zetten. Vanwege geringe financiële middelen is dat niet gelukt. De ouders zijn geld aan het verzamelen om de therapie alsnog te kunnen starten. De ouders hebben inmiddels een bewijs van aanmelding voor relatietherapie. Zij stellen zich op het standpunt dat de problemen in hun relatie niet dusdanig ernstig zijn dat de minderjarigen niet terug thuisgeplaatst kunnen worden. De ouders concluderen dat een uithuisplaatsing als ultimum remedium dient te gelden en dat de situatie niet zodanig is dat een uithuisplaatsing nog noodzakelijk is.

De Raad adviseert de kinderrechter, samengevat, als volgt. De Raad onderschrijft het standpunt van de GI dat de minderjarigen op dit moment niet terug naar huis kunnen. Onduidelijk is echter welk pad de GI in de komende periode gaat bewandelen. Wordt er ingezet op herstel van de veiligheid in de thuissituatie? Of wordt er ingezet op perspectiefonderzoek en het verkrijgen van helderheid over de opvoedvaardigheden van de ouders? Het beeld dat de overgelegde stukken schetsen is dat de relatie van de ouders turbulent is en dat de dynamiek tussen hen zorgen baart. Ook is duidelijk dat de ouders de minderjarigen belasten met hun problemen. Uit de overgelegde stukken komt ook naar voren dat relatietherapie door de ouders niet door hen te bekostigen is. De Raad geeft de GI in overweging mee om ook te kijken naar systemische therapie of een andere intensieve gezinsbegeleiding, bijvoorbeeld via GGZ, waarin het stuk relatie tussen de ouders kan worden meegenomen. Ten aanzien van de screening van de grootouders, licht de Raad toe dat deze vorige week heeft plaatsgevonden. Naar aanleiding van die screening is geconcludeerd dat er aanleiding bestaat om nader onderzoek te doen. Ten aanzien van [minderjarige 1] acht de Raad het belangrijk dat er naar haar wens wordt geluisterd om vanuit de thuissituatie naar zelfstandigheid begeleid te worden, bijvoorbeeld bij het Fasehuis of via een traject begeleid wonen. Hoewel het beter met haar gaat kan zij nu nog niet naar huis. De randvoorwaarden zoals school, zijn in de thuissituatie nog niet geregeld. Voor [minderjarige 2] daarentegen geldt dat, ongeacht de plek waar hij verblijft, ingezet zal moeten worden op zijn emotieregulatie.

6. De (nadere) beoordeling

Wat zegt de wet?

Op grond van artikel 1:265b lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) kan de

kinderrechter de GI, die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling, op haar

verzoek machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen indien dit

noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot

onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid.

Uit de overlegde stukken en de mondelinge behandeling is gebleken dat de ouders in de afgelopen periode weliswaar positieve stappen hebben gezet, maar er nog onvoldoende sprake is van stabiliteit die een terugplaatsing van de minderjarigen mogelijk maakt. De woning van de ouders is verschillende keren bezocht en in wisselende staten aangetroffen. Tijdens het huisbezoek van de GI van 25 november 2025 zag de woning er netjes uit. Evenals de GI geeft de kinderrechter de ouders hiervoor een compliment. Wat daarnaast een pluim verdient is dat de moeder hulpverlening vanuit GGZ krijgt, zij deze accepteert en zij een stabiel psychiatrisch toestandsbeeld laat zien.

Wat de kinderrechter echter grote zorgen baart is dat de ouders niet hebben gewerkt, c.q. kunnen werken, aan hun relatie die nog altijd erg turbulent is. Met de GI maakt de kinderrechter zich zorgen over de wisselende en soms zorgelijke signalen over onder meer geweld tijdens ruzies en het steeds veranderen van mening over de relatie, waar de ouders de minderjarigen vervolgens mee belasten. De ouders lijken de tussen hen bestaande problemen nog steeds te bagatelliseren of ontkennen. Relatietherapie is niet gestart vanwege een gebrek aan financiële middelen. Hoewel de kinderrechter de ouders hier niet op kan afrekenen, acht de kinderrechter het wel van belang dat deze relatietherapie plaatsvindt. In lijn met de suggestie van de Raad, spoort de kinderrechter de GI aan om te bezien of via andere wegen alsnog een start kan worden gemaakt met de relatietherapie, bijvoorbeeld via GGZ of een systemische behandeling. Daarnaast acht de kinderrechter de inzet van IAG noodzakelijk. Er heeft inmiddels een intake plaatsgevonden bij IAG. Samen met de GI acht de kinderrechter het van belang dat de opvoedvaardigheden van ouders en de randvoorwaarden voor een terugkeer naar huis in kaart worden gebracht. Duidelijk moet worden wat de ouders en de minderjarigen hiervoor nodig hebben. Immers, hoewel het beter lijkt te gaan met [minderjarige 1] en [minderjarige 3], hebben zij een stabiele thuissituatie nodig om de positieve ontwikkeling te kunnen waarborgen. Zij kunnen op dit moment, zonder achtervang voor school en IAG, niet naar huis. De zorgen over [minderjarige 2] zijn onverminderd groot.

De kinderrechter heeft zich ervan vergewist dat de GI de mogelijkheden voor een plaatsing bij de grootouders (moederzijde) in de weekenden en de vakanties heeft onderzocht. De GI heeft een Verklaring Geen Bezwaar ingediend bij de Raad en die heeft op zijn beurt een screening uitgevoerd. Daaruit is gebleken dat er nader onderzoek nodig is. De kinderrechter volgt de advocaat in zijn stelling dat een uithuisplaatsing als ultimum remedium dient te gelden. Daarom heeft de kinderrechter de GI eerder de opdracht gegeven om te onderzoeken of een netwerkplaatsing tot de mogelijkheden behoort. Gelet op de overgelegde stukken en de toelichting van de GI daarop is een netwerkplaatsing vooralsnog geen optie.

Al het voorgaande leidt tot de conclusie dat de plaatsing van de minderjarigen moet worden gecontinueerd. Hoewel de kinderrechter ziet dat de ouders hun best doen en aan de punten zoals opgenomen in de beschikking van 2 september 2025 is gewerkt, is naar het oordeel van de kinderrechter ook gebleken dat er nog zorgen zijn over de veiligheid in de thuissituatie en de opvoedvaardigheden van de ouders. Voordat ingezet kan worden op een thuisplaatsing van de minderjarigen moet hierover helderheid komen. De inzet van IAG-traject is daarvoor essentieel en cruciaal. De kinderrechter kan zich dan ook scharen achter het standpunt van de GI en het advies van de Raad.

Duur van de machtiging tot uithuisplaatsing en de verdere voortgang

Van de GI heeft de kinderrechter vernomen dat dit traject eind januari, begin februari 2026 kan starten en naar verwachting maximaal drie maanden duurt. Dit betekent dat ongeveer in mei 2026 de eerste resultaten van het IAG-traject bekend zouden moeten zijn. De kinderrechter ziet daarom aanleiding om de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 2] en [minderjarige 3] de komende vijf maanden voort te laten duren - te weten tot 11 juni 2026 - met een aanhouding van het resterende deel van het verzoek. Op die manier kan de kinderrechter de situatie nauwlettend in de gaten blijven houden en een vinger aan de pols blijven houden.

Voor [minderjarige 1] geldt dat zij per [geboortedag 1] 2026 de meerderjarige leeftijd heeft bereikt. De kinderrechter zal machtiging tot uithuisplaatsing die op haar ziet, verlengen tot die datum. De kinderrechter volgt daarin het advies van de Raad; wanneer [minderjarige 1] nu naar huis gaat, is de verwachting dat zij zal worden belemmerd in haar positieve ontwikkeling. Momenteel gaat zij naar school en geniet zij daarvan. In de thuissituatie is een schoolgang niet gegarandeerd, wat mogelijk leidt tot een terugval in oude patronen. Van de GI wordt verlangd dat zij in de komende periode samen met [minderjarige 1] en de ouders een toekomstplan maken, in die zin dat helder wordt hoe de weg van [minderjarige 1] naar zelfstandigheid er uit gaat zien. Van belang daarbij is dat de mogelijkheden van begeleid wonen of verblijf bij een Fasehuis wordt onderzocht.

De kinderrechter verwacht van de ouders dat zij zich zullen inzetten voor het IAG-traject en handhaaft daarnaast de voorwaarden zoals deze eerder door de GI zijn gesteld en door de kinderrechter zijn overgenomen, inhoudende als volgt:

- De ouders zetten de minderjarigen (tijdens bezoekmomenten) voorop, zijn daarbij steunend en geïnteresseerd in de minderjarigen;

- De ouders belasten de minderjarigen niet met hun eigen (relatie)problemen.

- Er zijn geen signalen meer van spanningen tussen de ouders maar van constructief

contact tussen hen.

- De ouders blijven stappen zetten in het opruimen van de woning en houden dit ook

vol.

- De ouders staan open en werken mee aan hulpverlening gericht op de minderjarigen.

De kinderrechter verwacht van de GI dat zij hem, uiterlijk op 14 mei 2026 PRO FORMA in een schriftelijk verslag, onder gelijktijdige verzending daarvan aan de advocaat van de ouders en de Raad, informeert over de actuele stand van zaken ten aanzien van:

- de actuele staat van de woning; is de woning voldoende opgeruimd, schoon en

leefbaar voor een thuisplaatsing van de minderjarigen? Zo nee, waarom niet?

- indien [minderjarige 3] en [minderjarige 2] niet naar huis kunnen; is er een mogelijkheid om de

minderjarigen bij de grootouders (moederzijde) te plaatsen, al dan niet in het kader

van weekendpleegzorg? Wat heeft de screening van de Raad opgeleverd?

- de ingezette hulpverlening; zijn de ouders met relatietherapie gestart?

- zijn er nieuwe signalen bekend die wijzen op (fysiek) geweld tussen de ouders?

- de ingezette persoonlijke hulpverlening van de moeder vanuit GGZ, wat is hierin de ontwikkeling?

- het contact tussen de minderjarigen en de ouders; belasten de ouders de

minderjarigen nog met volwassenzaken?

- de schoolgang van de minderjarigen; gaan zij naar school? Zo ja, hoe gaat dat? Zo

nee, waarom niet?

- de resultaten van het IAG-traject;

- andere belangrijke ontwikkelingen in deze zaak;

- het standpunt over het resterende deel van het verzoek.

Wanneer uit de verslaglegging van de GI blijkt dat zij het resterende deel van het verzoek handhaaft, zal de rechtbank een nieuwe zitting bepalen. De minderjarige [minderjarige 2] zal dan opnieuw in de gelegenheid worden gesteld om zijn mening kenbaar te maken tijdens een kindgesprek of via het schrijven van een brief. Ook zal de kinderrechter de Raad opnieuw opgeroepen om hem over het resterende deel van het verzoek te adviseren. De kinderrechter verzoekt de advocaat van de ouders om, als het verslag van de GI daartoe aanleiding geeft, zijn verhinderdata kenbaar te maken voor de weken 22, 23 en 24, zodat de kinderrechter met voortvarendheid een nieuwe zittingsdatum kan bepalen.

Uitvoerbaar bij voorraad

De kinderrechter zal de toewijzende beslissing, gelet op de aard van de maatregel,

uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals is verzocht door de GI. Dat betekent dat de

beslissing alvast moet worden gevolgd, ook als er daartegen beroep wordt ingesteld.

7. De beslissing

De kinderrechter:

verleent de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder, met ingang van 11 januari 2026 tot [geboortedag 1] 2026;

verleent de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 2] en [minderjarige 3] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder, met ingang van 11 januari 2026 tot 11 juni 2026;

verklaart de beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

houdt iedere verdere beslissing op het resterende deel van het verzoek tot een

machtiging tot uithuisplaatsing aan tot 14 mei 2026 PRO FORMA, in afwachting van het schriftelijke verslag van de GI, zoals is weergegeven in rechtsoverweging 6.9.;

behoudt zich verder iedere beslissing voor.

Deze beslissing is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 17 december 2025 door mr. Sumner, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Vos als griffier.

De schriftelijke uitwerking van deze beschikking is vastgesteld op 23 december 2025.

Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:

- door de verzoekers en de belanghebbende(n) aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;

- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.

Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch.

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. Vos als

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?