ECLI:NL:RBZWB:2025:9252

ECLI:NL:RBZWB:2025:9252, Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 17-12-2025, C/02/407654 / HA ZA 23-153 (E)

Instantie Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak 17-12-2025
Datum publicatie 19-01-2026
Zaaknummer C/02/407654 / HA ZA 23-153 (E)
Rechtsgebied Civiel recht
Procedure Bodemzaak
Zittingsplaats Middelburg

Samenvatting

In deze zaak gaat het om een vordering tot voldoening van een lening. Gedaagde stelt dat hij de lening volledig heeft afbetaald. In een eerder tussenvonnis is reeds geoordeeld dat de bewijskracht die uitgaat van de onderhandse akte waaruit dat zou blijken door eisers is ontzenuwd. Gedaagde is opgedragen te bewijzen dat hij de lening heeft afbetaald. In dit vonnis wordt geoordeeld dat hij daarin niet is geslaagd. de vordering wordt toegewezen.

Uitspraak

RECHTBANK Zeeland-West-Brabant

Civiel recht

Zittingsplaats Middelburg

Zaaknummer: C/02/407654 / HA ZA 23-153

Vonnis van 17 december 2025 (bij vervroeging)

in de zaak van

1. [eiser 1] ,

te [plaats 1] ,2. [eiser 2],

te [plaats 2] ,

eisende partijen,

hierna samen te noemen: [eisers] (mannelijk en enkelvoud),

advocaat: mr. A.C. Hansen te Rotterdam,

tegen

1. [gedaagde 1] ,

te [plaats 3] ,2. [gedaagde 2],

te [plaats 3] ,

gedaagde partijen,

hierna samen te noemen: [gedaagden] (mannelijk en enkelvoud),

advocaat: mr. R.M.A. Lensen te Terneuzen.

1. De verdere procedure

Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:

- akte van depot van 7 maart 2024;

- het vonnis van 24 april 2024;

- de akte van 8 mei 2024 van [gedaagden] ;

- het proces-verbaal van getuigenverhoor van 20 september 2024;

- het proces-verbaal van voortzetting van het getuigenverhoor en contra-enquête van 14 februari 2025;

- het bevel tot medeberenging getuige van 30 april 2025;

- het proces-verbaal van voortzetting van getuigenverhoor van 21 augustus 2025;

- de conclusie na enquête van 8 oktober 2025 met een productie van [gedaagden] ;

- de conclusie na enquête van 5 november 2025 van [eisers]

Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De verdere beoordeling

In het vonnis van 24 april 2024 overweegt en oordeelt de rechtbank als volgt:

‘(…)

De inhoud van de leningsovereenkomst zoals geciteerd in 2.2 is tussen partijen niet in geschil. Ook is niet in geschil dat [eisers] bevoegd zijn de lening op te eisen. [gedaagden] stelt echter dat hij de gehele lening al heeft terugbetaald en beroept zich op de kwitantie. [eisers] betwist een deel van de inhoud van de kwitantie en voert aan dat de passage ‘plus de rente…’ tot en met ‘… nu nihil is.’ later aan de verklaring is toegevoegd.

De rechtbank overweegt dat de stelplicht en de eventuele bewijslast van de stelling van [gedaagden] dat hij de lening heeft afbetaald, op [gedaagden] rust. [eisers] betwist niet dat [eiser 2] de kwitantie heeft ondertekend. De kwitantie dient te worden aangemerkt als een onderhandse akte (artikel 156 lid 3 Rv). Een onderhandse akte levert – kort gezegd – tussen partijen dwingend bewijs op ten aanzien van de juistheid van de inhoud daarvan (artikel 157 lid 2 Rv). Op grond van artikel 151 lid 2 Rv staat tegen dit dwingend bewijs tegenbewijs open. Dat tegenbewijs kan blijkens artikel 152 lid 1 Rv worden geleverd door alle middelen, tenzij de wet anders bepaalt. Het staat de rechter vrij het tegenbewijs geleverd te achten indien hij op grond van de in het geding gebleken feiten bewezen acht dat de in de akte opgenomen verklaring onjuist is. Daarbij geldt dat het tegenbewijs geslaagd mag worden geacht als op grond daarvan het door de akte geleverde bewijs is ontzenuwd.

De rechtbank is van oordeel dat [eisers] zijn geslaagd in het ontzenuwen van het bewijs dat ook de passage ‘Ook ontvangt dhr [eiser 2] € 35.000,- (vijf en dertig duizend euro) als aflos op deze lening zodat het saldo nu nihil is.’ door [eiser 2] is ondertekend. De rechtbank overweegt daartoe het volgende.

De kwitantie omschrijft zeer gedetailleerd een aflossing van € 17.500,00. De zin ‘Ook ontvangt dhr [eiser 2] € 35.000,- (vijf en dertig duizend euro) als aflos op deze lening zodat het saldo nu nihil is.’ strookt niet met de rest van de tekst van de kwitantie. Deze zin is ook met een andere, donkerdere pen, erbij geschreven. [gedaagden] erkent ook dat deze zin aan de kwitantie is toegevoegd. [gedaagden] stelt zich echter op het standpunt dat dit voorafgaand aan het tekenen door [eiser 2] is gebeurd. Er is niets in het geding gebracht waar de door [gedaagden] gestelde gang van zaken uit blijkt.

Uit de correspondentie zoals geciteerd in 2.5 tot en met 2.10 volgt dat [gedaagden] meermaals heeft gevraagd om alle stukken waarover [eisers] beschikte. Pas in zijn derde bericht, nadat duidelijk is geworden dat [eisers] niet over een kopie van de kwitantie beschikt, neemt [gedaagden] het standpunt in dat de lening volledig is afbetaald. Er is geen reden aangevoerd waarom [gedaagden] dat standpunt niet meteen in zijn bericht van 22 november 2022 heeft kunnen innemen.

De advocaat van [eisers] heeft in eerste instantie het standpunt ingenomen dat ook de handtekening onder de verklaring niet van [eiser 2] afkomstig was. In dat kader hebben partijen gecorrespondeerd over een eventueel uit te voeren handtekeningenonderzoek door een erkend forensisch onderzoeksbureau. Ook toen heeft [gedaagden] zich ertegen verzet dat de vraag ‘Is het mogelijk dat [gedaagde 1] de zin ‘Ook ontvangt dhr. [eiser 2] € 35.000,--….etc.’ later (na ondertekening door [eiser 2] ) aan de kwitantie heeft toegevoegd?’ aan het onderzoeksbureau werd voorgelegd. Voorgaande omstandigheden brengen de rechtbank tot het oordeel dat het dwingende bewijs dat van de kwitantie uitgaat, voor zover het de passage ‘Ook ontvangt dhr [eiser 2] € 35.000,- (vijf en dertig duizend euro) als aflos op deze lening zodat het saldo nu nihil is.’ betreft, is ontzenuwd. Hiervan gaat dus geen dwingende bewijskracht uit.

Zoals in 4.2 overwogen rust op [gedaagden] de bewijslast dat de lening is afbetaald. Omdat dit, gelet op het voorgaande, niet volgt uit de overgelegde kwitantie en [gedaagden] ook geen andere stukken heeft ingebracht waaruit dit blijkt zal [gedaagden] worden opgedragen te bewijzen dat de lening is afbetaald.

Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

(…)’

De rechtbank komt niet terug op haar beslissingen van het vonnis van 24 april 2024.

[gedaagden] is in de gelegenheid gesteld om te bewijzen dat hij de lening aan [eisers] heeft terugbetaald. Op [gedaagden] rust het bewijsrisico en dit risico manifesteert zich ook. De rechtbank zal vaststellen dat [gedaagden] niet in zijn bewijsopdracht is geslaagd. [gedaagden] heeft niet kunnen bewijzen dat hij naast het bedrag van €17.500,00 ook nog het bedrag van € 35.000,00 aan [eisers] heeft betaald. Op deze grond dient de rechtbank dan ook de conclusie te trekken dat (i) [gedaagden] niet heeft bewezen dat hij de lening heeft afgelost en (ii) dat hij dient te worden veroordeeld om de lening terug te betalen te vermeerderen met rente en kosten.

Vijf getuigen zijn gehoord. Hierna zal, voor zover van belang, worden weergegeven wat zij hebben verklaard en zal de rechtbank hun verklaringen waarderen.

[gedaagde 1] verklaart dat hij op 4 december 2019 in zijn kantoor ook het bedrag € 35.000,00 in contanten aan [eiser 2] heeft betaald: “(…) Ik heb ook het bedrag van € 35.000,- in contanten aan [eiser 2] terugbetaald. (…)” [gedaagde 1] vervolgt “(…) U houdt me voor dat ik blijkens het voormelde document een bedrag van € 17.500,- heb betaald als aflossing, een bedrag aan rente van € 1.207,50 en een bedrag van € 35.000,-. Het klopt, ik heb het totaalbedrag van € 53.707,50 in contanten op 4 december 2019 aan [eiser 2] betaald. (…)” Ook verklaart [gedaagde 1] : “(…) Ik wil nog verder toelichten dat ik in het bijzijn van de heer [naam 1] , in mijn kantoor dus, op 4 december 2019 ook het bedrag van € 35.000,- aan [eiser 2] heb betaald. (…)” Hij vervolgt: “(…) Ik heb sieraden in goud aan [naam 1] verkocht. De koopsom bedroeg meer dan € 35.000,-. Ik weet de precieze koopsom niet meer, maar het was wel beduidend meer dan die € 35.000,-. (…)” Over de herkomst van die sieraden verklaart [gedaagde 1] als volgt: “(…) Van deze goudtransactie is verder geen documentatie voor handen, voor zover ik mij kan herinneren. (…)” en “(…) Ik heb deze sieraden in goud zelf gekocht van een handelaar in Beverwijk. De naam van de handelaar kan ik me niet meer herinneren. Ik kan me niet meer herinneren wanneer ik deze sieraden in goud heb gekocht. Verder was daar niemand bij aanwezig. (…)”

Het is opvallend dat [gedaagde 1] een gebrekkig, maar ook een selectief geheugen heeft: over de betaling van €35.000,00 in contanten aan [eiser 2] in het bijzijn van [naam 1] is [gedaagde 1] erg stellig terwijl over de details van sieradentransactie met een handelaar in Beverwijk hij zich niets meer weet te herinneren. Nu er ook geen documenten voorhanden zijn van deze sieradentransactie kan niets worden geverifieerd en kan de waarachtigheid van deze transactie niet worden beoordeeld. Hierdoor boet zijn gehele verklaring aan geloofwaardigheid in.

Deze partijverklaring vindt overigens geen dan wel onvoldoende steun in andere bewijsmiddelen.

Mevrouw [naam 2] verklaart immers dat zij uit eigen wetenschap niets weet over de aflossing van de lening: “(…) Ik ben niet aanwezig geweest bij de aflossing van de lening” (…) “Ik weet uit eigen wetenschap niets te verklaren over deze aflossing” (…) “Wat ik weet over de aflossing heb ik alleen gehoord van mijn echtgenoot”.

De rechtbank leidt uit deze verklaring af dat zij niet heeft waargenomen en ook niet heeft kunnen waarnemen dat [gedaagde 1] op 4 december 2019 enig bedrag aan [eiser 2] heeft overhandigd. De verklaring van [naam 2] biedt dan ook geen steun voor de verklaring van [gedaagde 1] dat ook het bedrag van € 35.000,00 op 4 december 2019 aan [eiser 2] is betaald en dat [gedaagden] hierdoor de geldlening heeft afgelost. Ze was hierbij niet aanwezig en zij heeft hierover niets waargenomen.

[naam 1] ’s verklaring ondersteunt evenmin de verklaring van [gedaagde 1] . Hij verklaart onmiddellijk: “Ik heb de heer [eiser 2] die u mij zojuist aanwees niet eerder gezien”. Dat is in strijd met de verklaring van [gedaagde 1] dat op 4 december 2019 in het bijzijn van [naam 1] ook het bedrag van € 35.000,00 aan [eiser 2] is overhandigd. Ook later in het verhoor blijft een herkenning van [eiser 2] uit. [naam 1] verklaart wel over een goudtransactie met [gedaagde 1] . “(…) Ik was bij de heer [gedaagde 1] om goud te kopen. (…)” “(…) Ik heb voor deze sieraden ongeveer € 35.000,00 aan de heer [gedaagde 1] betaald. (…)” Op vragen van de raadsman van [gedaagde 1] verklaart [naam 1] : “Ik heb eerst het geld aan [gedaagde 1] gegeven. Vervolgens zag ik de heer [gedaagde 1] iets op papiertje schrijven en tot slot gaf de heer [gedaagde 1] het geld aan die derde meneer. Zo is het gegaan. Die derde persoon heeft nog een handtekening geplaatst op het papiertje. Ook meneer [gedaagde 1] heeft nog een handtekening geplaatst op dat papiertje. Ik vind het toch lastig om te antwoorden zonder een tolk. Ik kan het niet goed uitleggen en ik begrijp jullie ook niet goed. (…)”

Dit deel van de verklaring had de verklaring van [gedaagde 1] kunnen ondersteunen als was komen vast te staan dat [gedaagde 1] aan [eiser 2] het bedrag van € 35.000,00 heeft overhandigd. Maar [naam 1] verklaart niet dat deze derde persoon in de kantoorruimte van [gedaagde 1] [eiser 2] is. Hij herkent [eiser 2] niet. Hij verklaart zelfs: “(…) Volgens mij was het goud van die derde persoon afkomstig. (…)”, terwijl zelfs [gedaagde 1] hierover niet heeft verklaard en overigens uit niets blijkt dat [eiser 2] goud aan heer [gedaagde 1] heeft geleverd. Hoewel de rechtbank heeft kunnen vaststellen dat [naam 1] de Nederlandse taal machtig is, verklaart [naam 1] dat hij het niet goed kan uitleggen en dat hij het niet goed begrijpt. Aan de verklaring van [naam 1] kent de rechtbank dan ook weinig overtuigingskracht toe ook omdat zijn verklaring onvoldoende stellig is.

De verklaring van [gedaagde 1] wordt stellig weersproken door [eiser 2] . Hij verklaart: “(…) Op 4 december 2019 is het bedrag van € 17.500,00 aan mijn betaald. Dit bedrag is in contanten aan mij verstrekt, en wel in biljetten van € 50,00 in vijf enveloppen en in iedere envelop zaten 70 biljetten van € 50,00. Er is geen rentebetaling gedaan. Het bedrag van € 1.207,50 is niet aan mij betaald. Ook in zoverre klopt het document dus helemaal niet. (…) Op 4 december heb ik alleen het bedrag van € 17.500,- in contanten van heer [gedaagde 1] ontvangen. Bij de overhandiging van het bedrag € 17.500,- waren alleen de heer [gedaagde 1] en ik op zijn administratiekantoor aanwezig. Ik kan u zeggen dat ik met honderd procent zekerheid kan zeggen dat in die ruimte ten tijde van overhandiging van het bedrag alleen ik en [gedaagde 1] aanwezig waren. Als [gedaagde 1] verklaart dat ook de heer [naam 1] ook bij de overhandiging van een bedrag aanwezig is geweest, is dat onjuist. Ik kan zelfs zeggen dat hij dan onder ede liegt. Wis en waarachtig.(…)” [eiser 2] is partij in deze procedure en heeft, net als [gedaagde 1] , belang bij deze verklaring. Niettemin acht de rechtbank deze verklaring overtuigend en geloofwaardig omdat [eiser 2] zonder enige voorbehoud, stellig en onvoorwaardelijk verklaart.

Daar komt nog bij dat [eiser 1] de betaling van ‘slechts’ € 17.500,00 bevestigt. Hij verklaart: “(…) Ik heb het contante geld ten bedrage van € 17.500,00 zelf niet gezien. Het is ontvangen en gestort op de ervenrekening. Ik heb dat bankafschrift gezien. En daar stond die € 17.500,00 op. De derde termijn is uitgebleven. Ook de betaling van de vierde termijn is uitgebleven. Kort en goed: op de lening zijn dus twee bedragen van € 17.500,00 afgelost en er is een rentevergoeding betaald berekend over één termijn van € 17.500,00. Andere bedragen zijn niet betaald. De lening is dus niet afgelost. (…)” [eiser 1] verklaart dat slechts € 17.500,00 op de ervenrekening is ontvangen en niet het bedrag van € 53.707,50 dat [gedaagde 1] in contanten aan [eiser 2] zou hebben meegegeven. Dat het verschil tussen deze bedragen door [eiser 2] is verduisterd is door niemand beweerd, zodat de rechtbank aan deze mogelijkheid voorbijgaat. Ook de verklaring van [eiser 1] is stellig, zonder voorbehoud en onvoorwaardelijk gegeven. Hiervan gaat gelijk de verklaring van [eiser 2] veel overtuigingskracht uit.

Dat de rechtbank geen overtuigingskracht vindt uitgaan van de verklaringen van [gedaagde 1] en [naam 1] is ook gelegen in de omstandigheid dat hun verklaringen geen steun vinden in zakelijke bescheiden en/of documenten. Er is namelijk geen documentatie voorhanden dat [gedaagde 1] de sieraden heeft gekocht en/of voorhanden heeft gehad. Ook is geen documentatie voorhanden dat [gedaagde 1] de sieraden aan [naam 1] heeft verkocht voor het bedrag van € 35.000,00 terwijl ook de documentatie van de verkoop van de sieraden door [naam 1] in de sieradenwinkel in Beverwijk ontbreekt. De rechtbank is van oordeel dat weinig aannemelijk is dat dergelijke transacties met een dergelijke geldelijke omvang zonder (schriftelijke) documenten, zoals aankoopbonnen en/of verkoopbonnen, kwitanties en/of pintransacties en/of bancaire overschrijvingen en/of echtheidsverklaringen etc. worden afgewikkeld zelfs wanneer [gedaagde 1] en [naam 1] deze transacties in een sieradenwinkel in Beverwijk zouden hebben verricht. Dergelijke bescheiden zouden voorhanden moeten zijn als deze transacties daadwerkelijk zouden hebben plaatsgevonden. Het heeft er alle schijn van dat [gedaagde 1] en [naam 1] hun sieradentransacties op de markt in Beverwijk uit hun duim hebben gezogen. De rechtbank waardeert hun verklaringen als weinig aannemelijk. Dat [gedaagde 1] en [naam 1] in 2025 in verband met hetzelfde strafrechtelijke witwasonderzoek tegelijkertijd zijn aangehouden en hebben vastgezeten is naar het oordeel van de rechtbank een overtuigende aanwijzing dat [gedaagde 1] en [naam 1] samenspannen en hun verklaringen op elkaar afstemmen. De omstandigheid dat [naam 1] verklaart dat hij het allemaal niet goed kan uitleggen zonder tolk wanneer hij verklaart over de overhandiging van het bedrag van € 35.000,00 door [gedaagde 1] aan [eiser 2] terwijl de rechtbank heeft kunnen vaststellen dat hij de Nederlandse taal voldoende machtig is, is ook veelzeggend. [naam 1] wil zich niet op zijn verklaring laten vastpinnen waardoor hieraan naar het oordeel van de rechtbank weinig geloofwaardigheid mag worden gehecht.

De rechtbank is van oordeel dat [gedaagden] niet is geslaagd in zijn bewijsopdracht. De rechtbank concludeert dan ook dat [gedaagden] de lening niet heeft terugbetaald. Hieruit volgt voorts dat het restant na de gedane betalingen door [gedaagden] opeisbaar is geworden (vergelijk ook artikel 5 geldlening). Dit restant van de lening van € 70.000,00 bedraagt € 35.000,00 omdat op 9 november 2018 het bedrag van € 17.500,00 te vermeerderen met overeengekomen rente op de ervenrekening is overgeboekt en op 4 december 2019 heeft [gedaagde 1] € 17.500,00 in contanten aan [eiser 2] overhandigd (die nadien op de ervenrekening zijn gestort). Als opeisbare hoofdsom resteert dan het bedrag van € 35.000,00 dat [gedaagden] te vermeerderen met kosten en rente hoofdelijk aan [eisers] dient te betalen.

Hieruit volgt dat als hoofdsom het bedrag van € 35.000,00 dient te worden toegewezen. Dat geldt voorts voor de overeengekomen rente van € 2.684,23. Ook de wettelijke rente over het bedrag van € 37.684,23 vanaf 1 januari 2023 tot aan de dag der algehele voldoening zal de rechtbank hierna hoofdelijk toewijzen.

Gelet op de herhaalde sommaties aan het adres van [gedaagden] en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten zal de rechtbank het bedrag van € 1.573,00 hoofdelijk aan [eisers] toewijzen te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf de dag der dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening. De stelling van [gedaagden] dat deze kosten van ‘kleur’ zijn verschoten passeert de rechtbank.

Als de in het ongelijk gestelde partij zal [gedaagden] hoofdelijk in de kosten van het geding worden veroordeeld die als volgt worden vastgesteld:

- griffierecht € 1.301,00

- exploitkosten € 130,57

- advocaatkosten € 4.716,00 (6 punten, tarief III)

- na-kosten € PMplus kosten van betekening)

totaal € 6.147,57 + PM

De rechtbank zal het vonnis uitvoerbaar bij voorraad verklaren.

Het meer of anders gevorderde zal de rechtbank afwijzen.

3. De beslissing

veroordeelt [gedaagden] hoofdelijk, des dat de een betaalt de andere in zoverre zal zijn bevrijd, om als hoofdsom het bedrag van € 35.000,00 aan [eisers] te betalen te vermeerderen met de tot 31 december 2022 vervallen overeengekomen rente van € 2.684,23;

veroordeelt [gedaagden] hoofdelijk, des dat de een betaalt de ander in zoverre zal zijn bevrijd, om de wettelijke rente over het bedrag van € 37.684,23 aan [eisers] te vergoeden te rekenen vanaf 1 januari 2023 tot aan de dag der algehele voldoening;

veroordeelt [gedaagden] hoofdelijk, des dat de een betaalt de ander in zoverre zal zijn bevrijd, om de buitengerechtelijke incassokosten van € 1.573,00 aan [eisers] te vergoeden te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag der dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening;

veroordeelt [gedaagden] hoofdelijk, des dat de een betaalt de ander in zoverre zal zijn bevrijd, in de proceskosten die op het bedrag van € 6.147,57 worden vastgesteld te vermeerderen met de na-kosten van € 178,00, zonder betekening, te vermeerderen met € 92,00 en de kosten van betekening, na betekening van dit vonnis en te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 14 dagen na heden tot aan de dag dat [gedaagden] alle kosten heeft betaald;

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of andere gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. drs. Luijks (LL.M. fisc.) en bij vervroeging in het openbaar uitgesproken op 17 december 2025.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?